31 januari, 2010 | Auteur: Vivian Bos | Beeld: Erik Wallert | Trefwoord: europa
De houdbaarheid van Kopenhagen
Met de aardbeving in Haïti laaien de vragen weer op over het verband tussen de opwarming van de aarde en natuurrampen. Klimaatcritici zeggen dat aardbevingen niet een direct gevolg zijn van klimaatverandering, maar dat resultaten wel hevigere stormen, meer regenval en hoger risico op overstromingen laten zien.
In Vancouver waar over twee weken de Olympische spelen beginnen, is grote paniek ontstaan omdat de benodigde sneeuw ontbreekt. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving heeft de wereld nog 10 jaar om actie te ondernemen, zodat de opwarming van de aarde niet boven de 2 graden Celsius komt. Deze actie zou bindende vormen aan gaan nemen tijdens de Kopenhagen-conferentie afgelopen december. Tijdens deze wereld-top is het niet tot een juridisch bindend akkoord gekomen. Voor het komende jaar is het dus de vraag: Gaat een juridisch document in 2010 de wereld redden? En welke rol speelt Europa hierin?
Nadat eind jaren tachtig via wetenschappelijke studies het besef kwam dat de mens het meest bijdraagt aan de opwarming van de aarde, was klimaatverandering een discussiepunt in de media en onder politici. Over het Kyoto-verdrag van 1997 dat volgde, is genoeg bekend. De geïndustrialiseerde landen kwamen tot de overeenstemming dat de broeikasuitstoot voor 2012 met gemiddeld vijf procent zou moeten dalen ten opzichte van het niveau van 1990.
Omdat voor economisch sterke landen de kosten veel groter zouden zijn dan voor ontwikkelingslanden, werden er mechanismen bedacht om kostenefficiënt te opereren, zoals energiebesparing, handel in emissierechten en steun aan projecten in ontwikkelingslanden. Maar het verdrag trad pas in 2005 in werking. Zonder de ratificatie van de Verenigde Staten, die bang waren voor economische schade.
‘Hopenhagen’
Deze voorgeschiedenis verklaart de negatieve toon waarmee er op voorhand naar de klimaatconferentie in Kopenhagen van afgelopen december werd gekeken. Volgens Eco Matser, vertegenwoordiger van Hivos had het gemeentebestuur van Kopenhagen de naam veranderd in ‘Hopenhagen’.
Hoe in een tijd van economische crisis tot een milieuakkoord te komen, was voor velen een raadsel. Gedurende een recessie is kostbaar milieubeleid door politici moeilijk te verkopen. Dat de uitstoot van fossiele brandstoffen moet dalen, zal iedereen beamen, maar afspraken maken met tegenstrijdige belangen doen politici liever niet.
De belangen van arme en rijke landen lopen behoorlijk uiteen. Rijke landen zouden de opwarming van de aarde hebben veroorzaakt door het gebruik van grote hoeveelheden energie. In arme landen zijn met lange droge periodes, extreme regenval of overstromingen de gevolgen het meest zichtbaar. Daarnaast zijn er sinds Kyoto economieën opgekomen zoals China, India en Brazilië, die ook hun steentje bij moeten dragen.
De Europese motor
De Europese Unie (EU) had de Kopenhagen-top gepresenteerd als ‘keerpunt in de geschiedenis’ en als laatste kans om bindende afspraken te maken. Al lange tijd speelt de EU een leidende rol ten aanzien van het aanpakken van de klimaatverandering. Zij was voorstander van het voortzetten van het Kyoto-traject. Voorafgaand aan de partijtop in Kopenhagen hadden de Europese regeringsleiders afspraken met elkaar gemaakt met als doel de wereldwijde temperatuurstijging met 2 graden Celsius te beperken. Om deze doelstelling te halen is er in december 2008, ondanks de druk van de financiële crisis, een ‘klimaatpakket’ samengesteld.
De uitstoot van CO2 moet in 2020 met twintig procent zijn verminderd ten opzichte van 1990, er moet een vijfde minder energie worden gebruikt en van het totale energieverbruik moet twintig procent komen van nieuwe energiebronnen als wind- en zonne-energie. Daarnaast moet van alle gebruikte brandstoffen in de vervoersector in 2020 minstens tien procent zijn vervangen door biobrandstof, elektriciteit of waterstof. De EU beloofde bovendien de twintig procent vermindering van broeikasgassen te verhogen naar dertig procent als er een akkoord zou worden bereikt in Kopenhagen.
Emissierechten
Een belangrijk middel binnen het Europese klimaatbeleid is de handel in emissierechten. Bedrijven krijgen het recht een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten. Als ze niet aan hun maximum komen mogen ze het overschot van hun emissierechten verkopen aan bedrijven die de norm overschrijden. Zuinige bedrijven kunnen zo geld verdienen.
Ten aanzien van ontwikkelingslanden is Europa ruimhartig en heeft erkend dat rijke landen een forse bijdrage moeten leveren om arme landen te helpen met de problemen van klimaatverandering. Volgens de EU moet er vanaf 2020 100 miljard euro per jaar worden besteed aan arme landen. Op het gebied van gezondheid, biodiversiteit en duurzaamheid heeft de EU ook een omvangrijk pakket met maatregelen.
De uitkomst van de klimaatconferentie in Kopenhagen heeft de critici niet doen verbazen. Er is geen juridisch bindend akkoord tot stand gekomen. Volgens Nederlands milieuminister Jaqueline Cramer was de uitkomst “een grote teleurstelling”, maar toch ziet zij positieve punten, zoals de doelstellingen om de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius te beperken en de toezegging van financiële steun aan de armste landen om daar de klimaatproblemen aan te pakken.
