30 juli, 2020 | Auteur: Toef Jaeger | Beeld: Victoire Douniama | Trefwoord: congo
In Congo zijn niet alleen het asfalt, maar ook de horeca, winkels en schoonheidssalons Chinees
De Republiek Congo leunt voor het dagelijks leven op Chinese inwoners. Iedereen is tevreden met de situatie, maar van integratie is geen sprake. „Chinezen en wij aan één eettafel, dat is niet hoe het werkt.”
Zeven jaar verbleef Ossebi Richard in China om vervolgens met een Chinese vrouw terug te keren naar zijn geboorteland de Republiek Congo. Hij had er geleerd hoe je plastic kon recyclen. Daarnaast had hij Chinese investeerders en werknemers gevonden. Hij schafte machines aan voor een recyclefabriek. Na terugkomst bouwde hij in een buitenwijk van de hoofdstad Brazzaville een fabriek met Chinees geld en Chinese machines om regenpijpen, plastic flesjes en kabelbuizen te maken.
De machines werken goed, al verbruiken ze te veel energie voor een noodaggregaat. Wanneer hij ons verwelkomt ligt dan ook alles – voor de zoveelste keer die week – stil. In Brazzaville valt bijna dagelijks de stroom uit.
Toen Richard begon met zijn fabriek werkte hij samen met zijn vrouw en negen Chinezen. Inmiddels heeft hij alle Chinezen – op zijn vrouw na – weggestuurd. Hij had ze niet meer nodig en het geld dat hij soms met zijn fabriek verdient , wilde hij niet meer afstaan aan zijn Chinese werknemers of investeerders.
Op de vraag hoe het hem gelukt is de Chinezen eerst te gebruiken en dan de deur te wijzen, zucht hij even. „Dit is typisch zo’n Europese vraag. Bij jullie gaat het altijd om regeltjes en formulieren. Wanneer je iets doet dat volgens een Europeaan niet de afspraak is, stapt hij meteen naar de rechter. Daarom is het fijner om met Chinezen te werken, ze zijn minder formeel. Een Europese investeerder had ik nooit kunnen wegsturen.” Je moet het zien als een transfer of technology. „Je betaalt ze om te tonen wat ze hebben. Als ze klaar zijn, zeg je: wegwezen!”
Met de Chinezen is het fijner werken dan met de Europeanen, daar kan hij kort over zijn. Terwijl hij dat zegt, leunt hij tevreden achterover. Zijn Chinese werknemers werkten hard en leerden hem hoe hij het beste zijn fabriek kon opbouwen. Het enige probleem was de taalbarrière, maar dat viel in het niet bij de praktische voordelen.

Decennialange relatie
De relatie tussen de Republiek Congo – ook wel bekend als Congo Brazzaville en buur van de veel grotere Democratische Republiek Congo – en China is goed en intensief. Dat is al zo sinds de jaren zestig, toen China en Congo sterke diplomatieke banden opbouwden. Nog steeds brengt de huidige president Denis Sassou-Nguesso veelvuldig bezoekjes aan China en vraagt Chinezen om nieuwe bedrijven te beginnen in zijn land. China is voor het continent Afrika de grootste economische partner. Veel Afrikaanse staten lenen miljarden van het land.
China is, zoals voor veel Afrikaanse landen, voor de Republiek Congo de grootste economische partner van de Republiek Congo, dat als een van armste geldt van het continent. De Congolezen hebben bij de Chinezen een schuld opgebouwd van ruim 2,5 miljard dollar. Een schuld die ze voorlopig niet kunnen afbetalen. Deze zomer werd bekend dat het Internationale Monetaire Fonds (IMF) de Republiek Congo de komende jaren in elk geval met een bedrag van bijna 450 miljoen dollar ondersteunt – het overgrote deel is schuld aan China.
Dat het land drijft op China is te merken aan de asfaltwegen die bijna allemaal door de Chinezen zijn aangelegd, evenals de grootste brug van Brazzaville. Elke avond – mits er stroom is – branden gekleurde lichtjes op de witte brug alsof de Chinese aanwezigheid zo een extra feestelijk tintje mee wordt gegeven. Toen de Republiek Congo in 1997 na een burgeroorlog in puin lag, waren het de Chinezen die als eerste hun ambassade weer open stelden in Brazzaville en meehielpen aan de wederopbouw van de stad.

