28 juni, 2009 | Trefwoord: iran
Iraanse burgerjournalistiek: een zege of een ramp?
Het verslaan van de Iraanse verkiezingen en de gevolgen, is voor Nederlandse media geen gemakkelijke opgave. Iraanse media worden sterk gecensureerd. Buitenlandse journalisten zijn het land uitgezet. Het mobiele telefonieverkeer is platgelegd en ook zijn vele websites uit de lucht gehaald. Echter, Iraanse burgers verstrekken via websites als Twitter en Youtube nog wel informatie over hoe de situatie in hun land is. Hoe betrouwbaar is deze vorm van burgerjournalistiek en in welke mate moeten Nederlandse media zich hierop baseren?
Media bevinden zich in een tweestrijd. Aan de ene kant willen ze objectieve, geverifieerde informatie overbrengen en het principe hoor en wederhoor toepassen. Aan de andere kant verkeren zij nu in de situatie van de verslaggeving over Iran, waarbij zij beide principes niet volledig kunnen toepassen. Deze tweestrijd heeft ook invloed op het mediagebruik. Iedereen met internet heeft nu immers toegang tot dezelfde bronnen; Twitter, YouTube en Facebook. In welke mate de gegeven informatie een volledige afspiegeling van de situatie is, moet daarbij worden ingeschat. Wie heeft de verantwoordlijkheid om in te schatten of de gegeven informatie waar is?
De vraag rijst hoe media moeten refereren naar burgerjournalistieke bronnen. Mogen deze bronnen als waar verkondigd worden of moet er altijd een slag om de arm worden gehouden? NOVA introduceerde, in de uitzending van 20 juni, nieuws door te zeggen: ‘We lezen op websites dat…’. En informatie over mensen die werden gearresteerd, werd bij NOVA gepresenteerd als ‘gehoord’.
Iedereen kan tegenwoordig een gebeurtenis filmen en deze dezelfde dag met behulp van internet de wereld in zenden. Dat media hier veel gebruik van maken, blijkt uit de items die het RTL Nieuws en het NOS Journaal afgelopen week over Iran uitzonden. In elk item werd gebruik gemaakt van burgerjournalistiek. Zij toonden amateurfilmpjes gevonden op Youtube en informeerden over berichtjes op Twitter. De presentator van Nova, Twan Huys, stelde dat het informeren over Iran onmogelijk is zonder burgerjournalistiek. "Dat er wordt gedemonstreerd komt alleen naar buiten via Youtube. We moeten ons richten op Youtube en Twitter om een beeld te krijgen." Deze opvatting wordt internationaal gedragen. Rachel Maddow, presentatrice van de Amerikaanse nieuwszender MSNBC, vat burgerjournalistiek omtrent de Iraanse gebeurtenissen positief samen. "Deze bronnen, deze wijze van online burgerjournalistiek, is opgeteld de meest uitvoerige manier om het wereldnieuws van minuut tot minuut te kunnen volgen.”
De verkregen informatie is zeer actueel en het materiaal komt van de eerste hand. Toch roept burgerjournalistiek vragen op. Is de aangeleverde informatie bijvoorbeeld betrouwbaar? Hoe ben je er zeker van dat de verkregen foto's, filmpjes en ooggetuigenverslagen niet bewerkt zijn? Je kunt stellen dat hoe meer filmpjes je van dezelfde gebeurtenis binnenkrijgt, hoe groter de kans is dat deze waarheidsgetrouw zijn. Maar wat te doen met één specifiek filmpje waarin zeer nieuwswaardige gebeurtenissen te zien zijn? Uitzenden, proberen na te gaan of deze is bewerkt, of voor de zekerheid niet uitzenden?
Verkiezingen
Op 12 juni 2009 brachten Iraanse burgers hun stem uit op de nieuwe president. Er kon gekozen worden uit vier kandidaten. Al snel werd duidelijk dat de strijd tussen de zittende conservatieve president Mahmoud Ahmedinejad en de hervormingsgezinde kandidaat Mir-Houssein Mousavi zou gaan. Ruim tachtig procent van de Iraanse stemgerechtigden ging stemmen. De dag na de verkiezingen berichtten Iraanse media dat Ahmedinejad had gewonnen. Hij kreeg 62,6 % van de stemmen, terwijl Mousavi goed was voor 33,8%.
