12 december, 2013 | Auteur: Sanne van Grafhorst | Beeld: Sanne van Grafhorst | Trefwoord: filipijnen
Portret van twee Filipijnse vrouwen, verbonden door een familieband
De Filipijnen waren in de twintigste eeuw niet het meest vrouwvriendelijke land op aarde. Mercy Abenio ondervond dat aan den lijve. Als feministische vrouw die het antwoord ‘nee’ niet accepteerde, was zij in haar dorp een voorloper op het gebied van vrouwenrechten. Haar nichtje Karen heeft het heel wat makkelijker in de huidige eeuw. Twee vrouwen, twee verhalen. Één dorp, één familie.
“Toen mijn broers jong waren, mochten ze spelen. Ik niet. Ik moest altijd aan het werk in huis. Diep in mijn hart wist ik: dit klopt niet. Was ik maar een jongetje, dacht ik vaak. ” De zestigjarige Mercy Abenio zit aan haar eettafel in haar huis in Luttelgeest. Ze houdt van Nederland. Het land heeft haar de ware kleur van mensenrechten laten zien. Iets wat ze in de Filipijnen altijd gemist heeft. Terugkijkend op haar levensloop komt er een gevoel van onrecht bovendrijven. Haar hele leven heeft ze gevochten om dezelfde rechten te verkrijgen als mannen én de ’hogere klasse’ van het land.
Mercy Abenio groeide op in de plaats Bantigue, een gemeente van de stad Ormoc, op het eiland Leyte. Naast haar vader en moeder, bestond het gezin uit zes jongens (waaronder een halfbroer) en drie meiden. Haar halfbroer, op wie ze erg gesteld was, is de vader van haar nichtje Karen.
“Wij woonden met z’n allen in een klein huisje dat mijn vader had gebouwd van het hout van een scheepswrak. Het dak was gemaakt van bladeren van een moerasplant.” Het gezin Abenio had een duidelijke structuur. Vanaf zevenjarige leeftijd gingen de kinderen naar de basisschool, wat voor alle Filipijnen gratis is. Na schooltijd was het voor de meisjes tijd voor huishoudelijke taken en toen de basisschooltijd erop zat, moesten ze fulltime het huishouden in. Haar broers mochten verder studeren, zij niet. “Mannen waren de hoeksteen van de familie en hadden prioriteit. Ik heb gesmeekt of ik ook mocht, wat de voorwaarden ook mochten zijn.” Hoewel voor haar broers de studie betaald werd, mocht Mercy alleen naar school als ze zelf de financiën regelde. Als jong meisje schraapte ze daarom het geld bij elkaar in de suikerrietvelden. “Achteraf gezien spreek je dan van kinderarbeid. Maar het gaf mij voldoening. Om te bewijzen dat ik niet onder deed voor de mannen werkte ik er alle zaterdagen en in de vakanties.”
Naast een zware bijbaan bracht haar strijd om naar school te kunnen een andere consequentie met zich mee. “Om bij school te komen, moest ik elke dag twaalf kilometer lopen. Dat heb ik toen dagelijks gedaan. Ik was het eerste meisje uit het dorp – afgezien van de rijken – dat naar de middelbare school ging. Velen zeiden dat ik het niet vol zou houden om naar school te lopen, te werken en het huishouden te doen. Maar ik hield het vol. Soms geforceerd; ik moest altijd presteren en was bang om te falen. Mijn familie vond me rebels en opstandig. Maar voor anderen was ik een rolmodel, een voorbeeld.”
“De verwachting was dat ik op mijn achttiende zou trouwen,” vertelt Mercy, “maar dat was geen optie voor mij.” Daarom ging ze op een openbare universiteit studeren voor onderwijzer. Ondanks prachtige cijfers, haalde haar familie haar na het tweede semester van school. “Ik moest voor mijn familie gaan zorgen. Mijn moeder vroeg me om mijn lot – armoede – te accepteren.” Jarenlang had ze baan na baan en zocht ze mogelijkheden om bij te dragen in huis én te studeren. De doorbraak kwam op een universiteit waar ze als schoonmaakster werkte en een avondstudie voor secretaresse volgde. “Mijn baas zag meer in me en betaalde vervolgens mijn bachelor Engels. Ik studeerde cum laude af. Daarna gaf hij me overdag een baan als directiesecretaresse en ’s avonds als lerares Engels.” Voor Filipijnse begrippen had Mercy het daarmee ver geschopt.
