26 augustus, 2010 | Beeld: Erik Wallert | Trefwoord: europa
Het homohuwelijk en de bemoeienis van de EU
Tijdens de Amsterdamse GayPride begin augustus, laaide de discussie op of Nederland nog wel zo ‘gayfriendly’ is als vroeger. Nederland voerde in 2001 als eerste Europese lidstaat het homohuwelijk in. Later volgden België, Spanje, Zweden en Portugal. Deze landen blijven echter in de minderheid naast de andere 22 lidstaten. Europa heeft geen bevoegdheid op het terrein van huwelijks– en familierecht; alleen de nationale overheden mogen hier nieuwe wetten en regels creëren. Toch lijkt het dat de EU zich meer met dit onderwerp gaat bemoeien.
Buiten het gevoelige terrein van familie-en huwelijksrecht wordt heel veel Nederlandse wetgeving door de EU beïnvloed. Lang was onbekend hoeveel Nederlandse regelgeving eigenlijk van Europese origine is. Onderzoek van het T.M.C Asser instituut wees uit dat het gaat om 16 tot 80 procent van alle Nederlandse regelgeving (2005). Het feit dat deze getallen zo ver uit elkaar liggen komt, doordat de invloed in verschillende beleidsterreinen erg verschilt. In het onderwijs wordt namelijk slechts zes procent van de nationale wetten door Europese wetgeving beïnvloed. Op het gebied van milieu neemt dit percentage alweer toe naar 65 procent.
De invloed van Europese wetgeving op nationale regelgeving valt erg moeilijk te meten. Soms is de Europese herkomst van een nationale wet makkelijk te herkennen. Verordeningen moeten letterlijk overgenomen worden en richtlijnen stellen normen die de lidstaten dan in hun eigen wetgeving verder moeten invullen. Maar dan zijn er nog talloze –al dan niet informele– inspanningsverplichtingen of uitspraken van het Europese Hof van Justitie, die ook veel meer invloed uitoefent dan verwacht. Zo stellen sommige wetenschappers dat jurisprudentie van het Hof meer invloed heeft gehad op de vorming van de EU dan alle verdragen bij elkaar.
Terug naar het jaar 2001. Toen deden twee gerenommeerde politicologen, Gary Marks en Liesbet Hooghe, onderzoek naar de ontwikkeling van de ‘macht’ van Europa. Ze signaleerden al snel een sneeuwbaleffect. Tot de jaren zestig was Europa’s invloed gelimiteerd tot het meepraten in economisch beleid en was het creëren van nieuwe wetgeving puur bevoegdheid van de nationale overheden van de lidstaten. Maar vanaf de jaren tachtig, met de invoering van de Europese Akte, was de situatie compleet omgekeerd: geen enkele economische wet of regel was nog puur nationaal beleid. Deze ontwikkeling breidde zich uit naar andere beleidsterreinen. Pas later bleek dat wetten met een economische aard in feite ook bevoegdheden gaven om nieuwe regels op te stellen. Het recht op vrijheid van verkeer van personen was in beginsel een simpele regelgeving: iedereen binnen de EU mag gaan waar hij wilt. Maar dus ook werken waar hij wilt. Hierdoor leidde het recht op vrijheid van verkeer van personen tot ingewikkeldere en meer regelgeving over gezonde werkomstandigheden. Hetzelfde recht leidde bijvoorbeeld ook tot meer regelgeving voor het tegengaan van georganiseerde misdaad en de noodzaak van eenduidige immigratienormen. Wat Marks en Hooghe voor 2010 alleen konden voorspellen blijkt aardig te kloppen: inmiddels is er bijna geen enkel onderwerp waar de EU géén invloed op heeft.
Dit is verrassend. Een lange tijd leek het namelijk onmogelijk dat de EU ook maar iets te zeggen zou krijgen over de munteenheid, onderwijs of defensie, omdat dit de ‘kroonjuwelen’ van een nationale staat zouden zijn. Maar inmiddels heeft de EU in meer of mindere mate bevoegdheid op deze gebieden. Het is daarom aannemelijk dat de EU ook invloed zal krijgen op het summum van nationale wetgeving: het huwelijks -of familierecht.
Bij de wetgeving om het homohuwelijk gaat het niet alleen om het bestaan van een Europees recht om te trouwen als een koppel van hetzelfde geslacht. Ook de erkenning van een homohuwelijk is nog lang niet rond. In de praktijk kan dit inhouden dat de huwelijksakte van een Nederlands homo-echtpaar volgens de Italiaanse wet niks waard is.