Een uur na de sluiting van de stembussen zouden er al vijf miljoen stemmen handmatig geteld zijn. Een ondoenlijke taak, aldus aanhangers van Mousavi. Daarnaast gingen er geluiden op dat sommige stembureaus een opkomst van boven de honderd procent hadden. Dit gaf voor Mousavi aanhangers de doorslag. Er was verkiezingsfraude gepleegd. Het eerste protest vond plaats op 13 juni. Duizenden aanhangers van Mousavi demonstreerden in Teheran om hun ongenoegen kenbaar te maken. Sindsdien zijn er dagelijks protesten in Teheran waaraan volgens schattingen de eerste dagen honderdduizenden mensen deelnamen.
Door: Homayoon
Landelijke verkiezingen, mogelijke verkiezingsfraude en dagelijkse massaprotesten. Dat is nieuws. Dit zijn gebeurtenissen waar normaal gesproken honderden binnen- en buitenlandse correspondenten op afkomen en over berichten. Normaal gesproken, omdat de Iraanse regering invloed uitoefent op zowel de binnenlandse als de buitenlandse pers.
Iraanse censuur
De absolute macht ligt in Iran bij de religieuze leider. Hij heeft zeggenschap over een speciaal overheidsagentschap die de censuur van media bepaalt. Deze censuur blijkt ten voordele te zijn van het islamitische conservatieve gedachtegoed. Dit kwam bijvoorbeeld naar voren in de ruimte die geboden werd aan de campagnevoering van de presidentskandidaten Ahmedinejad enerzijds en Mousavi anderzijds. Zo was er voor Ahmedineijad volop ruimte om zijn boodschap op zowel de radio als de tv verkondigen. Deze ruimte werd niet geboden aan Mousavi. Om aan de censuur van het speciale overheidsagentschap te ontsnappen, voerde Mousavi campagne via internetsites als Facebook.
Niet alleen de campagnevoering voor de verkiezingen, maar ook de dagelijkse protesten in Teheran zijn onderhevig aan mediacensuur. Als er in Iran beelden over de kwestie worden getoond, dan zijn deze voornamelijk pro-Ahmedinejad. Toen vorig weekend de eerste protesten op gang kwamen, werden de visa van buitenlandse journalisten ingetrokken en hen het filmen op straat onmogelijk gemaakt. Televisie journalisten verlieten het land. Het mobiele telefoonverkeer werd buitenwerking gesteld en websites werden platgelegd. De Iraanse politiek heeft ervoor gezorgd dat het uitermate lastig is voor haar burgers om met de buitenwereld te communiceren.
Barrières omzeilen
Toch zijn Iraniërs niet voor een gat te vangen. Want hoewel websites als Twitter, Facebook en Youtube uit de lucht waren gehaald wisten velen via het inloggen op een buitenlandse server hier nog wel berichten op te plaatsen. Door deze vorm van communiceren hielden oppositie aanhangers elkaar up-to-date en deelden zij miljoenen foto’s, video’s en geschreven getuigenverklaringen op het internationale web. Dat het belang van netwerksites door nieuwszenders op grote waarde wordt geschat blijkt uit het citaat van de Iraanse Twittergebruiker Farinas Arjanfar in het RTL Nieuws van 16 juni: "Als we geen internet hadden, zouden we geheel niets weten van hoe de toestanden zijn." Hierbij wordt aangevuld dat "Twitterberichtjes alles is wat we weten." De netwerksite Twitter was zelf ook bewust van haar nieuw verworven macht. In Amerika werden de te verrichten onderhoudswerkzaamheden aan de site uitgesteld, totdat het nacht was in de Iraanse tijdzone.
In de media is een trend waarneembaar waarbij de belangrijkste bronnen steeds vaker online ooggetuigenverslagen en filmpjes van burgers zijn. Helemaal nu zoals in Iran andere kanalen zijn afgesloten, is het vergaren van informatie middels deze netwerksites een alternatief. Aan de journalist rest de taak te achterhalen waarom de informatie op internet is geplaatst, wanneer en door wie. Iran heeft 70 miljoen inwoners en lang niet iedereen heeft internet. In totaal hebben 23 miljoen Iraniërs toegang tot het web en hebben 45 miljoen mensen een mobiele telefoon. Bij veel filmpjes die zij op Youtube zetten is niet na te gaan waar en wanneer zij zijn opgenomen. Er staat vaak geen datum en tijd bij en het is onzeker hoeveel dagen na opname het materiaal is geupload.
