5 maart, 2014 | Auteur: Bram van Lieshout, Fleur Launspach | Beeld: Bram van Lieshout | Trefwoord: colombia
De verloren zonen van Colombia
In de betonnen muren zitten gaten. Er hangt een versleten kalender als vergeefse poging de gaten te verhullen. Het is een klein en donker huis in de warme buitenwijken van Bogotá, de hoofdstad van Colombia. Luz Marina Bernal drukt de foto van haar zoon tegen haar borst. David Leonardo Porras Bernal was 26 jaar oud, maar had de geestelijke ontwikkeling van een negenjarig kind. Hij kon nauwelijks begrijpen wat het woord ‘guerrilla’ betekende. Na maanden zoeken werd hij teruggevonden in een massagraf met FARC-strijders.
“Elke nacht lag ik wakker en wachtte ik op hem. De onzekerheid was slopend. Na acht maanden ging de telefoon. Ze hadden hem gevonden in een massagraf van guerrillastrijders die in strijd met het Colombiaanse leger waren gesneuveld. In Santander, 700 kilometers van waar hij verdween, zonder documenten. Ik moest hem komen identificeren. Daar zag ik het verwoeste gezicht van mijn zoon. Hij was dertien keer door zijn hoofd geschoten. Ik wist dat hij het was, maar wilde het niet geloven.”
Luz is één van de ruim 4.700 moeders die haar zoon verloor door buitengerechtelijke executies uitgevoerd door het Colombiaanse leger tussen 2002 en 2010. In Colombia staan deze zaken bekend als de ‘falsos positivos’. Tijdens het bewind van voormalig president Álvaro Uribe verdwenen door het hele land jonge mannen uit achterstandswijken en van het platteland. Een goed betaalde baan in de constructie- of landbouw werd hen beloofd, ergens in een andere provincie. Luz herinnert zich dat haar zoon vlak voor hij verdween vertelde dat iemand hem werk had aangeboden in het noorden van het land. “Hij kon koffie gaan plukken op een boerderij of bouwwerkzaamheden gaan doen en ze zouden hem daar goed voor betalen. Door zijn rijke en kinderlijke fantasie nam ik het niet heel serieus en zei hem niet weg te gaan bij zijn moeder.”
Naar schatting werden bijna vijfduizend jonge mannen in Colombia op deze manier misleid. Een lokale ‘fixer’ haalde de jongens over een busje in te stappen, op weg naar een beloofde baan. Ook Nelcy Rivera uit Popayán in Zuid-Colombia verloor haar zoon op deze manier. Pas later hoorde zij hoe haar zoon om het leven is gekomen. “In de nacht werd de bus langs de kant van de weg gezet. Samen met de anderen werd hij gedwongen over een veld te rennen. Daar werden de jongens door het leger onder vuur genomen. Hierdoor leek het alsof de schoten waren gelost tijdens confrontaties tussen het leger en guerrillagroeperingen zoals de FARC.” De lichamen werden verzameld en in guerrilla-uniformen gestoken. Er werden geweren in hun handen gelegd en handgranaten in hun broekzakken gedaan. Vervolgens werden de executies gerapporteerd als ‘kills in combat’.
De meeste moorden werden gepleegd ten tijde van het regime van president Uribe. Hij kwam aan de macht nadat zijn voorganger, Andrés Pastrana, met een gematigde militaire aanpak faalde tot een vredesonderhandeling te komen met de guerrillatroepen. Uribe voerde als reactie hierop zijn gewelddadige ‘beleid van de democratische veiligheid’. De veiligheid in Colombia verbeterde en de omvang van de guerrillagroeperingen nam sterk af. Deze medaille had echter een keerzijde; het beleid ging gepaard met staatsterreur en grove mensenrechtenschendingen. Het ministerie van Defensie stimuleerde de militairen met een financiële beloning tot het rapporteren van gedode FARC-leden. Bij een hoog aantal ‘kills in combat’ verbeterden de positie, salarissen en pensioenen van de militairen. Daarnaast kregen zij vakanties en luxe cadeaus.
Na verschillende politieonderzoeken naar massagraven bleek dat de bewijzen voor het oprapen lagen. De aangetroffen geweren bleken niet te werken. Er werden geen sporen van buskruit op hun handen gevonden. De jongens waren doodgeschoten op zeer korte afstand en de kogelgaten in hun lichaam waren niet terug te vinden in de kleding die zij aanhadden. De laarzen verschilden in maat en waren gloednieuw. Desondanks bleef de Colombiaanse overheid volhouden dat het guerrillastrijders waren, de moorden zijn jarenlang in de doofpot gestopt.
Structurele straffeloosheid
In 2009 nam de druk van internationale mensenrechtenorganisaties toe en begonnen er scheurtjes te ontstaan in de gladgestreken affaire. In datzelfde jaar gaf de Colombiaanse overheid dan ook toe dat er mogelijk buitengerechtelijke executies door het leger hadden plaatsgevonden. Volledige erkenning en eerlijke processen zijn er tot op de dag van vandaag echter niet. Eén van de voornaamste redenen daarvan is dat de huidige president, Juan Manuel Santos, minister van Defensie was in de bewuste jaren en daarmee politiek verantwoordelijk is voor het toenmalige beleid.