Dit heet hangijzer kent uitgesproken voor– en tegenstanders. Tegenstanders halen het principe aan dat de EU zich niet met deze binnenlandse kwestie moet bezighouden en vrezen dat erkenning uiteindelijk leidt tot een Europese invoering van het homohuwelijk. Voorstanders van Europese inmenging vinden dat de verschillen tussen landen zorgen voor discriminatie. Wanneer een Nederlands homo-echtpaar gebruik zou maken van het Europese recht van vrij verkeer van personen, dat inhoudt dat het gezin mee mag verhuizen, en naar bijvoorbeeld Italië zou verhuizen, kan het voorkomen dat het huwelijk daar niet wordt erkend en de partner dus niet mee mag verhuizen.
Dit kan alle gevolgen van dien hebben. In 2007 oordeelde het Europese Hof van Justitie dat een homokoppel in Duitsland een levensverzekering moest kunnen krijgen. Ook al was deze verzekering eigenlijk alleen voor man-vrouw echtparen. Het Hof meende dat als het homopaar deze verzekering niet kon afsluiten, er sprake was van een directe discriminatie van seksuele geaardheid. De ingreep van het Hof was revolutionair: geregistreerd partnerschap voor homo’s werd gelijk gesteld aan een huwelijk. Dit was de indirecte 1-0 voor de voorstanders van Europese erkenning van het homohuwelijk.
In navolging van deze uitspraak deed het Europese Agentschap voor Mensenrechten (Fundamental Rights Agency – FRA) onderzoek naar de situatie van homoseksuelen in Europa (2007). De uitkomsten toonden veel kritiek. Het rapport stelde dat overal in Europa de bescherming van homoseksuelen tekort schiet, ook in Nederland. Maar de situatie in Oost-Europa werd nog zorgelijker genoemd. Vooral Bulgarije, Polen en de Baltische staten presteerden onder de maat, volgens het FRA. Verder wees het rapport op omvangrijke discriminatie op grond van geaardheid. Maar hoe vaak dit voorkomt bleef onduidelijk, omdat deze vorm van discriminatie nergens wordt geregistreerd. Daarom pleitte de FRA voor een Europees registratiesysteem, om uiteindelijk stappen te kunnen nemen tegen deze vermeende homofobie.
De Anti-Discriminatie richtlijn die op 9 april vorig jaar werd aangenomen zette een extra stapje in de richting. In deze richtlijn wordt ook discriminatie buiten de werkvloer, onder andere op grond van seksuele geaardheid, expliciet als discriminatie bestempeld. Nederlandse Europarlementariër Kathalijne Buitenweg stond aan de wieg van deze regelgeving. De maas in de voormalige Europese antidiscriminatiewetgeving was dat “iemand wel een lening mocht worden geweigerd omdat hij homo is, maar niet omdat hij zwart was”, zo stelde Buitenweg op de site Europa-nu in 2009. Maar de weg naar deze richtlijn was absoluut geen gemakkelijke. Het was een van de “meest belobbyde dossiers”, aldus Buitenweg.
Tot slot zette het Europese Hof in juni dit jaar weer een belangrijke stap. Het oordeelde over de zaak die twee Oostenrijkse mannen hadden aangespannen. Ze wilden graag trouwen, maar aangezien dit niet mogelijk is in Oostenrijk, gingen ze in beroep bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens om de mogelijkheid af te dwingen. Volgens het Hof kan de EU met artikel 12, het recht op huwelijk, geen homohuwelijk afdwingen. Het blijft aan de nationale lidstaten om dit te bepalen. Maar er werd wel gesteld dat het ontbreken van de mogelijkheid van een huwelijk voor koppels van gelijke sekse wel degelijk in strijd was met artikel 8, het recht op een gezinsleven. Anders gezegd, als er geen optie is voor een huwelijk, moet een lidstaat er op basis van het EU recht voor zorgen dat er een acceptabel alternatief is, zoals een geregistreerd partnerschap. Mensenrechtendeskundige Antoine Buyse schreef hierover op een NRC Blog: “Het gelijkstellen van geregistreerde homopartnerschappen aan 'gewone' relaties is symbolisch een erg belangrijke stap.”
Of homo’s kunnen trouwen blijft een zaak voor de nationale overheid. Althans, voorlopig. Want de EU richtlijnen en de uitspraken van het Europees Hof laten zien dat de invloed van de EU niet indirect zal blijven, zelfs op één van de meest nationale beleidsterreinen. Maar ze laten ook zien dat de EU een subtiele trend inzet, waarbij geleidelijk meer erkenning voor echtparen van het gelijke geslacht een vereiste wordt.