16 september, 2020 | Auteur: Casper Rouffaer | Trefwoord: nederland
Jagen op mijnen en miljarden
Bezuinigingen leidden in het afgelopen decennium tot een boeggolf van uitgestelde miljardeninvesteringen om de Nederlandse marine te moderniseren. Inmiddels is een inhaalslag gaande. Koopt Nederlandse waar als de nationale veiligheid in het geding is, luidt het devies van de overheid. Waarom ging de Belgisch-Nederlandse miljardenorder voor mijnenjagers vorig jaar dan tóch naar een consortium geleid door het Franse Naval Group?
“Ik begrijp de frustratie in Nederland, en dat zeg ik ook tegen Naval. Het is de eerste keer in 500 jaar dat Nederland gaat varen met schepen die niet in eigen land gebouwd zijn.” Aan het woord is Georges Heeren, tot oktober 2016 commandant van de Belgische zeestrijdkrachten en nu directeur bij branchevereniging Belgian Security and Defence Industry. De afspraken tussen België en Nederland hierover zijn volgens hem “niet compatibel (verenigbaar, red.) met de Nederlandse parlementaire procedure. Je kunt een Belgische regeringsbeslissing niet aan het Nederlandse parlement voorleggen”.
Één van de grootste marinebouw-orders ooit
In maart 2019 maakte het Nederlandse ministerie van Defensie de keus voor Naval Group bekend. Deze was als winnaar uit de bus gerold bij de door België geleide, Europese aanbesteding van twaalf mijnenjagers, waarvan zes voor Nederland. De order van in totaal 2 miljard euro is een van de grootste marinebouw-orders die het ministerie van Defensie ooit heeft geplaatst. Het resultaat van de aanbesteding staat haaks op de intentie uit de vernieuwde Nederlandse Defensie Industrie Strategie van november 2018 om bij toekomstige aanbestedingstrajecten voor Nederlandse leveranciers te kiezen, als men dat ‘in het belang van onze nationale veiligheid’ acht. Toen deze strategie werd uitgebracht, was het verzoek om offertes voor de mijnenjagers vijf maanden de deur uit. Een consortium onder leiding van het Nederlandse Damen viste achter het net, evenals het Frans-Belgische consortium Sea Naval SolutionsHet eindbod van het consortium geleid door Naval Group, dat voor 62% in handen is van de Franse staat, bleek plotseling verlaagd met tweehonderd miljoen euro. Het ongebruikelijk grote verschil met de twee hogere, dicht bij elkaar liggende biedingen van de andere consortia riep veel vragen op.
Hoe kwam de keus uiteindelijk uit bij het Franse Naval? Daarvoor moet je eerst terug naar 2016. In dat jaar tekenden de Defensieministers van België en Nederland een intentieverklaring om te gaan samenwerken bij de vervanging van zestien schepen: voor elk land naast zes mijnenbestrijdingsvaartuigen ook twee fregatten. Dit zijn grotere schepen voor oppervlakte-oorlogsvoering op zee en onderzeebootbestrijding, met ook een eigen luchtverdediging aan boord. Deze gezamenlijke order ter waarde van ongeveer €4 miljard euro zou schaalvoordelen opleveren bij aanschaf, maar later ook bij onderhoud, operaties en training van personeel. Hiermee was al ruime ervaring opgedaan tijdens de bestaande, decennialange samenwerking tussen de twee marines (‘BENESAM’). Bij de vervanging van de fregatten kreeg Nederland de leiding; België bij die van de mijnenbestrijdingsvaartuigen. Nederland besloot de bouw van de fregatten nationaal en zonder concurrentiestelling aan te besteden. De Europese regels staan dit toe als landen vinden dat de nationale veiligheid in het geding is. België besloot echter om de mijnenjagers Europees aan te besteden. Vanaf dat moment kon Nederland rekening gaan houden met de mogelijkheid van gunning buiten de Lage Landen.
De gouden driehoek
Voor Nederland zou dat een omslag betekenen. Marineschepen werden in de regel in eigen land gebouwd, en met succes. In juni 2018 verscheen een onderzoeksrapport van adviesbureau Triarii, opgesteld in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken. “De schepen van de Nederlandse marine zijn in internationaal opzicht van hoge kwaliteit, in technologisch opzicht geavanceerd en ontwikkeld en gebouwd tegen relatief lage kosten”, zo stelt het Triarii rapport. De auteurs schrijven dit succes voor een belangrijk deel toe aan de ‘gouden driehoek’: het marinebouw-samenwerkingsverband tussen Defensie, industrie en kennisinstituten zoals TNO en Marine Research Institute Netherlands. “Nederland heeft altijd voor een dubbeltje op de eerste rang gezeten”, vat een ingewijde samen.
Is er door Nederland dan niet geprobeerd in een vroeg stadium met België af te spreken om de aanbesteding van de mijnenjagers binnen de landen van het BENESAM-samenwerkingsverband te houden, bij een combinatie van de Belgische en Nederlandse industrie? André Bosman, lid van de Tweede Kamercommissie Defensie namens de VVD, reageert hierop: “Het probleem is dat als je parlementair gaat eisen dat het een Nederlandse deal moet worden, het de vraag is welke waarde het gunnen van het verwervingstraject aan België dan nog heeft. De Belgen hebben ook niet tegen ons gezegd: er moet wat van die fregatten naar België.”
Onvoldoende impact
Georges Heeren laat echter weten dat er in het begin wel enkele ‘pitch & matchmaking events’ zijn geweest om de Belgische en Nederlandse industrie elkaars capaciteit beter te laten leren kennen. Die hadden echter onvoldoende impact: “Waren we in een vroeg stadium in staat geweest een consortium te vormen, waarbij wij zouden kunnen aantonen dat er een wezenlijke return is naar de Belgische industrie, dan hadden we misschien de Belgische politieke wereld kunnen overtuigen om niet in een Europese aanbesteding te komen. Het scheepsbouwcluster in Nederland is sterk, die had de lead moeten nemen. De Belgische industrie is daartoe niet in staat. Dat is geen verwijt, maar enkel een vaststelling.”
Dit is een aangepaste, verkorte versie van een artikel dat Casper Rouffaer schreef tijdens zijn opleiding bij Open Eyes, vakschool voor onderzoeksjournalistiek en dat gepubliceerd werd door Follow the Money. Klik hier voor het uitgebreide artikel, waarin onder meer te lezen is hoe de parlementaire controle op de aanbesteding verliep.