Het handjevol falsos positivos rechtszaken die zijn aangespannen tegen het leger en de staat verlopen uiterst moeizaam. Er zijn binnen het leger relatief weinig verantwoordelijke personen uit hun positie gezet. Bovendien worden alleen de laagste rangen aangeklaagd: de leidinggevende militairen zijn vaak onaantastbaar. Van de duizenden aanklachten wordt slechts dertig procent procedureel voortgezet. Van die dertig procent worden veel zaken in de eerste fase niet-ontvankelijk verklaard. Bijvoorbeeld omdat de aanklacht tegen de militairen niet binnen negentig dagen was ingediend, een procedurele eis in de Colombiaanse wet.
Luz heeft, dankzij steun van internationale organisaties, samen met andere moeders een rechtszaak aan weten te spannen. In mei 2009 begonnen de zittingen. Steeds werd het proces uitgesteld om verschillende redenen. Bedreigingen van buitenaf maakten dat de betrokken rechters of advocaten de zaak niet aandurfden. Ook Luz en de andere moeders uit Bogotá worden sinds de start van het proces regelmatig bedreigd. “Toen de eerste zitting was geweest liep ik naar mijn huis en kwam er een motor naar mij toe gereden. Iemand stapte af en trok mij mee aan mijn haar. Hij vertelde mij dat ik me gedeisd moest houden als ik niet mijn ‘mond vol met vliegen’ wilde eindigen, net als mijn zoon.” Nu, vijf jaar de verdwijning van hun zonen, is er nog niemand definitief veroordeeld.
“In de rechtszaal kreeg ik continu te horen dat mijn zoon leidinggevende zou zijn geweest van de guerrilla en verantwoordelijk was voor drugstransporten”, zegt Luz. “Hoe kan dat mogelijk zijn geweest met zijn verstandelijke beperking? Er wordt niet naar geluisterd. Nadat ze hem hebben doodgeschoten hebben ze een geweer in zijn rechterhand gedrukt en gezegd dat hij daarmee had geschoten. Mijn zoon was linkshandig, door zijn handicap kon hij zijn rechterhand nauwelijks bewegen. Bovendien zei de lijkschouwer dat hij is overleden op 12 januari 2008, terwijl hij verdween op 8 januari. Hoe kan iemand ooit leidinggevende worden van een guerrillagroepering in vijf dagen? De bewijzen zijn overduidelijk, maar de overheid blijft het in de doofpot stoppen.”
De moeders uit Popayán waaronder Nelcy Rivera, wonen ver weg van de hoofdstad Bogotá. Hierdoor vallen ze niet in het werkgebied van de internationale organisaties. Hulp bij het opstarten van een rechtszaak is voor hen onwaarschijnlijk. “We willen het aanvechten, want onze zoons waren hardwerkende, eerlijke en gezonde mannen. Ze zijn vermoord in ruil voor promoties binnen het leger, alles wijst daar op. Maar mensen die geen geld hebben voor gerechtigheid zijn voor de regering gemakkelijk te negeren. In dit land heb je geen rechten als je geen geld hebt”, zegt Nelcy.
Militair en civiel recht
In juni werd een constitutionele wijziging door het Colombiaanse Congres goedgekeurd waardoor de processen rondom de falsos positivos zaken nog verder worden bemoeilijkt. De wet is geïnitieerd door president Santos, deels om de legertroepen in hun strijd tegen de guerrillagroepen veilig te stellen. Deze nieuwe wet heeft tot gevolg dat de falsos positivos zaken niet langer door het gewone rechtssysteem worden berecht, maar door het militaire rechtssysteem.
In dit rechtssysteem is er vrijwel geen kans op veroordelingen. Slechts een limitatieve opsomming van zeven soorten misdrijven kan eventueel bij het normale gerechtshof terechtkomen. Ondanks dat buitengerechtelijke executie hierin genoemd wordt als een van de uitzonderingen, is de definitie zo strikt dat de falsos positivos hier niet onder vallen. Zo moet het slachtoffer ten tijde van het misdrijf onder “de controle van de overheidsinstantie zijn” en “niet hebben geprobeerd te vluchten”.
President Santos zegt dat een van de voornaamste redenen voor de wetswijziging het beschermen van militairen tegen oneerlijke rechtsvervolging is. De Verenigde Naties benadrukt dat dit “een weerspiegeling is van het gebrek aan vertrouwen en respect tussen de verschillende overheidsinstanties en daarmee een directe ondermijning is voor de rechtsstaat en de wettigheid van de staat zelf”.
De falsos positivos zaken liggen zeer gevoelig in de Colombiaanse samenleving. De moorden zijn immers gepleegd onder staatsbewind, wat de staat schuldig maakt aan moord op haar burgers. De moeizame processen van de moeders die hun zonen verloren en de nieuwe wetswijziging omtrent het militair gerechtshof getuigen bovendien dat er tot op heden sprake is van corruptie. Slachtoffers uit achterstandswijken zullen het gigantische web achter deze moorden nooit compleet kunnen aanvechten. “Voor ons is het duidelijk dat wij nog steeds in een land leven waar wij slachtoffer zijn van de oorlog. Ze doden onze zonen, maar waar is het recht om ons te verdedigen? Ik vraag mij af waarom de daders van deze honderden moorden nog steeds dit land besturen”, zegt Nelcy. De bedreigingen en het vooruitzicht deze zaak nooit te kunnen winnen weerhoudt de moeders echter niet de strijd naar gerechtigheid voort te zetten. Zij willen laten zien dat hun zonen slachtoffer zijn geworden van staatsterreur.