16 september, 2011 | Beeld: Domin Meinema | Trefwoord: ghana
Het Ghanese hockey heeft promotie nodig
Middenin het centrum van Accra, omringd door hoge muren met prikkeldraad, staat het enige hockeystadion van Ghana. De sproeiers staan aan en de nationale mannenselectie werkt zich in het zweet voor hun eerstvolgende wedstrijd. Hockey is na voetbal de meest populaire sport van het land, maar om de sport zo groot te houden is veel promotie nodig.
Secretaris-generaal van de Ghana Hockey Association (GHA) Vivian Dougblor: “We zijn de laatste jaren hard bezig meer mensen kennis te laten maken met hockey. Er liggen genoeg plannen op de tekentafel, maar een probleem is dat vrouwen vanuit cultureel oogpunt meer gebonden zijn aan huis dan mannen. Zij zijn dus lastiger te bereiken en daarom ondervertegenwoordigd in het hockey.”
Daarom liep afgelopen zomer in zes gemeenschappen door het land verspreid, een programma dat op meisjes van 6 tot 18 jaar was gericht. Dougblor: “Het project is net ten einde, maar de bedoeling is dit programma op een jaarlijkse basis te laten terugkeren. Het voordeel van projecten in dorpsgemeenschappen, is dat je ook de ouders van kinderen bereikt en hen kunt wijzen op de voordelen van hockeyen.”
Mensen kennis laten maken met hockey is één ding, ze aan het spelen krijgen is een stuk lastiger. Ghanezen hebben veelal een mager maandinkomen en dan is de aanschaf van een stick en andere benodigdheden een flinke investering. Hoewel de hockeybond een zo gevarieerd mogelijk spelersbestand beoogt, is het moeilijk de armere lagen van de bevolking in de sport te betrekken. Om deze laag toch bij de sport te betrekken, vragen veel clubs nauwelijks, of zelfs geen, contributie.
Toegang tot wedstrijden is vaak gratis en dat is te merken aan het publiek. Dougblor: “Het is steeds meer een gemengd publiek dat op de tribunes zit. Er komen bijvoorbeeld ook marktkooplui op af. Meestal zit er ongeveer negenhonderd man in het stadion, dat is driekwart van de capaciteit.” Wedstrijden die na zonsondergang worden gespeeld zijn het populairst. De torenhoge schijnwerpers werken als trekpleister, de gratis toegang tot wedstrijden doet de rest.
Toch valt er, net als in Nederland, weinig geld te verdienen in het hockey. “De meeste topspelers hebben er nog een baan naast of zitten gewoon op school”, vertelt Dougblor. “Natuurlijk hebben ze dromen en wij als bond hebben contacten met het buitenland. Zo zijn enkele spelers vorig jaar naar Nederland gegaan om daar ervaring op te doen. Ze trainden drie maanden lang mee bij een Nederlandse club, om zo nog beter te worden.”
Een speler die maar wat graag in Nederland zou willen spelen, is de razend populaire Johnny Botsio. Hij wordt gezien als hét talent van de nationale ploeg, nadat hij enkele jaren geleden tijdens de Afrikaanse landencup hoge ogen gooide. Als lid van het nationale team onder 17 was hij zowel topscorer als beste speler van het toernooi. Toch komt Botsio niet uit een rijke familie en hij heeft zichzelf naar de top moeten knokken. Hij legt uit: “Ik kwam als kleine jongen al naar het hockeystadion. Ik startte als ballenjongen en toen mijn oom eenmaal in contact kwam met een coach mocht ik al snel elke zondag meespelen. Maar je moet begrijpen dat het erg moeilijk was alle benodigde materialen bij elkaar te krijgen, dat was in het begin gewoon te duur voor me.”
Botsio’s teamgenoot bij het nationale elftal, Elikem Akaba (24), heeft een heel andere toekomstvisie. Ondanks het grote aantal goals dat hij scoorde voor de nationale selectie, ziet hij geen mogelijkheden om ooit geld te verdienen in het hockey. “Ik speel al sinds 1998 hockey en ik begin me steeds meer te realiseren dat de sport nog niet zo groot is als bijvoorbeeld voetbal. Ik ben pasgeleden afgestudeerd in economie en hoop daarin een goede baan te vinden die ik kan combineren met hockey.” Akaba is daarmee niet negatief over de ontwikkeling van de sport zelf, maar wil vooral benadrukken dat hij zijn eigen toekomst niet binnen het hockey ziet.
De oude rot binnen de nationale mannenselectie is Ebenezer Frimpong (33), die als voetballer begon maar per ongeluk in de hockeywereld belandde. Hij verdiende zijn sporen onder meer door te spelen in België. Zijn familie, onwetend over hockey totdat Frimpong begon te spelen, is dan ook erg trots op hem. “Ze vinden het fantastisch voor me. Hockey heeft me kansen gegeven die ik anders nooit zou krijgen. Ik ben in ongeveer veertig verschillende landen geweest en heb zelfs contracten gehad in enkele daarvan.”
Frimpong is met zijn jarenlange ervaring een man met een rooskleurige toekomstvisie voor het hockey in Ghana. “Momenteel volg ik trainerscursussen aan de Universiteit van Winneba, zodat ik op een dag zelf coach kan zijn. Het is maar net waar ik de kans krijg, maar het buitenland is ook een optie voor me.” Wat er ook in het verschiet moge liggen voor Frimpong, hockey gaat wat hem betreft een grootse toekomst tegemoet. “Het enthousiasme groeit enorm en steeds meer kinderen beginnen te spelen. Het enige negatieve op dit moment is dat we maar één goed veld hebben in heel Ghana en dat is hier in Accra. We moeten dus meer velden krijgen als we de kwaliteit van dit veld willen behouden en de spelers landelijk een beter hockeymilieu willen bieden.”
Het Ghanese hockey moet zich dus blijven verbeteren om hogerop te komen en heeft daarin nog een lange weg te gaan. Dougblor: “We zijn nog niet de beste hockeynatie van Afrika. De nummer één is absoluut Zuid-Afrika, maar Ghana is een goede nummer twee.” Om de stijgende lijn door te kunnen zetten, heeft de nationale hockeybond duidelijke doelen gesteld. “Er liggen contracten op tafel om elektronische borden rond het stadion neer te zetten. Daarnaast zijn we in onderhandeling om een hockeytalkshow op televisie te krijgen, waarin scheidsrechters en trainers aan de hand van wedstrijdbeelden het grote publiek voorlichten over de spelregels.”
Het zijn allemaal signalen dat de sport volop bloeit in het West-Afrikaanse land. Als die tendens doortrekt en de steun en donaties vanuit het buitenland ook doorzetten, ziet de toekomst er voor hockeyspelend Ghana goed uit. Wat Dougblor en veel van haar landgenoten betreft, is de hoop is nu gevestigd op kwalificatie voor de Olympische Spelen 2012 in Londen. Eén ding is zeker: De Black Sticks komen eraan.