30 juli, 2007 | Auteur: Geesje van Haren | Beeld: Geesje van Haren | Trefwoord: belgie
Grootschalige armoede verstopt in Brussel
Een zoektocht naar armoede in de hoofdstad van Europa. Zo’n tocht doet vooral stilstaan bij wat niet te zien is. Het contrast tussen rijkdom en armoede in Brussel is groot.
In 2006 bleek de regio Brussel het tweede rijkste gebied van Europa te zijn (cijfers Eurostat). Alleen aan de rijke binnenstad van London kon de Europese hoofdstad nog niet tippen. Opvallend is dat in Brussel armoede niet verstopt is in de buitenwijken, zoals in Londen, Parijs of Amsterdam het geval is. De mensen die moeten leven onder de armoederisicogrens wonen en leven in wijken in en rondom het centrum van de stad. En toch valt de armoede daar niet meteen op.
Net als iedere grote stad herbergt Brussel zijn bedelaars en straatmuzikanten. De accordeonist speelt in Brussel hetzelfde liedje als in Praag of Athene.
Bij de ingang van de grote kerk wijst een vriendelijke bedelaarster de weg aan kerkgangers en toeristen, net als bij de grote kerk in Rome of Berlijn. Deze vorm van armoede gaat hand in hand met welvaart. Brussel is daarin geen uitzondering. De welvarende stedelingen in Europa hebben dit straatbeeld geaccepteerd.
De armoede in Brussel zit dieper, lager bij de grond. Vlakbij het stadscentrum staat het Paleis van Justitie. Dat gebouw domineert haar hele omgeving. Met een oppervlakte van 26.000 vierkante meter is dit het grootste werk dat in de 19de eeuw in Europa werd gebouwd. Aan de voet van het Paleis hebben zwervers en junks zich gehuisvest.
Onder de trottoirs zijn bedekte ruimtes waar de regen niet kan komen. Overal liggen gebruikte matrassen. Deze ruimtes worden bewoond. Het stinkt er verschrikkelijk naar afval en urine. In de hoeken liggen menselijke drollen.
De bouwvallige, verlaten gebouwen direct naast het Paleis van Justitie tonen precies het contrast van deze stad. De hoofdstad van Europa, de tweede rijkste regio van Europa, kent een armoede van 25 procent bij een inwonersaantal van één miljoen. Dit zijn geen straatmuzikanten, bedelaars, zwervers of junkies, maar de kinderen, eenoudergezinnen, jongeren, ouderen, werkelozen, immigranten en etnische minderheden die zwaar op de Brusselse portemonnee drukken.
Aan de voet van het Paleis van Justitie ligt ook de schilderachtige Marollenwijk, waar een eigen taal wordt gesproken. Op straat klinkt een grappige mengeling van Vlaams en Frans met nu en dan wat Spaanse woorden. Op het Vossenplein is iedere dag een gezellige, druk bezochte rommelmarkt. De kraamhouders verkopen van alles: van antiek tot kleding tot groente en fruit.
Als de markt is afgelopen, of het regent of niet, snellen de vertegenwoordigers van de kwart miljoen armen zich naar de rommelmarkt. Wat is blijven liggen nemen zij gratis mee.
Resten plastic ‘antiek’ in kartonnen dozen blijken erg in trek. Ook oude boeken en platen doen het hier goed. De onophoudende regen die in de dozen plenst maakt geen verschil.
In de grote stapels, inmiddels natte kleding, wordt gegraaid en gegrabbeld dat het een lieve lust is. Toch nemen deze mensen niet zomaar alles mee naar huis, met kritische blik wordt de buit verdeeld.
Laag bij de grond valt armoede pas echt op. In Brussel en in de hele westerse wereld, wordt armoede geduid als relatieve armoede. Dit in tegenstelling tot absolute armoede zoals in derde wereldlanden voorkomt. “Mensen die leven in relatieve armoede hebben een leven dat vele malen slechter is dan de normale levenstandaard in hun land of regio.” Zo verklaart Audrey Gueudet van European Anti Poverty Network (EAPN). “Zij leveren dagelijks strijd om normaal mee te doen aan economische, sociale en culturele activiteiten. Die constante strijd om normaal te leven heeft impact op hun gezondheid, psychische toestand en geeft stress in persoonlijke relaties.”
De verschillen tussen de normale levensstandaard in de Europese landen zijn groot. “Zo overleeft een persoon in Roemenië met zo’n twee euro per dag en iemand in Luxemburg heeft minimaal 47 euro per dag nodig,” vertelt Audrey Gueudet. De armoedecijfers van de Europese landen verschillen ook enorm. In 2005 leefde gemiddeld 16 procent van de Europese bevolking onder de armoederisicogrens, dat zijn 78 miljoen mensen.
Het aantal mensen onder de armoederisicogrens in Zweden, Tsjechië, Nederland, Denemarken, Oostenrijk, Slovenië en Finland lag toen tussen de negen en twaalf procent van de bevolking in die landen. Terwijl in Letland, Polen, Ierland, Grieken-land, Spanje en Portugal dat gemiddelde in 2005 op twintig procent lag.
De regio Brussel steekt met het armoederisico-percentage van 25 procent met kop en schouders boven het Belgisch gemiddelde van 16 procent uit. Een voorbeeld uit de Welzijnsbarometer van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel, editie 2006, laat zien dat de gemiddelde jaarinkomens per wijk dan ook enorm uiteenlopen: “Van € 6.598,- in Sint-Joost-ten-Node tot € 14.857,- in Sint-Pieters-Woluwe.”
“Het armoederisicopercentage wordt gedefinieerd als het deel van de bevolking dat onder een bepaalde inkomensdrempel valt. Die drempel wordt vastgesteld op zestig procent van het mediaan beschikbaar inkomen per individu. In België komt deze drempel overeen met een inkomen voor een alleenstaande van € 9.325,- per jaar of € 777,- per maand.”
Hulp van de Belgische overheid in de vorm van een uitkering zet geen zoden aan de dijk. De Welzijnsbarometer 2006 laat zien dat: “17,2 procent van de Brusselse jongvolwassenen, 16 procent van de bevolking op actieve leeftijd en 12,2 procent van de ouderen leeft van een vervangingsuitkering. Maar behalve het minimumpensioen voor een alleenstaande, voor werknemers met een volledige loopbaan en het overlevingspensioen voor werk-nemers, liggen alle minimumuitkeringen onder de armoederisicogrens.”
Audrey Gueudet waarschuwt voorzichtig te zijn met de statistieken. “Door alleen inkomens te meten, kan je niet het volledige plaatje schetsen. Andere factoren als werkloosheid, slechte gezondheid, scholingstekort en slechte huisvesting worden niet weergegeven, terwijl die factoren wel bijdragen in de complexiteit van armoede.”
Door economische, sociale en culturele uitsluiting belanden mensen uiteindelijk op straat. Door te leven in armoede raken zij geïsoleerd van familie en vrienden. Als zij de weg niet meer kunnen vinden naar basisbehoeften als gezondheidzorg, huisvesting en scholing verdwijnen deze mensen uit de normale maatschappij.
Het was flink zoeken naar armoede in het rijke Brussel. Maar na de eerste onthulling blijkt dat het niet uit het straatbeeld is weg te werken. Een kwart leeft nu eenmaal onder de armoederisicogrens.