29 december, 2007 | Auteur: Geesje van Haren | Trefwoord: frankrijk

Kerst in Calais met Nieuwjaar naar Engeland

“Schrijf je mijn naam ook op?” vraagt Jango (22 jaar) uit Kirkuk. Op eerste kerstdag zit hij in de kou bij een klein kampvuurtje. Jango is gevlucht uit Noord-Irak en probeert naar Engeland te reizen. Zijn op één na laatste halte is Calais, de stad waarvandaan de boten, vrachtwagens en bussen naar Dover vertrekken. Daar zal hij na Nieuwjaar weer proberen in te klimmen. In Calais zit Jango nu, met meer dan vierhonderd andere vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika, hongerig en koud te wachten op zijn kans op de overtocht.

Het is een vreemde gewaarwording, al die jongeren in de leeftijd van 14 tot 25 jaar die net als Jango zitten te wachten. Ze groeperen samen op een voormalig parkeerterrein. Op de koude, zanderige, grond vol kiezelstenen klitten ze in groepjes bij elkaar. Langs het terrein loopt een kanaal en aan de andere kant groeit een twee meter hoge heg langs een oude spoorlijn. Daarachter loopt een straat met aan de overkant woonhuizen. De mensen die daar wonen hebben, als ze hun gordijnen opendoen, uitzicht op al die jongens. Als ze hun gordijnen opendoen, want het is vroeg in de ochtend van eerste kerstdag en Calais maakt een uitgestorven indruk. De Fransen hebben op deze regenachtige dag geen reden om buiten te komen.

Op 30 december 2002 sloot het Sangatte asielzoekerscentrum van het Rode Kruis in Calais op bevel van de overheid. Sindsdien zwerven de migranten door de stad. President Sarkozy was toen nog minister van Binnenlandse Zaken. Met zijn Britse collega David Blunkett bereikte hij begin 2002 een akkoord voor verscherpt toezicht in de havens van Calais, Duinkerken en Dover om de illegale migratiestromen tegen te gaan. Met de sluiting van Sangatte moest de aanzuigende werking afnemen. De douane werd uitgerust met betere technische middelen en bij de in- en uitgang van de autotunnel zou beter worden gecontroleerd.

Silvie Copyans komt in kerstkleding het terrein oplopen. Zij werkt voor de hulporganisatie Stichting Salam. “Salam is niet religieus en ook politiek niet afhankelijk. De organisatie bestaat dankzij giften van mensen in het land. Er zijn 161 vestigingen van Salam in Frankrijk. We proberen de vluchtelingen zoveel mogelijk te helpen. Voornamelijk met kleding en voedsel, maar ook met medische zorg en nu en dan met de nazorg na overlijden,” vertelt zij.

Salam deelt sinds december 2002 iedere dag op vaste tijden eten uit aan de jongens. Aan de primaire levensbehoeften; water, voedsel en een dak boven het hoofd, wordt daarmee gedeeltelijk voldaan. Het dak boven het hoofd krijgt Salam door politieke tegenwerking niet geregeld.

Twee Koerdische jongens komen kwaad aanlopen. “Zet dit op de foto!” roept er één in het Engels. “Die gast uit Eritrea heeft hem met een steen op zijn hoofd geslagen,” zegt de Koerd wijzend op het achterhoofd van zijn makker. “Kom, we moeten naar de politie,” vervolgt hij als de foto’s zijn genomen. Ze lopen door naar de politiewagen die naast het parkeerterrein de hele dag een oogje in het zeil houdt. Binnen mum van tijd stoppen daar vier extra politieauto’s. De agenten praten met de jongens en na een half uur arriveert er een ambulance om de hoofdwond te verzorgen.

De Afghaanse Mustafa van 18, legt uit waarom er wordt gevochten: “We haten elkaar niet, maar we blijven wel bij elkaar uit de buurt. Dat komt door het cultuurverschil. Soms zijn de jongens hun emoties niet de baas en sommigen gaan dan vechten. Dat is stom,” zegt hij. Het kampvuurtje achter hem gaat langzaam uit, er is geen nieuw hout om het weer aan te maken. De Afghanen kruipen dicht tegen elkaar aan. “We hebben hier gisteravond kerstfeest gevierd. Salam had voor muziek gezorgd en er werd gedanst. Dat was leuk. We moeten nog een paar dagen wachten tot na Nieuwjaar. Dan vertrekken de trucks met de goede trailers weer naar Engeland,” aldus Mustafa.

