27 december, 2011 | Auteur: Doenja Peeters | Beeld: Alex Wolf | Trefwoord: griekenland
De structurele oorzaken van de Griekse crisis
De crisis in Griekenland is voor veel mensen niet meer dan een gevolg van jarenlang gesjoemel met cijfers en een opeenvolging van corrupte regeringen die financieel-economisch wanbeleid hebben gevoerd om hun eigen zakken te kunnen vullen. Dit is slechts één kant van het verhaal. De andere kant heeft betrekking op de structurele tekortkomingen in de Griekse concurrentiepositie. Griekenland is economisch gezien simpelweg niet in staat om te concurreren met haar collega-eurolanden. De verklaring hiervoor is niet een taai economisch verhaal, maar heeft veel te maken met de Griekse cultuur.
Er zijn grofweg drie factoren te onderscheiden die ten grondslag liggen aan de slechte Griekse concurrentiepositie. Allereerst kent Griekenland al jaren een relatief hoog inflatiecijfer. Daarnaast heeft het land een zeer magere exportsector. En als laatste kan het zwakke zakenklimaat in Griekenland aangewezen worden als oorzaak van het slechte concurrerende vermogen van het land.
Inflatie
Zodra een land te kampen heeft met hoge inflatiecijfers is dit ongunstig voor de concurrentiepositie: de prijs van producten gaat immers omhoog en je bent zodoende minder aantrekkelijk als exportland. Vanaf het moment dat Griekenland lid werd van de Economische en Monetaire Unie (EMU) in 2000 heeft het land jaar na jaar hogere inflatiecijfers gehad dan het EMU-gemiddelde. Ter illustratie, over de periode 2000-2009 kwam het gemiddelde inflatiecijfer van Griekenland uit op 3,2 procent terwijl de rest van de eurozone uitkwam op een gemiddelde van 2,1 procent. Normaal gesproken is er met zulke verschillen in inflatiecijfers niets aan de hand. Het land met de hogere inflatiecijfers zou simpelweg zijn munt kunnen devalueren om op die manier alsnog de prijzen omlaag te brengen en concurrerend te blijven als exportland. Maar met één gemeenschappelijke munt, de euro, is devaluatie niet mogelijk en dus is Griekenland al jaren erg duur voor het buitenland en kan het maar moeizaam de concurrentie aan met de andere EU-landen binnen de interne markt.
Maar hoe komt die inflatie dan zo hoog in Griekenland? Één van de belangrijkste oorzaken hiervoor is te vinden in de sterke loonstijgingen die Griekenland gekend heeft sinds de start van de EMU. Deze loonstijgingen werden mogelijk gemaakt door de sterke positie die vakbonden hebben in Griekenland. Met name de ambtenarenbonden hebben een behoorlijke vinger in de pap en juist die bonden hebben altijd gepleit voor hogere lonen en forse bescherming van de werknemers. Vanwege de grootte van de publieke sector in Griekenland en de gevestigde belangen in deze sector zijn de looneisen van de bonden veelal gehonoreerd. Over het algemeen volgde de private sector de loonontwikkelingen in de publieke sector. Dit leidde vervolgens tot hogere prijzen en zo kon het gebeuren dat Griekenland langzaamaan moest inboeten aan concurrerend vermogen.
Slecht ontwikkelde exportsector
Een tweede oorzaak is te vinden in de slecht ontwikkelde en zwakke exportsector. Griekenland importeert al jaren meer dan het exporteert. Met andere woorden, het land geeft veel meer uit dan dat het binnen haalt. Griekenland mag dan veel geld verdienen aan de goed ontwikkelde toerismebranche, maar de verkoop van goederen aan het buitenland blijft hier ver bij achter. Waar voor de meeste landen de introductie van de interne markt en de euro een positief effect hadden op de export, bleek dit voor Griekenland juist omgekeerd te zijn, zeker na 2004. Griekse producten zijn relatief duur, vanwege hoge inflatiecijfers en de ontbrekende mogelijkheid tot devaluatie, maar daarnaast zijn er nog veel meer oorzaken aan te wijzen voor de zwakke Griekse exportsector.
Één van die oorzaken heeft te maken met het traditioneel grote aandeel van kleine familiebedrijfjes in de Griekse economie. 97 procent van de Griekse bedrijven heeft minder dan 10 man personeel in dienst. Het gaat hier veelal om eenvoudige bedrijfjes die simpele producten leveren aan lokale markten. En juist doordat de bedrijven zo klein zijn is er weinig aandacht of vermogen beschikbaar om te professionaliseren om zo te kunnen produceren voor de export. Dit leidt ertoe dat slechts 1 procent van alle Griekse bedrijven actief is in de exportsector, terwijl dit percentage in de rest van de EU veel hoger ligt, gemiddeld 8 à 9 procent.
