4 november, 2013 | Trefwoord: india
Spiritueel vluchteling: Hindoeistische Pakistani in India
Ondanks alle berichten over groepsverkrachtingen in India, steken veel Pakistaanse hindoes de grens met India over, juist om hun dochters te beschermen. In Pakistan worden met enige regelmaat jonge hindoe meisjes ontvoerd en verkracht door moslims, ze worden gedwongen met moslims te trouwen en zich tot de islam te bekeren. Door de toename van religieus extremisme, worden de vrijheid van religie en andere mensenrechten in Pakistan bedreigd. Dit betreft voornamelijk de rechten van religieuze minderheden, zoals de hindoes.
Panju Ram, een boer uit Sindh in het zuiden van Pakistan, kwam twee jaar geleden naar New Delhi. Nadat zijn zus was ontvoerd en het proces bij zowel de politie als de rechtbank niets uithaalde was voor hem en zijn familie de maat vol. Zij zagen geen andere mogelijkheid om een waardig leven te kunnen leiden, dan het ontvluchten van Pakistan.
Delhi – Om tien uur ’s morgens is het al bloedheet in de stad. Mensen lopen gehaast door het Vishwa Vidyalaya-metrostation. En op straat beschermen vrouwen hun gezicht tegen het stof met hun sari. In de schaduw heeft de 30-jarige Panju zijn koopwaar uitgestald. Panju, spijkerbroek, wit T-shirt, gebruikt zijn Pakistaanse shawl om het zweet van zijn gezicht te vegen. Verder lijkt de hitte hem nauwelijks te deren. Hij staat hier elke dag, twaalf uur lang hoesjes voor mobiele telefoons te verkopen. Hij lacht vriendelijk naar iedereen die langs loopt. Kalm en rustig vertelt hij zijn verhaal.
“Ik ga nog liever dood dan dat ik terugkeer naar Pakistan. Voor niet-moslims is er in de Pakistaanse samenleving geen plek. Mijn familie wordt er niet gerespecteerd. We zijn hindoe. Poep in de goot van de weg heeft nog meer waarde dan een hindoe. Die ongelijkheid was zichtbaar in de kleinste dingen”, vervolgt Panju. “In restaurants kreeg ik bijvoorbeeld een ander bord dan moslims. Op school leerden mijn kinderen verplicht over de islam. Ook konden we onze religieuze feestdagen niet vieren. Zelfs de doden werden niet met rust gelaten. Tijdens de tocht naar de rivier, waar we onze overledenen traditioneel verbranden, gooiden moslims vaak stenen naar de stoet. ‘Begraaf je doden’, riepen ze dan. Ze houden niet van de geur die vrijkomt bij het verbrandingsritueel.”
Panju onderbreekt zijn verhaal om een klant te helpen. Hij zet een paar telefoonhoesjes recht en roept iets naar zijn jongste broer Hari, die verderop ook telefoonhoesjes staat te verkopen. Panju is de oudste zoon uit een gezin van zeven kinderen. Zelf heeft hij vijf kinderen, van wie de jongste is geboren in India. Panju draagt de zorg over zijn gezin, zijn ouders en zijn broers. Hari spreekt vol lof over zijn oudere broer: “Panju zou zijn leven voor me geven”. Toch kon niet de hele familie naar India vluchten. Zijn zus Gura is nog in Pakistan. Als Panju over haar vertelt, heeft hij grote moeite zijn emoties te bedwingen.
“Rijke moslims in Pakistan ontvoeren vaak straffeloos jonge hindoemeisjes en bekeren ze gedwongen tot de islam. Daarom huwen veel hindoeouders hun dochters al uit rond hun twaalfde. Maar Gura was nog niet getrouwd. Mijn zus was een schoonheid en die moslims zijn altijd op zoek naar de mooiste hindoemeisjes. Mijn broers en ik lieten de vrouwen en meisjes in het gezin nooit alleen. Maar de avond dat Gura werd ontvoerd, waren mijn vader, mijn oudere broers en ik aan het werk op het land. Mijn zus was thuis met mijn jongste broertjes. Toen gewapende mannen het huis binnenvielen, konden ze niets beginnen.
“Ze hebben Gura verkracht, ontvoerd en onder dwang bekeerd tot de islam. Toen ze kans zag, is ze terug naar huis gevlucht. De mannen hebben haar gewoon weer opgehaald. Ze zeiden dat ze onze hele familie zouden onthoofden als Gura nog een keer zou vluchten. Sindsdien hebben we niets meer van haar vernomen. De politie doet niets. Net als de rechters en de politici. Zij zijn namelijk ook moslim. Toen we een rechtszaak aanspanden tegen de ontvoerders van Gura heeft de politie ons niet geholpen. Ze zeiden ‘Ze hebben haar bekeerd tot de islam, dus waar doe je eigenlijk moeilijk over?’ Toen besloten we te vluchten.”
