16 december, 2025 | Beeld: de redactie | Trefwoord: nederland
Verstandelijke beperking blijft onderbelicht bij daders van mensenhandel
“Wil je doekoe verdienen? Ik geef je zestig en veertig voor mij. Zonder condoom is 350. Ik ken genoeg boys die dat willen”. De toon van het WhatsApp-bericht laat weinig aan de verbeelding over. In de rechtszaal leest de officier van justitie de onderschepte berichten voor. Een uur later hoort Roman R. dertig maanden cel tegen zich eisen, omdat hij een minderjarig meisje dagenlang zou hebben gedwongen tot seks met verschillende mannen.
Wie dit soort zaken volgt, merkt hoe weinig bekend is over de daders van mensenhandel en seksuele uitbuiting. Waar beleid en onderzoek zich richten op slachtoffers, blijft de achtergrond van de plegers grotendeels buiten beeld. “Dat is een gemiste kans”, zegt Conny Rijken, Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen kinderen. “Bijna een kwart van de daders pleegt opnieuw mensenhandel.”
Uit het rapport Brede blik op daderschap (2024) van de Nationaal Rapporteur blijkt dat een groot deel van de daders van seksuele uitbuiting kampt met een licht verstandelijke beperking. Bij de zogenoemde ‘continue plegers’, de groep die het vaakst en het langst delicten blijft plegen, komt die beperking zelfs 8,7 keer vaker voor dan bij mensen zonder strafblad.
Een groot deel van de daders van seksuele uitbuiting kampt met een licht verstandelijke beperking
Seksuele uitbuiting is in Nederland de meest voorkomende vorm van mensenhandel. “Personen met een licht verstandelijke beperking zijn vaak impulsiever, overzien de consequenties van hun handelen minder goed en zijn beïnvloedbaar”, legt Rijken uit. “Toch wordt die beperking in de strafrechtketen vaak niet herkend, waardoor begeleiding onvoldoende aansluit.”
De jonge dader in de rechtszaal
In de zaak van Roman R. wordt dat zichtbaar. De 25-jarige verdachte worstelt al jaren met problemen op vrijwel elk levensgebied: een instabiele thuissituatie, ADHD, een autismespectrumstoornis en moeite om zich maatschappelijk staande te houden. Op papier is hij volwassen, maar feitelijk functioneert hij niet op het niveau van zijn kalenderleeftijd. Ook is hij eerder veroordeeld voor een vergelijkbaar misdrijf.
Voor de officier van justitie weegt dat zwaar. “Hij heeft een kwetsbaar meisje in de prostitutie gebracht. Gezien zijn eerdere veroordeling wist hij dat dit strafbaar is. Hij is 25, van hem mag verantwoordelijkheid verwacht worden.”
R’s advocaat Joris Kersemaekers vindt dat te kort door de bocht. “We houden minderjarigen en niet-uitgerijpte volwassenen in principe minder verantwoordelijk dan volledig wilsbekwame mensen. Maar dat besef ontbreekt soms in de rechtszaal.” Kersemaekers ziet dat als een structureel probleem. “Officieren zien op papier een volwassen verdachte, maar niet de werkelijkheid van iemand die verstandelijk beperkt is. Dan is het oordeel snel geveld. Kwetsbaar meisje, man van 25, klaar. Ik noem dat een tunnelvisie.”
Pleidooi voor adolescentenstrafrecht
Dat verstandelijke beperkingen structureel moeten worden meegewogen in het strafproces, staat voor Rijken buiten kijf: “Niet alleen bij de uitleg van wat er gebeurt, maar ook in hoe acties van daders worden geïnterpreteerd.”

Volgens de Nationaal Rapporteur zou het adolescentenstrafrecht vaker moeten worden ingezet voor jongvolwassenen met beperkte vermogens. “Deze groep groeit vaak op in instabiele gezinnen en heeft weinig kansen gehad. En slechts een klein deel beschikt over een startkwalificatie,” zegt Rijken. “Daar moet je rekening mee houden. Het adolescentenstrafrecht heeft een sterker opvoedkundig element dan het volwassen strafrecht. Het kan helpen te compenseren wat iemand in zijn jeugd is misgelopen. Iemand kan 25 jaar zijn, maar functioneren op het niveau van een zestienjarige. Dat is nog een extra reden om het adolescentenstrafrecht toe te passen’.
Of dat in de praktijk al voldoende gebeurt, nu ruim een jaar na de publicatie van het rapport, is volgens haar onduidelijk. “Het is nog te vroeg om te zeggen of rechters structureel rekening houden met beperkingen aan de daderskant.”
De reclassering als schakel
De cijfers laten zien hoe hard dat nodig is. Bijna een kwart van de daders van seksuele uitbuiting pleegt later opnieuw mensenhandel. “We moeten veel gerichter kijken hoe herhaling te voorkomen,” zegt Rijken.
In die aanpak speelt de reclassering een sleutelrol, blijkt uit haar aanbevelingen. Maar in de praktijk gaat het niet altijd soepel. “De reclassering is in de basis een fantastisch instrument, als het werkt,” aldus advocaat Kersemaekers. “Maar vaak stokt het, óf omdat de verdachte er niet voor openstaat, óf omdat de begeleiding niet goed van de grond komt. Ik zeg het met tegenzin, maar er werken ook mensen die niet altijd de betrokkenheid of slagkracht hebben om echt verschil te maken. Soms ook omdat ze te vaak zijn teleurgesteld door verdachten die er met de pet naar gooiden.”
Ook de samenwerking tussen reclassering en Openbaar Ministerie verloopt niet altijd vlekkeloos. “Een van de belangrijkste afspraken is dat bij elke verdachte van seksuele uitbuiting standaard een reclasseringsadvies wordt opgesteld,” zegt Rijken.
Ze vertelt dat deze afspraak tijdens een expert-meeting met alle betrokkenen is besproken. “Toen bleek echter dat het OM zegt die adviezen wél te vragen, terwijl de reclassering zegt ze niet te ontvangen. Die discrepantie is nog niet opgelost, al is er inmiddels wel meer begrip over elkaars werkwijzen,” aldus Rijken.
Beleidsadviseur Elcke Beks van de reclassering herkent dat. “We zijn afhankelijk van onze opdrachtgevers, het Openbaar Ministerie of de Dienst Justitiële Inrichtingen. Wij adviseren onder andere op hun verzoek. De cijfers moeten nog naast elkaar gezet worden.”
Toch is er ook vooruitgang benadrukt Beks. “Er is financiering gekomen voor een e-learning voor reclasseringsmedewerkers, zodat kennis over daders van mensenhandel breder wordt gedeeld. En er komt een onderzoek naar de vraag of onze interventies voldoende aansluiten bij de doelgroep. Dat was ook een aanbeveling van de Nationaal Rapporteur.”