“Zo’n zestig mensen bereiken iedere week de overkant van het zeekanaal,” vertelt Sylvie Copyans. “Deze jongens hebben een grote kans om in Engeland te geraken. Daarom zijn ze hier.” Het is bijna twee uur ’s middags. Voor de bouwkeet op het terrein vormt zich een rij. Daar wordt straks eten uitgedeeld. Er zijn op dat moment zo’n driehonderd jongens en enkele meisjes op het terrein.

De vluchtelingen komen ruwweg uit vier verschillende regio’s. Bij de ingang van het parkeerterrein zitten de Afghanen. De groep van Jango, de Koerden uit Noord-Irak, verblijven aan de waterkant en op het middenterrein houden de Afrikanen uit Eritrea en Sudan zich warm bij hun vuurtje. De vierde groep is een mengelmoes van culturen. Op een verharde betonnen plaat is een provisorisch voetbalveldje, waar de jongeren zich warm houden door een partijtje te doen. Dat gaat er erg hard aan toe.

De Afghanen zijn erg gastvrij. Mustafa (18), Ali (15), Agmel (17), Shafie (14), Ganadgul (22), Jusef (19), Ahmed (17) en Shafie (18) vertellen graag hun verhaal. De meesten spreken goed verstaanbaar Engels. Zij zijn erg positief over hun situatie. Zij hebben al heel wat meegemaakt. Naar eigen zeggen kochten zij maanden geleden voor zo’n twintigduizend dollar hun tocht van Afghanistan naar Engeland. Door Iran, over de bergen naar Turkije, met de boot naar Griekenland, nogmaals met de boot naar Italië en met de trein of in vrachtwagens bereikten zij Calais. Zij balen van de kou en de honger, maar in Engeland zal alles beter worden. Dat weten ze zeker.

De Koerden hebben argwaan, Mohamed van 25 wil wel tolken. Hij lijkt net een student, met zijn capuchontrui onder zijn te strakke jas die lijkt op een ribcolbert. In zijn schoudertas zou hij boeken kunnen bewaren, maar dat is niet zo. In die tas zit alles wat hij bezit. Mohamed stelt zijn vrienden voor; “Abdullah van 15 komt uit Bagdad, Adul Rahman is 22 jaar en komt uit Kirkuk en daar zit Asgar, de jongste van onze groep, hij is 14 jaar oud.”

“Schrijf je mijn naam ook op. Mag ik over mijn leven vertellen?” vraagt de spraakzame Jango van 22 uit Kirkuk. Algauw blijkt dat Jango maar één ding wil vertellen: “Mijn leven in Kirkuk was slecht, nu ben ik hier. En,” hij zucht heel diep, “En nu is mijn leven ellendig.” Deze zin herhaalt hij nog een keer of vijf, steeds met de diepe zucht op hetzelfde moment, dan duwen de anderen hem weg. De Koerden ondergaan hun verblijf in Calais aanzienlijk minder positief dan de Afghanen.

De groepen Afghanen en Koerden bestaan uit alleen jongens, tussen de Afrikanen bevinden zich ook meisjes. Bij de enige kraan op het terrein, een brandkraan waar een grote straal ijskoud water uitkomt, staan mensen zich te wassen. Iemand uit Eritrea komt aanlopen. Hij wil zijn naam niet bekend maken. “Ik verwacht niet dat mensen uit onze groep op de foto willen,” zegt hij. “We hebben thuis verteld dat we een goed leven hebben in Europa, dat het geld dat onze families hebben betaald voor onze vlucht een goede besteding was. Het zou een schande voor onze familie en het dorp zijn als zij een foto van ons in deze situatie op het internet of in de krant zien.”

Sommige jongens zijn hier net, anderen zitten al drie maanden op het parkeerterrein. Aan de kleur van hun mutsen kun je zien wie hier het langst zijn. De hulporganisaties delen zoveel mogelijk kleding uit tegen de kou. De groene mutsjes zijn erg vies, dat wijst op veel uren straatleven. De blauwe en rode mutsjes zien er veelal nog erg schoon uit, die jongens vertellen dat zij de afgelopen twee weken zijn gearriveerd. Hun eigendommen dragen ze in een wit plastic zakje bij zich. Tijdens het voetballen hangen die tasjes netjes op een rij aan het hek bij de betonplaat.

