8 februari, 2016 | Auteur: Jeroen Boersma | Beeld: Jeroen Boersma | Trefwoord: marokko
Vluchtelingencentrum Melilla overvol: “We doen wat we kunnen”
“We hebben hier nu 1700 vluchtelingen opgevangen in Melilla, terwijl we een capaciteit van 500 hebben. We doen wat we kunnen, maar het is een zware taak”, vertelt Enrique Roldán Jiménez. Enrique werkt als directeur vluchtelingenwerk bij het Rode Kruis in Melilla, een Spaanse autonome stad in het noorden van Marokko. Melilla heeft zo’n tachtigduizend inwoners en is compleet omringd door hoge hekken.
In het centrum van Melilla is weinig te merken van het vluchtelingenprobleem. De straten zijn schoon, de mensen wonen en werken er, zoals in elke andere Europese stad en niks wijst erop dat de stad grote problemen heeft. Maar dichter bij de grens wordt het grimmiger. Vluchtelingen worden er tegengehouden door middel van drie hekken tot wel vijf meter hoog die Melilla als een soort fort moeten beschermen. Tegelijkertijd is er een bloeiende smokkelhandel tussen de stad en Marokko ontstaan. Rijen Marokkanen staan aan de Spaanse kant van de grens met goederen op hun rug die ze Marokko binnen brengen. Op bepaalde uren mogen de goederen belastingvrij de grens overgebracht worden en alleen Marokkanen uit de grensprovincie Nador mogen zonder visum in Melilla komen.
Tienduizenden vluchtelingen wachten in de bergen rondom Melilla hun kans af om de Europese Unie binnen te dringen. In 2005 en 2014 waren er grote groepen die massaal de grens bestormden, waarvan honderden de overkant haalden. Nog veel meer bleven gewond achter of werden opgepakt. “Sinds die tijd hebben we het een stuk drukker”, aldus Enrique. “Het Rode Kruis heeft vooral de taak om vluchtelingen te onderzoeken op hun gezondheid, zowel geestelijk als lichamelijk, voordat ze het opvangcentrum binnenkomen. Daarnaast werken we samen met de Guardia Civil om ervoor te zorgen dat de stroom niet nog groter wordt.” De veiligheidsmaatregelen zijn enorm opgeschroefd om nieuwe bestormingen tegen te gaan. Toch wordt el CETI, het opvangcentrum in Melilla, voller en voller. Dat komt omdat Syrische, Palestijnse en Irakese vluchtelingen wel meteen worden toegelaten in Melilla.
Deze groepen worden binnen dertig tot veertig dagen overgebracht naar het vasteland van Spanje, waarna ze daar blijven of elders in Europa opgevangen worden. Mensen met een andere afkomst moeten blijven wachten in Melilla tot er besloten is wat er met ze gaat gebeuren. “Alleen wanneer Spanje een verdrag heeft met het land van herkomst, mogen we de migranten verplaatsen naar het vasteland, waarna ze teruggestuurd worden. Als dat er niet is, mogen ze ook niet overgeplaatst worden”, aldus Enrique. Van veel vluchtelingen kan de identiteit niet vastgesteld worden, omdat ze deze zijn kwijtgeraakt tijdens de reis of omdat ze deze met opzet weggegooid hebben. Zo blijft het aantal mensen dat opgevangen wordt groeien.
“We vinden het werk nog altijd erg leuk, maar er rust wel een grote druk op onze schouders. Psychologisch is dat soms erg zwaar”, vertelt Enrique. Eerst werkten er nog elf mensen bij el CETI, nu is dat verhoogd naar twintig mensen. Maar alsnog is het lastig om iedereen te helpen. Er is te weinig ruimte. Enrique legt uit: “Het ligt aan de Spaanse overheid of er een grotere ruimte komt. Het Rode Kruis gaat daar niet over. Maar het lijkt erop dat er niet uitgebreid zal worden.” Wel steunt de overheid het Rode Kruis met meer geld, “maar het blijft krap”.