Het noodlot trof de familie Abenio op 3 mei 1981. “Op die dag overleed mijn vader. Omdat ik de enige was met een baan, had hij mij gevraagd om het gezin te onderhouden.” Mercy was 28 toen ze verantwoordelijk werd voor het gezin. Van haar loon betaalde ze het onderhoud van de familie. Rond diezelfde tijd viel ze voor een Filipijnse man. “In Nederland mag je dan zelf actie ondernemen. In de Filipijnen was je geen fatsoenlijke vrouw als je dat deed. Toen mijn broers erachter kwamen, waren ze het er niet mee eens.” Als Mercy zou trouwen, zou het gezin haar als verzorgster verliezen. Dus verboden ze het. “Eén van hen heeft me geslagen met een riem. Uit angst heb ik het uitgemaakt. Bescherming noemden ze het, maar deze sociale controle zorgt ervoor dat je als vrouw heel klein wordt.”
Toch is ze op haar 39e bij haar familie weggegaan om te trouwen. Met een Nederlandse man. “Het was helemaal niet mijn bedoeling om met een buitenlander te trouwen. Achteraf gezien was het een uitvlucht. Het leven daar was me te veel.” En zo kwam ze te wonen in het kleine dorp Luttelgeest. Tranen wellen in haar ogen op als ze vertelt dat haar huwelijk op den duur op de klippen liep. “Ik had gehoopt dat met deze man alle conflicten in mijn hart zouden verdwijnen. Na een aantal jaren werd ik toch weer onder druk gezet. Dat was erg pijnlijk, maar ook zonder hem red ik me.”
“Ik woon hier nu alweer twintig jaar. Natuurlijk heb ik erover nagedacht om terug te gaan,”, geeft ze toe, “maar ik denk niet dat ik me nog kan aanpassen. Ik kan niet zomaar stoppen met mijn mening te geven.” Nederland heeft haar geleerd om haar identiteit te bepalen. “Dit ben ik, zo zie ik eruit en dit zijn mijn normen en waarden. Ik zal niet zeggen dat ik niet van de Filipijnen houd. Maar ik ben gelukkig hier. Misschien niet voor honderd procent, maar een perfect leven bestaat niet. Ik ga me niet verbitterd voelen om wat ik achtergelaten heb. Hier kan ik mezelf zijn en mezelf redden.” Net zoals ze van kinds af aan al deed.
Karen Abenio-Denaya zit aan haar keukentafel in het Filipijnse dorpje Bantigue. De 38-jarige Filipina vertelt lachend dat ze tante Mercy regelmatig ‘spreekt’ via facebook. Haar huis staat opvallend ruim en kleurrijk tussen armoedige en simpele hutjes. Een hele kinderschare gluurt door de ramen. Niet elke dag zien zij een blanke vrouw bij buurvrouw Karen op bezoek.
“Ik ben opgegroeid in een gezin met zes kinderen. Ik heb vier broers en een zus die voor 101 procent lesbienne is. Dus ik was de enige echte dochter. Het was alsof ik een koningin was, vergezeld met al die mannen om me heen”, vertelt Karen lachend. Haar basisschooltijd bracht ze in Ormoc door. “Na de basisschool ging ik naar de middelbare school. Omdat ik een beursstudent was, hoefden mijn ouders daar gelukkig niet voor te betalen. Alleen met erg goede cijfers krijg je een beurs toegereikt.” Na het afronden van de middelbare school, wilde Karen graag doorstuderen. “Al vanaf jonge leeftijd wist ik dat ik verpleegster wilde worden.”
In tegenstelling tot Mercy’s heeft Karens gezin haar juist gestimuleerd om te studeren. “Mijn familie heeft er alles aan gedaan om mijn studie op te kunnen brengen. Ik volgde een erg dure studie, waar ook nog eens kosten bij kwamen, omdat ik doordeweeks op de campus woonde.”Aangezien ook Karen opgegroeid is in een typisch Filipijns gezin, was geld opbrengen voor haar studie zo makkelijk niet. “Mijn ouders, eenvoudige arbeiders, moesten voor mijn studie geld lenen bij een rijke familie. Daar betaalden ze rente over. Mijn moeder vroeg vaak om te stoppen. Dan huilde ik wekenlang en wisten ze op de een of andere manier weer ergens geld vandaan te halen.” Daarvoor moest het gezin wel offers brengen. Haar broers offerden een deel van hun salaris op en Karens moeder ruilde haar juwelen als onderpand in bij een lommerd. “Dat is de realiteit van arme Filipino’s”, vertelt Karen. Ze realiseert zich dat ze geluk heeft gehad. Naast de kosten die haar familie dekte, betaalde tante Mercy namelijk voor haar medische uitrustingen en instrumenten.