Panju’s ervaringen hebben duidelijk een negatieve invloed gehad op zijn mening over moslims. Hij kan naar eigen zeggen prima met aanhangers van elk ander geloof opschieten, maar niet meer met de islamitische mensen. Hij geeft ook toe dat hij eigenlijk liever geen mobiele telefoonhoesjes aan een moslim verkoopt. Conflicten tussen hindoes en moslims zijn echter niets nieuws. Al ten tijde van de scheiding tussen Pakistan en India in 1947 werden meer dan een miljoen moslims en hindoes vermoord in beide landen. Pakistan is sindsdien een islamitische republiek. Hindoes trokken van Pakistan naar India en moslims gingen juist naar Pakistan toe.
Dit ging helaas gepaard met veel geweld aan beide kanten. In Pakistan is nu 1,6 procent van de bevolking, zo’n drie miljoen mensen, hindoe en de meesten van hen wonen in de Sindh regio. Het aantal hindoes dat van Pakistan naar India trekt bestond tot halverwege 2011 uit zo’n 8 tot 10 families per maand. In 2012 waren het al 400 families in tien maanden. Volgens recente rapporten van onder andere The United States Commission on International Religious Freedom en Human Rights Watch blijkt dat de hindoes discriminatie, onderdrukking, bedreiging, geweld, verkrachting en ontvoering ontvluchten. Ook heerst er een klimaat van straffeloosheid voor de tegen religieuze minderheden gerichte misdaden. Niet alleen de hindoes, maar ook christenen en shi’a moslims worden onvoldoende beschermd door de Pakistaanse overheid. Panju heeft geprotesteerd tijdens het proces over de ontvoering van zijn zus, zonder effect. Daarom ziet hij weggaan uit Pakistan als de laatste mogelijkheid voor zijn familie om aan dit onrecht te ontkomen.
“We zijn met een spiritueel visum India binnengekomen. Zo’n visum is enkele dagen geldig. Samen met andere hindoes die ook wilden vluchten, reden we met een bus naar een Sikh-tempel in India. Daar hebben we een toeristenbus naar New Delhi genomen. Dat is nu twee jaar geleden. We mochten tijdelijk wonen in Majnu Ka Tilla, een stukje grond van een goeroe in New Delhi. Daar was nauwelijks plek, er wonen al heel veel gevluchte hindoes uit Pakistan. We hadden niets. Geen eten, medicijnen, onderdak, of school voor onze kinderen.
“Daarna konden we terecht in een oud schoolgebouw in het zuiden van New Delhi. De eigenaar had van onze situatie vernomen via het nieuws en bood ons onderdak. Daar zijn we maar kort gebleven, er was geen stromend water, mensen sliepen op de grond en er was te weinig ruimte. Er woonden meer dan 400 mensen in het gebouw en er kwamen steeds nieuwe mensen bij. Een familie van acht personen bewoonde een kamertje van zo’n zes vierkante meter. Ik besloot dat het voor mijn familie toch beter was in Majnu Ka Tilla. Daar hebben we zelf een soort van tentenkamp gebouwd."
“We hebben het niet slecht. Alle kinderen mogen naar school en de markt waar mijn broers fruit kopen en verkopen, is dichtbij. Helaas moeten we binnenkort weg. Omdat we hier al zo lang wonen, vindt de goeroe dat we iets anders moeten zoeken. Ik weet niet waar we heen moeten. Omdat we geen verblijfsvergunning krijgen en niet erkend zijn als vluchteling, hebben we ook geen werkvergunning. Daarom kunnen we alleen maar dingen op straat verkopen, zoals fruit of telefoonhoesjes. We proberen nu wat geld te sparen, zodat we straks misschien een huis kunnen huren. Ik eet nu maar een keer per dag, zo kan ik wat sparen.”
Panju’s hoop is gevestigd op het Indiase staatsburgerschap. Zonder geldig visum of burgerschap heeft hij geen recht op een werkvergunning, gezondheidszorg of gasvoorziening. Dit burgerschap kun je versneld krijgen als vluchteling. In maart 2013 besloot de Indiase overheid echter geen vluchtelingenstatus te verlenen aan de Pakistaanse hindoes. Dit betekent dat Panju en de anderen zeven jaar in India moeten verblijven voordat ze recht hebben op Indiaas burgerschap en de procedure ertoe kunnen starten, maar het is een erg langzaam en complex proces. Volgens verschillende Indiase media wachten sommige vluchtelingen al tientallen jaren op hun Indiaas burgerschap.
Onbegrijpelijk voor Panju, wiens visum al lang verlopen is: “Ik ben eigenlijk altijd al een Indiase burger geweest. Ik heb me nooit Pakistaan gevoeld. Bij cricketwedstrijden was ik altijd voor India. Het doet me dan ook pijn dat de Indiase overheid ons niet wil helpen. Ik ben bang dat we straks geen huis zullen vinden. Of dat we ooit het land worden uitgezet. Stel dat er een rechtszaak komt, dan laat ik me nog liever opsluiten zodat mijn familie hier kan blijven, dan terug te moeten naar Pakistan. Mijn hart is gebroken door Pakistan en dat komt nooit meer goed."
Aan het slot van Panju’s verhaal komen een paar vrienden van hem de hoek om. Als ze hem zien, roepen ze: “Hé Pakistaanse broeder!” Hoewel hij vriendelijk teruglacht is de pijn op Panju’s gezicht te lezen. Zijn hart hoort bij India. Nu de rest nog.