5 oktober, 2012
De hypocrisie achter de militaire interventie in Libië
Toen de revolutie in Libië in 2011 uitbrak volgde binnen enkele weken een militaire interventie. Deze werd geleid door voornamelijk Westerse landen, landen die even daarvoor nog goed bevriend waren met Kolonel Khadaffi. Nu blijkt uit verschillende feiten dat het Westen veel meer belangen had bij de interventie dan alleen het beschermen van het Libische volk.
De militaire interventie in 2011 bestond uit een no-fly zone en actieve steun aan de rebellen. Khadaffi’s afweer- en wapensystemen werden vanuit de lucht gebombardeerd zodat zij geen gevaar zouden vormen voor Westerse vliegtuigen. Ook kregen de rebellen training van Westerse eenheden om zich beter tegen Khadaffi’s troepen te kunnen weren. De Westerse steun was erop gericht om de rebellen een grotere kans te geven op overwinning. Tevens werd na een paar weken door verschillende Westerse wereldleiders verklaard dat Khadaffi geen plaats meer had in een toekomstig Libië en dat hij moest aftreden. Deze houding staat in groot contrast met de vriendschappelijke relatie die het Westen met Khadaffi had tot de revolutie uitbrak.
In de afgelopen vier decennia zijn er verschillende periodes geweest waarin de Westerse houding ten opzichte van Khadaffi verschilde. In de periode van 1969, toen Khadaffi aan de macht kwam, tot 1999 werd hij beschouwd als de paria van de internationale gemeenschap. President Reagan noemde hem de "mad dog of the Middle East". In 1999 veranderde dit, nadat Khadaffi zijn nucleaire wapenprogramma had afgezworen en een partner werd in de strijd tegen terrorisme. Plotseling was hij een vriend van de Westerse wereld, nauw samenwerkend met onder meer Blair, Sarkozy en Berlusconi. Volgens Luis Martinez, hoofd van het onderzoeksbureau Centre for Studies in International Relations, werd Libië door haar enorme olie- en gasreserves gezien als een Eldorado, een land van goud.
|
|
|
Door: Sonia Bicker |
Toen de revolutie begon veranderde de houding van verschillende wereldleiders ten opzichte van Khadaffi drastisch. Khadaffi’s voormalige vrienden en partners lieten hem vallen en beschreven hem als een verschrikkelijke dictator die onmiddellijk moest aftreden. Er waren drie belangrijke argumenten die werden gebruikt om de militaire interventie te rechtvaardigen: “Khadaffi vermoordt zijn eigen volk”, “Het Libische volk wil vrijheid en heeft ons om hulp gevraagd” en “We hebben de verantwoordelijkheid om het Libische volk te beschermen”. Dit laatste argument wordt ook wel het Responsibility to Protect principe genoemd: een principe van de Verenigde Naties (VN) waarmee de internationale gemeenschap kan besluiten een bevolkingsgroep te beschermen als de eigen regering van deze groep dat niet kan of wil doen. Deze drie argumenten werden keer op keer herhaald door politici, de media en de internationale gemeenschap en werden geaccepteerd als de waarheid. Er zijn desondanks een aantal belangrijke feiten die het grote publiek niet hebben bereikt.
Onderbelicht
Zo claimden wereldleiders dat het Libische volk tegen de dictator streed voor democratie en dat het Westen de verplichting had om hen te helpen dit te bereiken. Ronald Bruce St John, Libië-expert, laat in zijn meest recente boek Libya: From Colony to Revolution zien dat er vijf jaar voor de revolutie ook al anti-Khadaffi demonstraties in Benghazi waren. Deze werden met veel geweld en wapengebruik neergeslagen door het regime. De demonstraties werden verslagen door CNN en genoemd in een rapport van Amnesty International. De Westerse landen die in 2011 zo bezorgd waren om de strijd voor democratie, lieten tijdens deze demonstraties weinig blijken van steun voor het Libische volk. Integendeel: uit cijfers van Simon Rogers, datajournalist van The Guardian, blijkt dat zij wapens bleven verkopen aan Khadaffi’s regime, zelfs meer dan ooit tevoren.
