27 maart, 2011 | Trefwoord: bolivia
Kinderarbeid in Bolivia en toch naar school
Kinderarbeid komt in Bolivia in veel verschillende vormen voor. Luis (8) helpt zijn vader na schooltijd een paar uur op een suikerrietplantage, terwijl Aurelio (14) fulltime in de ondergrondse mijn werkt. Zijn zusje Daisy (10) helpt hun moeder na school met eten verkopen aan de mijnwerkers. Het zijn allemaal vormen van kinderarbeid, maar verschillend in de manier waarop ze de kinderen beïnvloeden in hun fysieke en geestelijke ontwikkeling.
Omdat Bolivia internationale verdragen omtrent kinderarbeid heeft ondertekend, is een speciale Commissie van het Ministerie van Arbeid belast met het uitroeien van de 'ergste vormen' van kinderarbeid en met het verbeteren van de arbeids- omstandigheden waarin kinderen werken. Het tienjarenplan van de Commissie, dat loopt van 2000 tot 2010, heeft volgens verschillende organisaties die zich bezig houden met kinderarbeid in de suikerrietoogst en in de mijnbouw, helaas nog weinig uitgehaald.
Ieder jaar migreren duizenden families vanuit afgelegen rurale gebieden naar de suikerrietplantages in de departementen Santa Cruz en Tarija. Ze verblijven gedurende de gehele oogst, die vier tot zes maanden duurt, in tentenkampen. De tenten worden gemaakt van houten palen en plastic zeil en bieden onderdak aan twee of drie families tegelijk. De kampen bevinden zich vaak in afgelegen gebieden, ver weg van scholen en gezondheidsposten. Water komt uit een put en is van slechte kwaliteit. Sanitaire voorzieningen zijn er niet. De kinderen komen met hun ouders mee omdat ze niet alleen achter kunnen blijven in hun woonplaats. Dit betekent een drastische onderbreking van hun schooljaar. Als er een school in de buurt van het kamp is, gaan de kinderen er wel naartoe, maar in veel gevallen is school te ver weg, dus blijven kinderen de hele dag in het kamp of helpen ze mee op de plantages.
Eber (12) werkt samen met zijn ouders op de suikerrietplantage in Tarija. “Zonder mijn inschrijfbewijs, die ik thuis vergeten ben, kan ik hier niet naar school, dus nu help ik mijn ouders op de plantages.” Eber en zijn moeder kappen ´s morgens suikerriet. Ze beginnen om zes uur en werken door tot iets voor lunchtijd.
“Ik vind het werk wel zwaar”, verklaart Eber. “Ik heb soms pijn in mijn rug van het kappen en ik heb blaren op mijn handen, maar zo kan ik wel mijn ouders helpen om wat meer te verdienen.” Kinderen die hun ouders helpen op de plantages krijgen niet uitbetaald, hun werk wordt via de ouders beloond. Eber en zijn ouders verdienen met zijn drieën 2.500 Bolivianos per maand, zo´n 250 euro. Met agrarisch werk in hun woonplaats zou hun inkomen niet boven de 600 Bolivianos uitkomen.
Volgens don Nestor Sainz Gutierrez, directeur van de organisatie OASI die zich bezighoudt met de problematische situatie van de families in de suikerrietoogst, is het moeilijk om goede projecten uit te voeren om hun situatie te verbeteren: “De mensen zijn slechts tijdelijk in het suikerrietgebied. Hoe kunnen ze op een duurzame manier voor hun arbeidsrechten opkomen als ze er de helft van het jaar niet zijn?” Organisaties als OASI en de arbeidsrechtenorganisatie LABOR geven voorlichting in de kampen over het recht op bijvoorbeeld goed betaald werk en degelijke woonomstandig- heden. Als de ouders genoeg verdienen, hoeven kinderen niet te werken. Volgens don Nestor is het vooral belangrijk dat de families in hun woonplaats betere werkgelegenheid hebben. “Als ze in daar genoeg kunnen verdienen, hoeven ze niet meer ieder jaar met hun kinderen naar de suikerrietoogst te migreren.”
Ook in de mijnbouw op de hoogvlaktes van Bolivia zijn veel werkende kinderen en jongeren te vinden. De projecten die organisaties uitvoeren om het aantal kinderarbeiders terug dringen, hebben wel wat effect, maar kunnen het probleem tot nu toe niet echt aan. Volgens Ivoné, medewerker van de organisatie CEPROMIN zijn er weinig alternatieven. “De jongens die in de mijnen werken, komen vaak van het platteland. Daar kunnen ze niet verder studeren en er is geen werk. Hier in de mijnen verdienen ze hun geld en daar raken ze aan gewend. De meesten denken er niet aan om terug naar school te gaan.”