Uiteraard spelen er nog veel meer factoren mee. Zo wordt er in Griekenland traditiegetrouw weinig geïnvesteerd in Research and Development (R&D). En juist die investeringen zijn nodig om innovatie mogelijk te maken om op die manier de concurrentie met het buitenland aan te kunnen. Uit cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) blijkt dat van alle EU-landen alleen de Slowaken minder uitgeven aan R&D. Daarnaast is er nauwelijks sprake van samenwerking tussen de instituties die betrokken zijn bij de export, zoals ministeries en exportautoriteiten. Sterker nog, sommige van deze instituties zien elkaar eerder als concurrent dan als samenwerkingspartner.
Ten slotte zijn Grieken traditioneel niet erg georiënteerd op het buitenland. In plaats van zelf actief op zoek te gaan naar een buitenlandse handelspartner en deel te nemen aan promotionele activiteiten, wachten de Grieken liever tot er een belangstellende naar hun toe komt.
Zwak zakenklimaat
Als laatste oorzaak van het matige concurrerend vermogen van de Griekse economie kan het zwakke Griekse zakenklimaat nog genoemd worden. Onlangs publiceerde de Wereldbank haar Ease of Doing Business rapport voor 2012, een jaarlijkse ranglijst waarin van 183 landen wordt beoordeeld hoe makkelijk het is om in dat land zaken te doen. Griekenland komt er in deze ranglijst zeer bekaaid af met een 100e plaats, waarmee ze veruit het slechts presteert van zowel de eurolanden als de gehele EU. Zelfs landen als Sri Lanka en Guatemala zijn aantrekkelijker voor investeerders.
Één van de voornaamste oorzaken hiervoor ligt in de dichte bureaucratie en de hoge administratieve lasten waar (buitenlandse) ondernemers mee te maken hebben wanneer zij een bedrijf willen opzetten in Griekenland. Ellenlange procedures en een enorme papierhandel behoren tot het standaard proces. Hiernaast mag een beginnend bedrijf ook nog eens een behoorlijk bedrag overhandigen aan de Griekse overheid voordat het daadwerkelijk kan opereren. Uit het eerder genoemde Ease of Doing Business rapport blijkt dat de hoeveelheid tijd en geld en het aantal procedures dat verbonden is aan het starten van een bedrijf in Griekenland aanzienlijk hoger ligt dan in de rest van de EU.
Daarnaast heeft de strikte overheidsregulering ook niet bepaald een gunstige invloed op het aantrekken van buitenlandse investeerders. De arbeidsmarkt is weinig flexibel, waardoor de lonen kunstmatig hoog blijven en het lastig is om werknemers te ontslaan. Daarnaast wordt een groot aantal beroepsgroepen, waaronder apothekers en architecten, door de overheid afgeschermd van (buitenlandse) concurrentie; dit zijn de zogeheten ‘gesloten beroepen’. Door het vaststellen van minimumprijzen of het beperkt uitgeven van vergunningen die nodig zijn om het beroep uit te kunnen oefenen, probeert de Griekse overheid de binnenlandse ondernemers te beschermen voor buitenlandse concurrentie. Gevolg is echter ook dat de prijzen kunstmatig hoog gehouden worden en de markten weinig efficiënt werken.
Een derde oorzaak voor het zwakke Griekse zakenklimaat kan gevonden worden in de hoge mate van corruptie waarmee het land nog altijd te kampen heeft. Uit de jaarlijkse ranglijst van Transparency International scoorde Griekenland in 2011 slechts 3,4 punten (uit een maximum van 10), waarmee het van de 182 beoordeelde landen op de 80e plaats eindigt. Na Bulgarije presteert Griekenland hiermee het slechts van alle EU-landen. Met name publieke aanbestedingsprocedures worden vaak geteisterd door corrupte praktijken. Dit hangt vaak samen met politieke invloeden en het in stand houden van oude loyaliteiten, die jaren eerder zijn ontstaan. Het mag duidelijk zijn dat de hoge mate van corruptie in Griekenland negatieve consequenties heeft voor het aantrekken van buitenlandse investeringen. Over het algemeen zorgt corruptie namelijk voor meer zakelijke onzekerheid en hogere kosten om een bedrijf draaiende te houden.
Er lijken dus een aantal structurele oorzaken te zijn voor de slechte Griekse concurrentiepositie. En veelal hangen deze oorzaken samen met culturele en historisch bepaalde factoren. De financiële noodpaketten waarmee Griekenland door haar collega-eurolanden op de been wordt gehouden lijken daarom niet meer te zijn dan een doekje tegen het bloeden. De Griekse financiële problemen zijn immers niet meer dan een gevolg van alle structurele tekortkomingen zoals die hiervoor beschreven zijn. Daarom zal Griekenland, voordat het als een volwaardige en concurrerende speler kan deelnemen aan het Europese en globale economische spel, eerst een aantal culturele taboes moeten doorbreken en hervormingen moeten doorstaan.