Een bijbaantje had ze niet. “Ik had een zware studie, waar ik me voor honderd procent op moest richten. Bovendien wilden mijn ouders niet dat hun kinderen in de kinderarbeid belandden.” Wel staken de kinderen thuis de handen uit de mouwen. Er werd echter geen onderscheid gemaakt tussen zonen of dochters. “Wij hebben van jongs af aan meegeholpen met alle huishoudelijke taken. Ook hielpen we met het maken van jurken, die mijn moeder verkocht. Er was geen verschil tussen de jongens en de meisjes, mijn ouders geloven in gelijkwaardigheid.” Lachend zegt Karen: “Mijn moeder is zelfs nog dominanter dan mijn vader!”
Ook qua carrière heeft Karen het een stukje makkelijker gehad dan haar tante. “In juli 1995 ben ik afgestudeerd en was ik officieel verpleegster. Het was toen lastig werk vinden. Ik heb eerst zes maanden als vrijwilliger in een regeringsziekenhuis gewerkt.” Karens grootste voordeel is dat ze naast haar middelbare school diploma nog een gespecialiseerd diploma heeft, op een niveau vergelijkbaar met het hbo. Waar Mercy er jarenlang over heeft gedaan om ergens binnen te komen en vervolgens op te klimmen, kon Karen direct aan de slag – als er tenminste werk beschikbaar was.
“Na mijn vrijwilligerswerk ben ik begonnen bij een ngo die zich richtte op het welzijn van Amerikaans-Filipijnse kinderen.” Na meerdere jaren kwam ze uiteindelijk terecht op de positie waar ze nog zit en die feilloos aansluit op haar studie en interessegebied: schoolverpleegster. “Ik werk hier nu sinds 2006 en ik kan hier blijven werken tot ik met pensioen ga. Mijn man heeft ook een goede baan, waardoor mijn zoon in hele gunstige omstandigheden opgroeit.”
Karen is ruim tien jaar getrouwd met Emmanuel ‘Noel’ Denaya. Samen hebben zij één zoon, de negenjarige Gian Lorenzo. Een maand na hun ontmoeting begon het stel hun relatie. Bij Karen geen broers die haar eisten de relatie te verbreken. Hoewel haar familie Noel slechts een paar keer had gezien, gingen ze direct akkoord toen hij om haar hand vroeg. “Ik heb wel eens vaker vriendjes gehad. Noel kwam maar drie of vier keer en trouwde direct met me. Hij was mijn bestemming.”
Ook in huize Denaya geldt de wet van de gelijkwaardigheid. “Wij hebben dezelfde stem”, vertelt Karen. Dat moet ook wel, want de meeste tijd van het jaar heeft Karen het voor het zeggen thuis, omdat Noel afwezig is. “Hij is een zeevaarder en vanaf de dag dat we getrouwd zijn, is hij de meeste tijd van het jaar weg. Elk jaar heeft hij zes weken vakantie. Dan is hij thuis.” Een huwelijk op afstand heeft haar sterker gemaakt. “In het begin was het natuurlijk erg zwaar, maar ik heb het leren accepteren. Ik wist waar ik aan begon, maar op sommige momenten mis ik een partner met wie ik dingen kan delen. Gelukkig geeft Noel me nooit het gevoel dat ik er alleen voor sta. Hij is er altijd – over de telefoon, op facebook, via e-mail. Hij is een goede man, een fantastische echtgenoot.” Als sterke selfmade woman met een man ver weg, vergt het wel wat aanpassingen om een huishouden draaiende te houden. “Ik heb een dienstmeisje dat mij helpt met koken, schoonmaken en wassen. Ik werk de hele dag, dus moet er natuurlijk wel wat in het huis gebeuren.”
“Ik ben erg gelukkig. Mijn leven is nu heel anders dan toen ik bij mijn ouders woonde. Wij hoeven ons nooit druk te maken om geld.” Karen helpt nu anderen met haar salaris. Zo betaalt ze een deel van de kosten voor haar moeders medicatie en heeft ze de studie van haar nichtje betaald, die bij haar in woont. “Maar eigenlijk verleent mijn nichtje óns een gunst. Wij hebben maar één kind en ik beschouw haar praktisch als mijn dochter. Ik voel me ontzettend gezegend met dit leven.”