In de mijnen werken alleen jongens, meisjes doen meer werkzaamheden buiten de mijn. Ze verzamelen het overgebleven mineraal om te verkopen of werken in eettentjes. In de mijnen verdienen de jongens een behoorlijk loon vergeleken met werk op het platteland.
Terwijl Aurelio´s loon behoorlijk is vergeleken met andere sectoren, betekent het wel dat hij zichzelf dagelijks blootstelt aan de gevaren van het onder- grondse werk. Jonge jongens zetten dynamietstaven in elkaar en brengen die tot ontploffing in de mijnen. Ze helpen met het boren van gaten in de muren en vervoeren het mineraal in kruiwagens of wagens op rails naar buiten. Het werk is zwaar en gaat gepaard met risico´s voor instorting van de mijnschachten en ongelukken door explosies. Volgens Aurelio gebeuren er dagelijks grote en kleine ongelukken. “Mijn vader is overleden aan de ´mijnziekte´ (stoflongen) omdat hij zijn hele leven onder de grond werkte. Ik werk nu in zijn plaats. Gisteren had ik zelf een klein ongelukje. Mijn hand kwam tussen twee wagens waarin we het mineraal vervoeren. Ik ben niet naar de dokter gegaan, want ik denk niet dat het gebroken is, maar mijn vingers zijn wel opgezwollen en pijnljk.”
De tienjarige Daisy, het zusje van Aurelio, gaat ´s middags naar de lagere school op een uur lopen afstand vanaf het mijnbouwgebied waar ze wonen. ´s Morgens helpt ze haar moeder met het verzamelen van mineraal dat is achtergebleven nadat de vrachtwagens vol mineraal vertrokken zijn. Met bezem en schep veegt ze het mineraal op hopen bij elkaar.
Ze vindt het werk niet zo erg om te doen, maar soms heeft ze er geen zin in: “Soms doen mijn ogen pijn van het stof en het is ´s morgens heel koud en dan heb ik geen zin om op te staan om te gaan werken´. Toch kan Daisy niet een dag werken overslaan, want dat betekent een vermindering van het familie-inkomen dat sowieso al heel laag is.
Met het werk dat Daisy en haar moeder samen doen verdubbelen ze het familie-inkomen. Daisy´s moeder is gecontracteerd als bewaakster van de mijningang naast hun huisje. Dit betekent dat er 24 uur per dag iemand thuis moet zijn dieven uit de mijn te weren en om de in bewaring gegeven spullen zoals perforatiemachines, helms en laarzen aan de mijnwerkers te kunnen geven.
Hoewel dit werk dus 24 uur per dag doorgaat, krijgt Daisy´s moeder slechts 300 Bolivianos (dertig euro) per maand van de mijneigenaren. Met het opvegen van mineraal verdubbelen of verdriedubbelen ze het inkomen. Zonder Daisy´s hulp zouden zij en haar moeder veel minder verdienen en zou er geen geld zijn voor school. Voor Daisy is dit belangrijk: “Ik vind het leuk op school, ik houd van lezen en schrijven en ik ben al twee keer de beste van mijn schooljaar geweest.”
Zoals blijkt uit de verschillende verhalen en ervaringen, bestaat kinderarbeid in veel verschillende vormen en betekent lang niet altijd dat kinderen niet naar school gaan. Wel blijkt dat kinderen die iedere dag meedere uren werken, vermoeid op school komen en niet alles van de les meekrijgen.
De directrice van de school dichtbij het mijnbouwgebied in Potosí merkt op: “kinderen die in de mijnbouw werken zijn vaak moe van hun werk en vallen soms in slaap. Als ze hun huiswerk niet doen geven we ze geen straf, we weten dat ze soms geen tijd en energie hebben.” Moe of niet, de meeste kinderen maken in ieder geval de lagere school af. Ouders vinden dat belangrijk, zoals Daisy´s moeder zegt: “Ik wil dat mijn dochters naar school gaan en een vak leren, zodat ze een beter leven krijgen dan dat we nu hebben. Niet meer tussen de mijnen.”
Laura Baas werkt voor IREWOC (www.irewoc.nl), een Nederlandse stichting die onderzoek doet naar kinderarbeid in Afrika, Latijns Amerika en Azië.
Het onderzoek naar kinderarbeid in Bolivia wordt binnenkort gepubliceerd, samen met andere onderzoeken naar kinderarbeid in Guatemala en Peru.arbeid in de suikerrietoogst en in de mijnbouw, helaas nog weinig uitgehaald.