Yes Club Teppanyaki
Hoezeer de Chinezen het dagelijks leven bepalen in Congo Brazzaville merk je niet alleen aan de Chinese fabrieken die er zijn, spoorwegen die worden aangelegd en grondstoffen die in het binnenland door Chinese bedrijven worden geëxploiteerd, je merk het ook op straat in de hoofdstad Brazzaville. Niet alleen het asfalt, maar ook de horeca, winkels en schoonheidssalons zijn Chinees.
Een van die restaurants, waarvan het interieur inwisselbaar is met elk Chinees restaurant waar dan ook, heet: Yes Club Teppanyaki. Het staat er sinds 2008. De bediening bestaat uit Chinezen, de menukaart is in Chinese tekens met een foto van het gerecht erbij en een gouden poes zwaait uit het raam. Het enige waaruit je opmaakt dat je in Congo-Brazzaville bent, is het portret van de Congolese president dat aan de muur hangt. Dat portret is een kleine Chinese concessie aan de Congolese werkelijkheid: de aankoop en het plaatsen ervan is verplicht voor elke ondernemer. Wie dat nalaat, betaalt flinke boetes, net zo lang totdat het portret er hangt.
In het restaurant werken zes Congolezen: ze doen de afwas of maken groente schoon. Of zitten zoals Alicia Couriollo Kibongui achter de kassa. Terwijl ze wacht op de eerste klanten, kijkt ze toe hoe even verderop het Chinese personeel gezamenlijk een vroege lunch naar binnenwerkt. Mee-eten mag ze niet. „Chinezen en wij aan één tafel, dat is gewoon niet hoe het werkt,” vertelt ze desgevraagd. Met Chinezen kan je wel samen werken, samen met ze leven is niet aan de orde.
De sfeer is verder oké, vindt Kibongui. Hoe ze het vindt dat ze niet mag mee-eten en hoe het is om voor Chinezen te werken, dat laat ze liever in het midden. Ze verdient goed genoeg. Een Chinees gaat nu eenmaal liever niet om met een Congolees, dat is een gegeven dat ze voor lief neemt.
De Chinese serveerster Tang geeft iets meer toelichting, wanneer ze na haar lunch aan een plastic tafel plaatsneemt. Er is geen sprake van gelijke posities in het restaurant, omdat Congolezen nu eenmaal anders werken: „Ze zijn heel vriendelijk en ze kunnen gelukkig goed schoonmaken. Maar zelf nadenken, dat doen ze niet.” Dat Congolezen dus niet bedienen of koken is omdat ze volgens haar „niets uit zichzelf doen, ze hebben toezicht nodig”. Zoals de meeste Chinezen in Congo spreekt ze geen Kikongo, de lokale taal, en beheerst ze het Frans nauwelijks.
Yi Qing Fang, de assistent-manager van het restaurant, is het met haar eens. Hij en de andere Chinese werknemers komen uit de stad Wenzhou. Hij kwam, net als zijn baas, naar Congo Brazzaville om een bestaan op te bouwen. Dat gaat prima, vindt hij. „De lokale bevolking is vriendelijk, maar ze zijn wel veel langzamer.”
Het lage tempo van de Congolezen is een van de weinige dingen waar hij aan moest wennen, legt hij uit. Verder lijkt er ook weinig om aan te moeten wennen: de Republiek Congo past zich aan de Chinezen aan. De lessen Chinees zijn op scholen even standaard als Engelse les, er is een aparte tv-kabel voor de Chinezen en er zijn genoeg winkels met alleen maar Chinese producten. In Brazzaville lijkt niemand er mee te zitten.
Chinezen zijn er over het algemeen geliefd. „Ze zijn bescheidener dan de Europeanen, vooral Fransen”, aldus cabaretier en theatermaker Ange Pemo. „Chinezen nemen het openbaar vervoer, terwijl de Fransen liever een taxi pakken of privévervoer hebben. Chinezen wonen in middenklassenwijken tussen ons en niet in aparte, bewaakte wijken zoals de Fransen. De Fransen blijven veel meer op afstand en blijven zich toch als expats gedragen. Zelfs de prostituees zijn tevreden over de Chinezen: ze doen hun ding, glimlachen en betalen.”
De uitwisseling tussen de landen gaat ook soepel. Niet alleen zijn de Chinezen welkom in Brazzaville, er gaan ook Congolese scholieren naar China om techniek te studeren. De tieners, in net pak gehesen, worden elke keer uitgezwaaid door een vertegenwoordiger van de regering, de staatskrant prijst de slimme studenten in wording die straks zullen terugkeren om de Republiek Congo verder vooruit te helpen.

Ongeduldige eigenaren
Ondertussen zijn het Chinese fabrieken die vooralsnog het land vooruit helpen. Waar Ossebi Richard moeite heeft winst te maken, lukt dat mevrouw Jiang van de Hunan Briqueterie wel. Haar fabriek iets ten zuiden van Brazzaville beslaat een oppervlakte van 5.000 vierkante meter; er worden stenen tot bouwmateriaal verwerkt. Ook hier kijkt de Congolese president toe vanaf de muur in de directiekamer, maar verder zijn alle opschriften in het Chinees, inclusief de toegangspoort. Jiang heeft vooral Congolezen in dienst, maar spreekt niets anders dan Chinees. Sinds 2013 woont ze in Congo Brazzaville. Ze kwam indertijd met haar vader mee, die net als zij geloofde dat ze in de Republiek Congo meer kansen zouden hebben dan in China. Terecht, stelt ze vast, want het gaat goed.
Wennen was het wel, „aanvankelijk had ik het er moeilijk mee. Dit is zo’n weinig ontwikkeld land.”
Buiten scheppen zes mannen steengruis in een bak, een ander loopt met een kruiwagen vol bakstenen naar een vrachtwagen. „Ja alles is hier prima en het salaris is ook goed genoeg”, zeggen ze grijnzend, maar echt tijd voor het beantwoorden van vragen is er niet.
Er gaan verhalen over fabrieken van Chinese eigenaren waar het er wel anders aan toe gaat, weet Jiang. Die zijn veel minder geduldig dan zij. Welke fabrieken dat zijn, wil ze niet zeggen. Er is ook geen Chinese eigenaar die zal toegeven dat hij slecht met het lokale personeel omgaat. „Maar sommigen slaan er echt op los om ze te leren werken.”
Niet hier, verzekert ze. Hier wordt gewoon doorgewerkt. Jiang heeft een goed contact met haar lokale werknemers vindt ze. „Het is veel beter om aardig tegen ze te zijn als je wilt dat ze doorwerken.” Ze zwaait even naar de volle vrachtwagen die op dat moment door de poort met de Chinese letters wegrijdt.
Met medewerking van NRC correspondent in China Garrie van Pinxteren