Daarnaast opende de EU in mei 2011 een diplomatiek kantoor in Benghazi. Ze beloofde steun voor een democratisch Libië, na 42 jaar dictatorschap van Khadaffi. Plotseling maakte de EU zich bezorgd om politieke vrijheid voor de Libiërs, lijkt het. Realistischer is het om deze stap te zien als het veiligstellen van Europese belangen in Libië. De kans werd steeds groter dat Khadaffi de oorlog zou verliezen. De Nationale Overgangsraad (TNC) – gestationeerd in Benghazi – begon al met het overnemen van het land. De TNC verklaarde dat economische banden met Libië in de toekomst zouden worden afgemeten aan de steun die landen hen hadden geboden tijdens de revolutie. De Europese Unie realiseerde zich toen dat haar belangen, bijvoorbeeld de Afrikaans-Europese immigratiecontrole, niet zouden worden gediend onder de TNC als zij de rebellen niet actief ondersteunden.
Al lang voordat de revolutie begon schond het Khadaffi regime op grote schaal de mensenrechten. Human Rights Watch en Amnesty International hebben deze schendingen jarenlang bijgehouden. Volgens St John hebben zij onder meer willekeurige arrestatie, detentie zonder proces, marteling, verdwijning, oneerlijke rechtsgang, en de doodstraf gedocumenteerd. Ook werden er in 1996 in de Abu Salim gevangenis honderden gevangenen vermoord. In september 2011 werd een massagraf gevonden met de lichamen van 1700 gevangenen.
In de jaren 2007-2010 beschreef het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten jaarlijks de zeer slechte mensenrechtensituatie in Libië. Volgens CBS News en Tegenlicht bracht de CIA, ondanks deze situatie, terrorismeverdachten naar Libië voor ‘ondervraging’, terwijl zij wisten dat in Libië marteling werd toegepast. De Britse inlichtingendiensten MI5 en MI6 deden hetzelfde. De CIA, MI5 en MI6 hadden sterke banden met de Libische inlichtingendiensten en Moussa Koussa, het Libische hoofd Inlichtingen. CBS News, the Guardian en Democracy Now! hebben laten zien dat medewerkers van Britse inlichtingendiensten soms aanwezig waren op het moment dat verboden ondervragingsmethoden werden toegepast. De Responsibility to Protect gold dus blijkbaar niet voor de Libische bevolking vóór de revolutie uitbrak en ook niet voor terrorismeverdachten die gemarteld werden met medeweten van Westerse inlichtingendiensten.
Op 28 maart verklaarde Obama op een persbijeenkomst over Libië: “Sommige landen zijn in staat om hun ogen te sluiten voor wreedheden in andere landen. Amerika is anders. En als president heb ik geweigerd te wachten op de beelden van slachtingen en massagraven om actie te ondernemen”. De no-fly zone in Libië was bedoeld om de burgers tegen Khadaffi’s luchtaanvallen te beschermen. Twee weken later vroeg de Arabische Liga aan de VN Veiligheidsraad om na te denken over een resolutie voor de instelling van een no-fly zone over de Gaza-strook, om zo burgers te beschermen tegen luchtaanvallen vanuit Israël. Net als in Libië worden daar burgers bedreigd door bombardementen vanuit de lucht. In dit geval waren het de VS die in staat waren hun 'ogen te sluiten voor wreedheden in andere landen'. Zij wilden een dergelijke resolutie niet ondersteunen. Obama past hier dubbele standaarden toe, net als veel van zijn collega’s.
Redenen voor de interventie
Omdat volgens critici de genoemde redenen voor de interventie twijfelachtig zijn, worden er andere redenen aangedragen voor de beslissing om over te gaan tot militaire actie. Sommige critici noemen olie als de belangrijkste reden, net als bij andere recente oorlogen, bijvoorbeeld in Irak. De TNC had zoals gezegd aangekondigd dat toekomstige economische banden met Libië afhingen van de steun die een land tijdens de revolutie aan de rebellen had geboden. De landen die de rebellen actief ondersteunden konden rekenen op meer olie en gas als Khadaffi eenmaal verdreven was.
Anderen zoeken de verklaring voor militaire inmenging in het militair-industrieel complex (MIC). Een MIC is een coalitie van groepen die allen een belang hebben bij de voortdurende ontwikkeling en instandhouding van een groot en modern wapenarsenaal, een sterk leger en de aanwezigheid of dreiging van een oorlog. Ook bekijkt het MIC internationale politiek vanuit een militair perspectief. Volgens David Gibbs, professor geschiedenis aan de Universiteit van Arizona, hadden de landen die de interventie leidden allen een groot belang bij deze inmenging. Het kon hun nationale wapentuig "showen" aan de wereld, waardoor ze hun wapenexport konden verhogen en op die manier de stijgende werkloosheid in hun landen konden aanpakken. Voor Obama, Sarkozy, Cameron en Berlusconi was het een goede manier om de economische groei en werkgelegenheid te verhogen, wat hun dalende populariteit kon doen stijgen. Het leger, een belangrijk onderdeel van elk MIC, kon het gebruiken als protest tegen de bezuinigingen op defensie.
