18 februari, 2014 | Auteur: Jilke Tanis | Beeld: Jilke Tanis | Trefwoord: mexico
Correspondent: Edwin Timmer
Edwin Timmer (41) werkte zeven jaar voor een landbouwtijdschrift en De Telegraaf voordat hij met zijn Mexicaanse vrouw naar Mexico vertrok. Sinds 2011 is hij correspondent in Mexico-Stad voor onder meer De Telegraaf, Elsevier, De Tijd, het Nederlands Dagblad en verschillende radioprogramma’s.
Hoe staat het ervoor met de berichtgeving over het buitenland in de Nederlandse media? Dat onderzochten 18 deelnemers van de Beyond your World-editie Onderzoek buitenlandjournalistiek. Zij interviewden correspondenten in meer dan 10 landen.
“Aan het begin kijk je tegen zo’n carrière op. Hoe zal het met het benaderen van nieuwe opdrachtgevers gaan? Maar al snel merkte ik dat het freelancen, als je eenmaal een paar verhalen hebt gemaakt en het contact lekker loopt, eigenlijk heel makkelijk is.
Ik ben blij dat ik inmiddels een netwerk van Mexicaanse tipgevers en collega’s heb. Ik wist niet dat dit zo handig zou zijn. Je hebt natuurlijk de cultuurverschillen, maar de Mexicanen zijn eigenlijk ontzettend aardig. Als je uitlegt dat je voor een medium in Europa schrijft, vinden de locals dat best leuk en willen ze je ook wel helpen.
Ik heb hier een paar hele mooie verhalen kunnen schrijven waar ik trots op ben. Een reportage vanuit Saltillo bijvoorbeeld, over een migrantenhuis dat werd geleid door een pater. Een prachtverhaal. Toen ik het aan De Telegraaf probeerde te verkopen, was hun commentaar ‘Een pater? Maar die misbruiken toch alleen kinderen?’. Ongelooflijk. Toen heb ik het verhaal aan het Nederlands Dagblad en de EO verkocht.
Elke Nederlander die in Mexico woont, loopt er vroeg of laat tegenaan dat het bijna onmogelijk is om hier afspraken te maken. Net als in andere Latijnse landen vinden ze het in Mexico heel moeilijk om nee te zeggen. Vooral in het begin vond ik dit lastig en nog steeds ben ik er niet helemaal uit waarom dat nou zo gaat. Dan zeggen mensen dat ze je gaan helpen en dan gebeurt er vervolgens niks. In het begin sla je jezelf voor de kop, word je daar ontzettend boos over. En nog steeds kan ik me flink ergeren aan die mentaliteit.
Mijn vorige chef Buitenland bij De Telegraaf was totaal drugsoorlog-moe. Dus als ik een verhaal had over twintig neergeschoten mensen, wist ik al dat ik dat niet hoefde te pitchen. Op sommige momenten vond ik dat wel raar. Dan hadden we om de dag een opening over Syrië, terwijl hier in 2011 en 2012 evenveel slachtoffers vielen als daar. Natuurlijk is dat wat er in Syrië gebeurt verschrikkelijk, maar een drugsoorlog met 75.000 slachtoffers en 25.000 vermisten is ook niet niks. Toen dat van die 25.000 vermisten bekend werd, vond de krant dat trouwens ook ‘niets nieuws’. Dat is weleens frustrerend. Al is het allemaal onderdeel van het spel. Dan maak je je even boos en dan zoek je weer een ander verhaal.
Veel Nederlanders associëren Mexico alleen met de drugsoorlog. Terwijl er hier veel meer gebeurt; de economie groeit bijvoorbeeld behoorlijk. Ik probeer dat te laten zien door verhalen te maken over de kansen van Nederlandse ondernemers. Niet alleen in de land- en tuinbouw, waar de business als een tierelier groeit, maar ook in de industriewereld. Dat is een van mijn specialisaties, de andere correspondenten in Mexico schrijven dat soort verhalen niet zo snel.
Je hoort alleen maar verhalen dat het zo slecht gaat in de Nederlandse journalistiek. Dat zorgt ervoor dat ik een terugkeer naar Nederland met haar media niet zo makkelijk vind. Toen ik wegging bij De Telegraaf en mijn contract beëindigde, zei de hoofdredacteur dat ik zeker weer moest komen praten als ik terug was. Ik vraag me echter af of dat aanbod nog staat, de tijden veranderen. Het lijkt me stiekem wel leuk om over vijf à tien jaar nog eens op het Binnenhof te werken, zoals ik voorheen deed. Dat gevecht om als eerste in het nieuws te komen, fantastisch!”