28 juli, 2009 | Auteur: Thomas Quirynen | Beeld: Thomas Quirynen | Trefwoord: frankrijk
Elke nacht een nieuwe poging om in Engeland te komen
Samy (26) woont in een hutje van pallets en plastic, met uitzicht op de haven van Calais waar hij elk uur een boot naar Engeland ziet vertrekken. Met een aantal andere Egyptenaren hangt hij wat op een oude geelbruine leren bank, bij een provisorisch vuurtje waarop zoete thee wordt gezet. De rook verdringt de stank van urine. Een sjekkie gaat rond, er liggen bierflesjes verspreid op de grond, iemand repareert met secondelijm zijn schoenen.
“Ik werkte als ober in Cairo”, vertelt Samy. Een vriend haalde hem, met het vooruitzicht van een hoog salaris en een luxe leven over om in Italie te gaan werken. 3.500 euro aan smokkelaars armer bleek dat tegen te vallen: zijn vriend was weg en een baan als ober bleek door taalproblemen onmogelijk. Nu wil hij naar Engeland, waar andere vrienden hem aan een baan kunnen helpen. Papieren zijn niet belangrijk, als hij de overkant maar haalt, zich verbergend in een vrachtwagen die aan boord van een schip naar Engeland gaat. Ondertussen probeert iemand de secondelijm op te snuiven.
Karim (19) komt uit Kabul. Hij woont, samen met enkele honderden andere Afghanen, in de ‘jungle’, een bosgebied vol kleine hutjes, en een moskee. Uit zijn telefoon, ingenieus aangesloten op een aantal aaneengeschakelde batterijen, klinkt zijn favoriete artiest Bryan Adams. Nadat hij gastvrij voor thee, biscuits en chocolade heeft gezorgd, vertelt hij zijn verhaal. Zijn vader werkte in de provincie Paktia aan een ontwapeningsproject. Een terroristische groepering, mogelijk de Taliban, was hier op tegen en dreigde hem en zijn familie te vermoorden. Ontslag volgde, maar het gevaar bleef.
Karim zou gekidnapt worden en is een jaar geleden gevlucht. Nu is hij al weer vier maanden in Calais. Snel stilt hij zijn muziek als door de jungle de oproep tot het avondgebed klinkt. De hoop ooit Engeland te bereiken, de hoop dat het de volgende keer wel lukt, het is alles voor de migranten in Calais. Hoe lang zijn zij bereid dit te blijven proberen? ‘Zolang ik de hoop en het verlangen heb’ wordt er gezegd. Bijna elke nacht wordt een nieuwe poging gewaagd, overdag wordt er vooral gewacht.
Rond twaalf uur ’s middags verzamelen zich, op een voormalig parkeerterrein, de eerste mensen voor het eten dat rond half twee wordt uitgedeeld. Een Afrikaan, met de Engelse vlag op zijn kontzak, loopt hinkend naar de rij. Zijn been is gebroken in Libië, legt hij uit. Ook een 10-jarig Afrikaans jongetje voegt zich in de rij. Vanaf een afstand kijkt ‘Moustache’ toe – zo genoemd vanwege de enorme snor die zijn typische Franse uiterlijk completeert. Moustache is van een van de hulpverlenende organisaties, die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. “De meeste mensen in Calais zijn racistisch”, vertelt hij.
Half vijf in de middag hebben zo’n dertig migranten alvast hun plek in een nieuwe rij ingenomen en praten, ruziën of slapen wat. Sommigen spelen een spel dat op dammen lijkt. Muhammed Anjad vertelt dat hij vandaag een douche heeft genomen, waarvoor hij zo’n drie uur moest wachten.
Een andere migrant vertelt dat de politie elke dag arrestaties uitvoert. ‘Why? I don’t know, I don’t know’ blijft hij herhalen. Op een muur achter hem is met grote witte letters ‘Oui a l’art l622-1’ gekalkt, de verf is uitgelopen. Dit wetsartikel verbiedt welke hulp dan ook aan personen zonder geldige papieren, straffe vijf jaar. Een lokale zwerver, altijd aanwezig, belt met de telefoon van een migrant de politie: ‘fuck you, fuck police, fuck Sarkozy’. Applaus. Als half zeven de bus met avondeten arriveert breekt de kwetsbare orde in de rij en rent iedereen naar voren.