18 september, 2026 | Auteur: Nina Folkerts | Trefwoord: nederland
Asielkinderen sneller naar school, maar verhuizingen blijven onderwijs onderbreken
Sinds juni moeten asielkinderen binnen twee maanden na hun asielaanvraag naar school. Maar kinderen die worden overgeplaatst naar een andere opvanglocatie, zitten daarna soms opnieuw weken of maanden thuis.
Asielkinderen moeten in Nederland sinds 12 juni uiterlijk twee maanden na hun asielaanvraag naar school kunnen. Tot voor kort mocht dat drie maanden duren. De kortere termijn volgt uit het Europese Asiel- en Migratiepact, dat sinds deze zomer in de EU geldt. De kortere termijn moet voorkomen dat minderjarige asielzoekers na aankomst maanden geen onderwijs krijgen.
Het migratiepact stelt bovendien eisen aan het onderwijs zelf. Asielkinderen moeten onder vergelijkbare voorwaarden toegang krijgen tot onderwijs als andere kinderen. EU-landen moeten zich ook inspannen om te voorkomen dat hun schoolgang tussentijds wordt onderbroken.

Nederland wil de termijn van twee maanden halen door kinderen binnen twee weken na hun asielaanvraag bij een school aan te melden. Scholen krijgen daarna maximaal zes weken om over toelating te beslissen. De eerdere mogelijkheid om die termijn nog eens met vier weken te verlengen, is voor asielkinderen geschrapt.
Iedere twee weken instromen
Op de Internationale Schakelklas (ISK) van het Dr. Nassau College in Assen lukt het momenteel om leerlingen ruim binnen die termijn te plaatsen. Nieuwe leerlingen kunnen er doorgaans iedere twee weken beginnen, zegt directeur Karin Zwiers. “Het laatste jaar hebben we de pieken in de aanmeldingen zien afnemen, waardoor we leerlingen op tijd hebben kunnen plaatsen.”
Drie jaar geleden zag dat er heel anders uit. In 2023 voerde de ISK een leerlingenstop in en stonden tachtig jongeren op de wachtlijst. De afgelopen anderhalf jaar heeft de school geen wachtlijst meer nodig gehad. Dat kan veranderen als er plotseling veel nieuwe leerlingen bijkomen, bijvoorbeeld na de opening van een grote opvanglocatie. “Het is natuurlijk niet te voorspellen of dat zo blijft”, zegt Zwiers.
Landelijk lijken de wachtlijsten in het basisonderwijs kleiner te worden
Ook landelijk lijken de wachtlijsten in het basisonderwijs kleiner te worden. Volgens Marieke Postma, voorzitter van LOWAN-PO, dat scholen ondersteunt bij onderwijs aan nieuwkomers, gaat bijna ieder kind in het primair onderwijs dat minstens zes weken in Nederland is inmiddels naar school. In het voortgezet onderwijs zijn er nog wel wachtlijsten.
Na verhuizing opnieuw thuis
Maar de continuïteit van het onderwijs is nog niet verzekerd. Juist bij verhuizingen “hapert het systeem”, zegt Postma. Kinderen die van de ene COA-locatie naar de andere worden overgeplaatst, of vanuit de opvang naar een woning verhuizen, kunnen daarna opnieuw tijdelijk zonder onderwijs komen te zitten. Hoeveel kinderen daardoor onderwijs missen, is niet bekend. Er zijn geen landelijke cijfers over hoeveel leerlingen na een verhuizing thuis komen te zitten of hoeveel schooltijd daarbij verloren gaat.
Juist bij verhuizingen “hapert het systeem”
Een van de problemen is dat een nieuwe school niet altijd weet waar een kind eerder onderwijs volgde. Leerlingen worden soms geregistreerd met een burgerservicenummer, maar als dat er niet is ook met een onderwijsnummer. Daardoor kan dezelfde leerling dubbel worden geregistreerd en is bij de nieuwe school niet bekend dat het kind al ergens anders op school zat.
Ervaren medewerkers weten zo’n leerling vaak alsnog te vinden. Zij doen volgens Postma een “belrondje Nederland” om te achterhalen waar het gezin naartoe is verhuisd en wat de nieuwe school is. Maar door tijdsdruk of onervarenheid gebeurt dat niet altijd. “De nieuwe school weet dan soms niet eens dat er een vorige school was.”
Juist bij een verhuizing is daarom ondersteuning nodig van de eerste school of van VluchtelingenWerk, zegt Postma. Ontbreekt die, dan zit een leerling soms opnieuw enkele weken of maanden thuis. Voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften is die kans nog groter.
Een goed volgsysteem nodig
De Onderwijsinspectie kwam in mei tot een vergelijkbare conclusie. Hoewel de acute wachtlijsten kleiner zijn dan enkele jaren geleden, zijn er volgens de toezichthouder voor kinderen in de noodopvang weinig structurele verbeteringen. Vooral de vele verhuizingen kosten nog altijd onderwijstijd.
Een oorzaak is volgens de inspectie dat de verantwoordelijkheid voor het onderwijs aan deze kinderen over veel partijen is verdeeld, terwijl niemand de bevoegdheid heeft om een oplossing af te dwingen. De toezichthouder adviseert daarom onder meer om niet-noodzakelijke verhuizingen terug te dringen, verantwoordelijkheden duidelijker vast te leggen en kinderen beter te volgen.
Ook LOWAN-PO pleit voor beter zicht op de kinderen. “Een goed volgsysteem ontbreekt nu”, zegt Postma. “Het is een grote wens om de ontwikkeling van kinderen op individueel niveau te kunnen volgen en om te zien waar ze heen verhuizen en of ze daarbij continu toegang krijgen tot onderwijs.”