11 mei, 2012 | Trefwoord: turkije
Een terrorist in de familie
Een ‘terrorist’ in de familie, in de Turkse stad Diyarbakir is het heel gewoon. De familie is soms ook trots. Zoals de buurvrouw die de restjes sneeuw van haar veranda veegt. Haar zoon zit ‘in de bergen’ om te vechten voor de PKK. Of de poortwachter. Zijn zoon is omgekomen door luchtaanvallen van het Turkse leger. Maar met buitenstaanders wordt daar niet over gesproken. Uit Angst.
Het zuidoosten van Turkije is al ruim dertig jaar het toneel van een bloedige oorlog tussen de Turkse staat en de terroristische organisatie PKK. Al drie decennia groeien kinderen op met de gewapende strijd. Vaders, ooms en broers die in de bergen zitten. Familieleden thuis die niet weten of ze nog leven of niet. Protestacties die met traangas en politiestokken worden onderdrukt. En altijd het leger dat zichtbaar aanwezig is. Diyarbakir is hét centrum van de gewapende strijd. Een strijd die na een relatief rustige periode weer opbloeit.

Zoals eind december 2011 gebeurde. Toen kwamen door luchtaanvallen van het Turkse leger 35 burgers om in de grensstreek met Irak. Het leger dacht te maken te hebben met PKK-terroristen, het waren echter Koerdische smokkelaars. Het is slechts één van de voorbeelden. De strijd tussen de PKK en de Turkse overheid heeft het afgelopen jaar aan honderden mensen het leven gekost.
Bergturken
De Koerdische Arbeiderspartij PKK werd eind jaren zeventig opgericht uit politieke onvrede. Al vanaf het begin van de oprichting van de Turkse staat, vlak na de Eerste Wereldoorlog, werden Koerden niet als bevolkingsgroep erkend. Er zou binnen Turkije slechts één bevolkingsgroep wonen: de Turk. En als de Koerden geen Turken wilden zijn, dan waren het wel Bergturken. Voor de Koerden, die een andere cultuur, geschiedenis en taal hebben dan de Turken, was dit onaanvaardbaar. Het doel van de PKK was dan ook het beschermen van de Koerdische cultuur. Het zuidoosten van Turkije zou een autonoom land moeten worden; Koerdistan. Eventueel verenigd met andere Koerdische gebieden in Irak en Syrië. Voor Turkije is deze afsplitsing altijd onacceptabel geweest.
Op straat in Diyarbakir lijkt het leven rustig, maar hier is ‘de oorlog’ verweven in het dagelijks leven. Spelende kinderen op straat begroeten elkaar met hun wijs- en middelvinger in een ‘V’-vorm, het symbool van de PKK. Tientallen keren per dag vliegen straaljagers en helikopters over. Ze zijn op weg naar ‘de bergen’, een naam die symbool staat voor de plek waar duizenden PKK-strijders zich schuilhouden en aanslagen beramen. Op muren in de steegjes van de binnenstad worden de PKK en de leiders met graffiti geëerd. Even buiten de eeuwenoude stadsmuren van Diyarbakir rijst een enorme legerbasis op. Vlak ernaast de beruchte gevangenis van Diyarbakir. De plek die jarenlang hét symbool was van de onderdrukking van de Koerden.
Die gevangenis is ook de plek waar Nuri Sinir (57) heeft vastgezeten. Hij werd in 1980 opgepakt, omdat hij samen met een vriend een krant in de toen nog verboden Koerdische taal uitgaf. Zijn krant was niet kritisch tegenover de overheid en verscheen ook in het Turks. Toch belandde hij zonder pardon in het gevang, een plek waar hij drie jaar heeft vastgezeten en is gemarteld.
Martelingen
Een zucht. Sinir probeert zonder emoties te praten over de tijd dat hij vastzat. Het is niet makkelijk. Hij heeft vrienden lichamelijk en psychisch zien sterven. Zelf moest hij na zijn vrijlating in therapie. Om te leren weer van het leven te houden. “De meeste mensen die vastzaten waren normale mensen. Ze waren Koerd, maar ze hadden niks misdaan. Het waren geen PKK-strijders. Ik denk dat 95 procent van de mensen die in die gevangenis zaten, nu in de bergen zitten. Of om de PKK te helpen of om zo ver mogelijk van politie en het leger verwijderd te zijn.”