Voorzitter van de Europese Commissie José Manuel Barroso, die een positieve Europese stemming aangeeft, ziet liever het Kopenhagen-akkoord dan geen akkoord. Hij is weliswaar teleurgesteld, maar ambitieus als hij is, wil hij het graag zien als een opstapje voor de toekomst. Positief aan het akkoord is verder dat er afspraken zijn gemaakt waar ook de Verenigde Staten en China, die samen verantwoordelijk zijn voor bijna de helft van de wereldwijde broeikasuitstoot, aan meewerken. De Verenigde Staten zijn voor het eerst met getallen op tafel gekomen. Met een streefpercentage ver onder de norm van Europa willen ze in 2020 de uitstoot van broeikasgassen met 17 procent terugdringen ten opzichte van de uitstoot van 2005.
Deze cijfers stemmen Herman Wijfels, prominent CDA’er en deeltijdhoogleraar duurzaamheid en maatschappelijke verandering enigszins positief. In een interview met de NOS zegt hij dat de verwachtingen van te voren te hoog gespannen waren, zeker omdat de Verenigde Staten en China al lieten doorschemeren geen bindend akkoord te willen. “We staan nog aan het begin van een leerproces hoe mondiale problemen aan te pakken. Daarnaast is het in een VN-systeem waarbij elk land één stem heeft bijna onmogelijk tot een gezamenlijk akkoord te komen. Door wereldrampen zullen de verschillende landen op de één of andere manier toch tot een overeenstemming moeten komen”, zei Wijfels. Hij acht het waarschijnlijk dat er het komende jaar toch aan een ‘sterker’ akkoord gewerkt gaat worden. “Ook de vele media-aandacht zorgt ervoor dat mensen zich bewust zijn geworden van de milieuproblemen en dat gaat doorwerken naar de politiek, bijvoorbeeld hoe mensen stemmen.” Dat er geen bindende afspraken zijn, verhindert volgens Wijfels niemand om iets aan de verbetering van het milieu te doen.
De kans dat er in 2010 een juridisch document ondertekend zal worden lijkt echter klein, maar de verschillende landen zijn wel verplicht hun doelen naar de VN toe te communiceren. Volgens het Kopenhagen-akkoord moeten de landen voor 1 februari hun reductiedoelstellingen en acties ten aanzien van emissiebeperking inleveren.
De kunst van het onderhandelen
Hoe langer wordt gewacht met de besluitvoering, hoe moeilijker het terugdringen van het broeikaseffect zal zijn. Berekeningen van het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) geven aan dat de temperatuurstijging met de huidige Kopenhagen-doelstellingen 3 graden Celsius zijn. De vraag is wat de niet-bindende overeenkomst in Kopenhagen voor gevolgen heeft op het Europees beleid van 2010. Europa erkent dat er nog veel werk te doen is.
De afspraak is dat rijke landen de arme landen die last hebben van de gevolgen van klimaatverandering via een opgericht fonds zullen steunen. Deze arme landen zijn bereid mee te werken aan klimaatverandering, als ze geld krijgen van de rijke landen. Vanaf dit jaar tot 2012 moeten rijke landen samen 30 miljard dollar (21 miljard euro) in dit fonds stoppen. Vanaf 2020 zal dit 100 miljard dollar worden. Het is alleen nog niet duidelijk hoeveel elk land bijdraagt.
Ontwikkelingslanden moeten zich wel voorbereiden en aan kunnen tonen dat het geld goed wordt besteed. Verder is het ‘streven’ uitgesproken naar een bindend akkoord bij de volgende conferentie in Mexico in december 2010. Als dit streven wordt opgevolgd, komt er dit jaar in ieder geval een nieuwe conferentie.
Krakend Europees bolwerk
Nu de bindende regels nog niet bepaald zijn, gaan er in het ogenschijnlijk sterke Europese bolwerk ook twijfels ontstaan. Hoewel er afgelopen december geen bindend akkoord is overeengekomen, gaf Europa in eerste instantie wel aan de ambitie om vermindering van broeikasgassen te verhogen naar dertig procent behouden, mits zij wordt gesteund door de Verenigde Staten, China en Rusland. Maar nu ontstaat er weer discussie tussen Europese landen of de doelstelling van dertig procent wel haalbaar is.
Vanwege de teleurstellende resultaten in december, krabbelt een aantal landen terug. Italië en Polen, die van tevoren al niet enthousiast waren, vinden de doelstelling niet realiseerbaar. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, België en Spanje streven nog wel naar de dertig procent, maar voor Frankrijk zijn de doelstellingen wel afhankelijk van de gezamenlijke afspraken die er gemaakt zullen worden. België stelt zelfs al een middenweg van 25 procent voor.
Het komende jaar is het dus belangrijk dat de gezamenlijke Europese doelstellingen behouden blijven. Herman van Rompuy laat weten dat de Europese Unie de drijvende kracht achter de klimaatonderhandelingen moet zijn. Bij de ingelaste EU-top van regeringsleiders op 11 februari wil hij spreken over het vervolg van de VN-top over het klimaat.
Het Kopenhagen-akkoord geeft politieke sturing, maar heeft nog veel inhoudelijke uitwerking nodig. De EU heeft nog steeds de ambitie naar een bindend juridisch akkoord toe te werken. Dit biedt voor de huidige voorzitter Spanje en de toekomstige voorzitter België een behoorlijke uitdaging. Voor velen is namelijk alleen het realiseren van het probleem niet genoeg en moeten er nu echt maatregelen worden getroffen.