Dat informatie op het internet een eigen leven kan gaan leiden blijkt uit het nieuws rondom Neda Agha Soltan, de 27-jarige studente die tijdens een demonstratie om het leven kwam. Het Reformatorisch Dagblad beschreef hoe de foto van iemand anders het wereldnieuws haalde: “Dr. Amy L. Beam, een Amerikaanse consultant in de it-sector, zag op 21 juni de tv-beelden van demonstraties in Iran. ‘Nieuwslezers bleven herhalen dat het een ‘Twitterrevolutie’ was geworden. Ik had Twitter nooit gebruikt om naar nieuws te zoeken, maar dit haalde me over.’ Via Twitter vond ze Hameds video – waarop te zien is hoe Neda Agha Soltan overlijdt. Deze Hamed had van Iraanse vrienden de opnames ontvangen en plaatste die vanuit Nederland op verschillende internetsites (red.). Nog maar 120 mensen hadden hem gezien. Beam nam contact met Hamed op. ‘Hij dacht dat haar naam Neda Soltani was.’ Beam zocht op facebook en vond een vrouw met die naam. ‘Ik ben niet degene die je zoekt’, schreef deze persoon echter. Soltani stelde zelf ook een onderzoek in. De informatie die ze vond, plaatste ze op de facebookpagina van Beam. Facebook plaatst een profielfoto naast elk bericht. Mensen die Neda Soltani’s informatie zagen, namen automatisch aan dat haar foto, een gezicht omlijst door een gekleurde hoofddoek, die van de neergeschoten vrouw was. Soltani’s foto verspreidde zich vervolgens als een virus over de wereld. Hij verscheen op websites, spandoeken en plakkaten. Zelfs nieuwsmedia gebruikten hem. Zij werd het ‘gezicht’ van de revolutie. De hevig geschrokken Soltani schreef Beam: ‘Om je de waarheid te zeggen, ik ben erg bang.’”
Naast de daadwerkelijke actualiteit en correctheid van de informatie op internet is het ook belangrijk om te weten waarom die informatie er staat. Iran kent een grote historie met veel politieke bewegingen, tegenbewegingen en bannelingen van verschillende regimes. De huidige protesten worden in de media gereduceerd tot de strijd tussen twee kampen. Pro-Ahmadinejad versus pro-Mousavi. Maar in werkelijkheid zijn er in de straten van Teheran veel meer stromingen die ieder een eigen doel voor ogen hebben voor de toekomst van Iran. Bij betogingen in Los Angeles, Parijs en Den Haag is de politieke verscheidenheid waarneembaar in de Iraanse vlaggen die daar worden gedragen. Drie verschillende symbolieken zijn in die vlag te herkennen: De basisvlag is een driekleur van horizontale banden in groen, wit en rood. Deze staan voor de islam, vrede en moed. Een tweede vlag werd gebruikt tijdens het regime van de sjahs, van 1964 tot 1979. Aan de driekleur werd toen een leeuw met een zwaard toegevoegd, die symbool staat voor het Perzische Rijk. Een derde variant werd door ayatollah Khomeini gedurende de Islamitische Revolutie van 1980 ingevoerd. De leeuw werd vervangen door islamitische tekens, die meerdere betekenissen hebben, maar onder andere staan voor Allah. Uit deze symboliek op de vlaggen blijkt dat er meerdere stromingen actief zijn. Het is dan ook goed mogelijk dat aanhangers van een bepaalde stroming propaganda via internet verspreiden en geen objectieve informatie.
Met deze informatie in het achterhoofd kan het aangeboden materiaal van burgers, via Youtube en Twitter of Facebook, kritischer worden bekeken. Hierbij moet duidelijk worden of en welke aangeleverde informatie van burgers wordt gebruikt en hoe media hieraan dienen te refereren. Het is van groot belang dat media hun richtlijnen hieromtrent delen met hun publiek. Deze richtlijnen kunnen duidelijkheid verschaffen in welke mate de gegeven informatie volledig, objectief en geverifieerd is. Zodoende weten zowel media als haar gebruikers waar ze aan toe zijn.