Volgens Sina Salessi, MBA in Chapman University, deed Khadaffi te weinig om zakelijke belangen in Libië te bedienen. Internationale bedrijven moesten een Libiër inhuren voor elke buitenlandse werknemer in hun bedrijf. Het probleem was dat er maar een paar Libiërs waren die de benodigde vaardigheden en opleiding hadden om bijvoorbeeld in de olie- en gasindustrie te werken. Bedrijven moesten daarom betalen voor hun training, of ze moesten Libiërs aannemen die niet konden bijdragen aan de productiviteit van het bedrijf. Daarnaast waren er andere factoren die bijdroegen aan een van de laagste winstmarges in de wereld voor oliebedrijven: onder andere een ongunstig belastingtarief voor bedrijven, en een ongunstig arbeid- en visumbeleid. Andere problemen waren corruptie en mogelijke nationalisering van grondstoffen.
Kortom: Khadaffi’s beleid wierp grote barrières op voor buitenlandse bedrijven en Khadaffi was niet capabel en niet bereid om een zakelijke omgeving gestoeld op neoliberale waarden te creëren. Toen voormalig minister Abduljalil zijn leiderschap van de TNC aankondigde werden de voorbereidingen voor een militair ingrijpen binnen twee weken getroffen. Abduljalil had zijn steun voor neoliberale waarden namelijk al meer dan een jaar voor de interventie kenbaar gemaakt aan buitenlandse inlichtingendiensten. Toen Khadaffi werd vermoord was de TNC, die nog maar een paar maanden bestond, al officieel erkend als de Libische autoriteit door onder meer de EU, de VS, de NAVO, de Wereldbank en het IMF. Critici als Salessi zeggen dat de TNC nooit zo snel zou worden erkend door neoliberale instituties zoals de Wereldbank en het IMF als deze niet absoluut zeker wisten dat de TNC een autoriteit was die neoliberale waarden zou ondersteunen.
Jean-Paul Pougala, een bekende schrijver uit Kameroen, heeft laten zien dat Khadaffi in de afgelopen twee decennia actief heeft gewerkt aan een sterker Afrika met minder afhankelijkheid van Westerse instituties en landen. Naast algemene hulp aan verschillende sectoren, zoals landbouw en energie, ondersteunde hij de oprichting van het nog niet gerealiseerde Afrikaans Monetair Fonds (AMF), de Afrikaanse Centrale Bank (ACB) en de Afrikaanse Investeringsbank (AIB). Deze nieuwe instituties zouden het IMF en de Wereldbank in Afrika vervangen, en zouden Afrikaanse landen niet dwingen om te voldoen aan een waslijst van neoliberale maatregelen en beleid. Deze maatregelen, die nu nog worden opgelegd door de Wereldbank en het IMF, bevoordelen voornamelijk de Verenigde Staten en Europa, omdat zij via deze maatregelen toegang krijgen tot nieuwe afzetmarkten in Afrika. Afrikaanse producenten krijgen echter geen gemakkelijker toegang tot Europese en Amerikaanse afzetmarkten.
Als de nieuwe Afrikaanse instituties succesvol zouden worden, zou dit de macht die de Verenigde Staten en Europa op dit moment in Afrika hebben drastisch verminderen. Khadaffi was daarom een gevaar voor de landen die de interventie leidden. Nu Khadaffi is vermoord, is de ontwikkeling van deze instituties sterk vertraagd, aangezien hij de grootste bijdrage kon leveren.
Op dit moment is het niet duidelijk wat de werkelijke redenen waren voor een militaire interventie. Zeker is wel dat het Westen meer belangen had dan alleen het beschermen van het Libische volk. Opvallend is dat de Westerse leiders vooral de wandaden van Khadaffi tijdens de revolutie benadrukten, maar niet de wandaden tijdens al die jaren dat Khadaffi hun bondgenoot was. De landen die hem verwelkomden in de internationale gemeenschap, het meest met hem samenwerkten in de afgelopen twaalf jaar en hem de meeste wapens en wapensystemen verkochten, zijn dezelfde landen die Khadaffi in 2011 verketterden als dictator toen de revolutie begon. Deze landen, in het bijzonder Frankrijk, Engeland, Italië en de VS, werkten het meest samen in de militaire interventie om een verandering van het regime te bewerkstelligen.
