9 juni, 2010 | Auteur: Willem van Hees | Beeld: Erik Wallert | Trefwoord: nederland
Derde klasse leraar
In 2009 is er een nieuwe opleiding ontwikkeld om leraar te worden. Een educatieve minor moet academische bachelors in zes maanden opleiden tot leraren. Dit stokpaardje van voormalig staatssecretaris van onderwijs Van Bijsterveldt heeft voor veel ophef gezorgd. De vraag is of universitaire bachelors het geschikte vermogen zijn om meer academici in het onderwijs te krijgen.
Om gehoor te geven aan de roep uit de onderwijssector meer academici voor de klas te zetten, heeft demissionair staatssecretaris Van Bijsterveldt een nieuwe klasse leraren gecreëerd. Een educatieve minor maakt het mogelijk dat academische bachelors door middel van een verkort traject voor de klas kunnen staan. In de laatste zes maanden van hun bachelor worden studenten opgeleid tot tweedegraads leraren. Zij zijn daarna bevoegd om les te geven aan onderbouw klassen van de havo en het vwo en aan de theoretische leerweg van het vmbo.
De nieuwe klasse leraren die Van Bijsterveldt introduceerde zorgt voor veel discussie in onderwijsland. De meningen zijn verdeeld of studenten in zes maanden opgeleid kunnen worden tot leraar. De Algemene Onderwijs Bond (AOb) maakt bezwaar tegen de manier waarop de staatssecretaris meer academici voor de klas probeert te krijgen.
Woordvoerder van de AOb, Jurjen van den Bergh, noemt het een halve maatregel. Hij vindt dit geen passend antwoord op de vraag naar meer volledig universitair opgeleide leraren. De jonge leraren dreigen niet voldoende didactische en pedagogische bagage te hebben. Tweeëneenhalf jaar vakkennnis en een educatieve minor maken volgens Van den Bergh geen volwaardige leraren. “De educatieve minor is een goede opmaat naar de eerstegraads opleiding, maar dan moeten studenten wel ook hun vakmaster halen en de universitaire lerarenopleiding volgen. Dus het idee is goed, maar we zijn het niet eens met de uitvoering. De AOb geeft voorkeur aan een integrale inpak overeenkomstig het Convenant LeerKracht.”
Het Convenant LeerKracht is in 2008 afgesloten tussen de minister van OCW, de werkgevers in het onderwijs en de vakbonden. In dit rapport staan bindende afspraken om het onderwijs aantrekkelijker te maken. Leraren moeten meer loopbaanmogelijkheden krijgen binnen een school. De opleidingsachtergrond van leraren moet als criterium dienen bij de functiewaardering en overeenkomstig zijn met de werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Ook zouden de salarislijnen korter moeten. En tot slot dienen volgens het convenant probleemgebieden in de Randstad te worden gestimuleerd. “We laten het er niet bij zitten en pleiten voor de missie van het convenant: meer én betere leraren, niet één van beide”, aldus Van den Bergh.
Ondertussen is de educatieve minor gestart. De eerste studenten hebben de cursus reeds voltooid. Ondanks de vele negatieve geluiden, klinken de eerste praktijkervaringen positief. Op het Instituut Leraar en School (ILS) van de Radboud Universiteit Nijmegen zijn studenten en docenten zeer te spreken over de uitvoering van de minor. “We zijn begonnen met een klein groepje van tien studenten uit het betacluster. Vooral biologen, maar ook studenten wiskunde, natuur- en scheikunde”, vertelt wetenschappelijk directeur Peter-Arno Coppen. “Slechts één student is uitgevallen. Uiteraard zijn deze cijfers niet representatief, maar we zijn tevreden. Ook de middelbare scholen, waar de studenten stage lopen, zijn positief. We gaan de educatieve minor nu ook bij andere studies invoeren.”
Onderwijsdirecteur Ietje Veldman van het ICLON, de lerarenopleidingen van de Universiteit Leiden, bevestigt de resultaten van de ILS: “Eind vorig jaar zijn bij ons zestig studenten gestart, van wie twintig in voltijd. En die twintig zijn vrijwel allemaal nu al klaar. Dat zien we wel eens anders bij een minor”, zei zij in maart dit jaar in een interview met Het Onderwijsblad. Veldman is het oneens met de kritiek dat studenten in een half jaar niet genoeg zouden kunnen leren over doceren. “Nou, dat valt reuze mee: alle pedagogische en didactische basiskennis hebben ze gehad. Onze studenten zijn misschien niet uitgeleerd, maar wel startbekwaam”, aldus Veldman in Het Onderwijsblad.
Volgens Coppen hebben academische bachelors ook meer vakinhoudelijke kennis dan de studenten van hbo-lerarenopleiding. "Als bevoegd onderbouwdocent staan zij ruim boven de lesstof. Een hbo-opleiding bestaat namelijk voor het grootste gedeelte uit didactiek en pedagogiek, terwijl de universitaire bachelor om te beginnen al een langere vwo-opleiding achter de rug heeft, zes jaar vwo in plaats van vijf jaar havo. En daarnaast nog eens tweeëneenhalf jaar pure vakinhoudelijke scholing heeft gehad."
Coppen benadrukt het voordeel van het inzetten van deze jonge leraren. Zij worden gestimuleerd en geënthousiasmeerd om door te studeren voor de eerstegraads lesbevoegdheid. Zo creëer je leraren die zich willen blijven ontwikkelen omdat ze gewend zijn te groeien. Als extra stimulans krijgen de verse leraren een vrijstelling van twintig studiepunten in de eerstegraads lerarenopleiding. Deze vrijstelling kan oplopen tot dertig studiepunten afhankelijk van hun leservaring.
De discussie in onderwijsland is nog niet voorbij. De AOb wil meer en betere docenten, zowel door nieuwe volledig hoger opgeleiden aan te trekken als door te investeren in bijscholing van het zittende docentencorps. Volgens hen ontstaat zo een cultuur van meer ambitie en verantwoordelijkheid voor het onderwijsproces op scholen.
Van Bijsterveldt introduceert daarentegen een nieuwe klasse leraren en gaat ervan uit dat deze leraren in de praktijk het vak leren. De staatssecretaris voedt het onderwijs van onderaf. Na hun opleiding hebben de academische bachelors maximaal drie maanden voor de klas gestaan. Hoewel de eerste stapjes goed blijken te gaan, hebben ze nog een lange weg te gaan voordat ze volleerd docent zijn. Voorlopig treffen beide perspectieven elkaar nog niet.