Met een plof gooit Sinir een pakketje papieren op de tafel. Een zeventien-pagina tellend rapport over wat hem is misdaan in de gevangenis. Ruim dertig jaar na dato gaat hij de overheid aanklagen. Nu pas durft hij te praten over wat er in die tijd is gebeurd. Eerder durfde hij niet naar de pers of de rechter te stappen. Bang om weer te verdwijnen in de gevangenis.
Sinir steekt een dunne sigaret op en gaat verzitten. Hij is gekleed in een net grijs pak. Het bovenste knoopje van zijn witte overhemd staat open. Zijn haar is netjes gekamd. Een grijze snor prijst boven zijn vriendelijke glimlach. Hij tipt de gloeiende as van zijn sigaret in een kommetje en begint langzaam te vertellen over de martelingen.
In die tijd waren stokslagen en mishandelingen aan de orde van de dag. Een greep uit de lijst. De gevangenen moesten tijdens het slapen doodstil liggen. Zagen de bewakers dat een hand of been bewoog, dan werden er nagels uitgetrokken. Ook werd de anus doorzocht op wapens door er een politiestok in te steken. “Overal bloed”, voegt Sinir op rustige toon toe. Bij de tandarts werden expres de verkeerde tanden getrokken. En de gevangenen moesten soms wel zestien uur per dag nationalistische Turkse liedjes zingen, terwijl ze marcheerden.
Maar het ergste vond Sinir dat hij niet met zijn moeder kon praten. “Ik mocht haar slechts af en toe voor drie minuten spreken. Maar ze sprak geen Turks en het spreken van Koerdisch was strikt verboden. We konden elkaar tijdens die korte bezoeken alleen in de ogen aankijken. Eén keer kon ik het niet meer aan en vroeg aan haar 'Dag mamma, hoe gaat het?' Voor haar ogen werd ik door bewakers meegesleurd naar een donkere kamer. Daar werd ik vijf uur lang geslagen met politiestokken.”
Vrijheid van meningsuiting
Alhoewel de situatie voor Koerden sinds die tijd iets beter is geworden – zo is Koerdisch ondertussen geen verboden taal meer – ligt de Koerdische situatie nog steeds gevoelig. Nog steeds worden politieke opponenten voor het minste of geringste in de gevangenis gegooid. Iets wat vooral journalisten merken. Rond de zeventig journalisten zitten op dit moment in Turkije gevangen en nog meer journalisten worden bedreigd door de overheid.
Even buiten het stadscentrum ligt het kantoor van journalist Ferit Aslan. Grote stapels papieren liggen op zijn bureau. Op zijn beeldscherm wordt een persconferentie uitgezonden. Al tientallen jaren bericht hij over de Koerdische kwestie. Nu doet hij dat voor de overheidsgezinde media CNN Türk en het persbureau DHA. “Het is een moeilijk onderwerp om over te berichten, je moet voorzichtig te werk gaan”, vertelt Aslan.

“In het verleden zijn veel van mijn vrienden in de gevangenis beland, omdat ze te positief waren over de PKK. Ook is een vriend van mij ontvoerd door PKK-strijders en naar de bergen meegenomen. Na een goed gesprek is hij wel weer vrijgelaten.” Tot 2002 waren er door de overheid regels opgesteld waar journalisten wel en niet over mochten schrijven. Als Aslan zich niet aan de regels hield, publiceerde de krant zijn artikelen niet. Nu zegt Aslan wel alles te kunnen zeggen dat hij wilt.
Voor Raci Bilici is dat wel anders. Hij is de voorzitter van de lokale afdeling van de Turkse mensenrechtenorganisatie. Hij is bang voor de overheid. Er lopen verschillende rechtszaken tegen hem. Hij zit achter het bureau van Muharrem Erbey, de accountant van de organisatie. Maar alleen zijn naambordje herinnert nog aan hem. Zelf zit de accountant in de gevangenis. Hij zou contacten onderhouden met de PKK. Bilici weegt zijn woorden nauwkeurig. Na een korte aarzeling zegt Bilici geen PKK-leden te kennen. Praten met hen doet hij al helemaal niet.
Bilici’s hoofdtaak in Diyarbakir is het beschermen van de bevolking tegen het geweld van de staat. PKK-geweld keurt hij niet goed, maar daar hoeft de bevolking volgens hem niet bang voor te zijn: “De PKK beschermt de bevolking juist en gebruikt geweld alleen tegen de overheid.”
Zelfgemaakte bom
Toch heerst er ook angst voor de PKK onder de bevolking. De Koerdische journalist Canan Altinaş, eveneens werkzaam voor CNN Türk en DHA, kreeg een paar jaar geleden een zelfgemaakte bom naar haar toegegooid door een PKK-aanhanger. Ze zou te negatief schrijven over de afscheidingsbeweging. Zonder ernstig letsel op te lopen, overleefde Altinaş de aanslag. Maar sindsdien vreest ze voor haar leven. Volgens haar vrezen veel mensen in Diyarbakir de PKK. Aantallen durft ze niet te noemen. “Als één van de weinige durf ik te praten over de angst voor de PKK. De rest houdt zich stil.”
Openlijk verzet tegen de PKK bestaat dan ook nauwelijks onder de bevolking. Er zijn enkele mensen die de standpunten van de verzetsbeweging wel goedkeuren, maar de manier waarop ze die nastreven niet. Zoals ook Nuri Sinir: “Er is zoveel geweld. Mijn broer is omgekomen bij een politie-inval. Hij was geen terrorist. Mijn neef zit in de bergen. Ik weet niet of hij nog in leven is. Zoveel mensen zijn er omgekomen. Alleen door de wapens neer te leggen en te praten, komt er vrede.”