De anonieme jongen zegt dat hij in Eritrea heeft gestudeerd voor arts. Hij legt uit waarom hij gevlucht is: “Door de onstabiele politieke situatie is er in mijn land geen toekomst voor jongeren van onze generatie. Het grensconflict met Ethiopië is beëindigd, toch is de dreiging en het wantrouwen over en weer nog lang niet voorbij. Sinds het einde van de laatste oorlog met Ethiopië in 2000 is er weinig werk. En voor die tijd werden we alleen opgeleid om te vechten voor ons land.”

“We hebben een heel groot probleem met de jongeren uit Eritrea,” vertelt Sylvie Copyans. “De jongens uit Koerdistan en Afghanistan weten wel te overleven in de kou. Die kennen het koude weer van de strenge winters in eigen land. De laatste tijd neemt het aantal Eritreeërs toe, zij kennen thuis gemiddelde temperaturen van twintig tot dertig graden. De meesten hebben nooit vrieskou ervaren. Zij weten niet wat hen hier overkomt. Het is voor ons heel moeilijk hen op temperatuur te houden.” Niet alleen het weer is een probleem. Sylvie Copyans loopt met een velletje papier in haar hand waarop de naam van een Eritrees meisje staat dat is verdwenen. Copyans probeert te achterhalen of iemand haar de laatste dagen heeft gezien.

Op een andere manier maakt Sylvie Copyans zich ook zorgen over de Afghanen. Omdat zij op steeds jongere leeftijd de vlucht naar het westen maken, zijn er steeds meer echte kinderen om te verzorgen. Al decennia lang worden Afghaanse jongens uit de meer welvarende families naar het westen gestuurd om te werken. Meisjes moeten thuisblijven. Zoals gezegd wordt er zo’n twintigduizend dollar betaald voor de gevaarlijke reis. Engeland is aantrekkelijk omdat de taal betrekkelijk eenvoudig is, gemiddeld leren zij elkaar in drie maanden Engels. Daarnaast is er vaak een neef of ander familielid die al in Engeland verblijft. Dat blijkt in veel gevallen ook degene te zijn die het geld bij elkaar heeft gewerkt en gespaard voor de volgende migrant.

Het is twee uur. Etenstijd. Tenminste, dat zou het moeten zijn. De rij voor de bouwkeet is flink gegroeid. Als de deur opengaat, kijken de hulverleners triest naar de rij. “Er is maar voor 120 mensen eten,” verklaart Sylvie Copyans’ man. Er is dus niet genoeg voor alle vierhonderd mensen. “Dan moeten we vanavond extra eten uitdelen,” zegt Sylvie Copyans en zij haalt haar schouders op.

Alles zit tegen. Copyans vertelt over een jongen die een week daarvoor werd doodgereden toen hij schrok van de sirene van een politiewagen en uit angst in paniek raakte en de snelweg overstak. “Ik probeer zijn lichaam naar zijn familie in Irak te sturen. Ik weet waar hij naartoe moet, maar omdat zijn papieren ontbreken, lukt het niet. Hij ligt nu al twee weken in het mortuarium.”

Ondertussen is er geduw en getrek bij de bouwkeet. De achterste jongens uit de rij zijn naar voren gerend om toch eten te bemachtigen. Het doet denken aan televisiebeelden van vluchtelingenkampen in Darfur of Libanon, waarop mensen zich om trucks van de Verenigde Naties heen dringen voor drinkwater of een voedselpakket.

In Calais wordt droog stokbrood, blikjes sardines, drinkpakjes en voorverpakte cakejes die over de datum zijn uitgedeeld. Salam heeft een afspraak met een bakker in de buurt die zijn ‘afval’ afstaat aan de stichting. Als de deur van de bouwkeet sluit, hebben de sterkste jongens heel veel cakejes. Verslagen lopen de minder sterken weg zonder iets gegeten te hebben.

Sylvie Copyans vertelt een ander triest verhaal dat een maand geleden heeft plaatsgevonden. “Een jongen van twintig had 1.050 euro betaald aan een smokkelaar die een truck aanwees waarmee hij naar Engeland kon. Een aantal jongens verstopte zich onder de truck. Op de snelweg bleek dat die naar België reedt. De verkeerde kant op. Zij klopten tegen het staal om de chauffeur te doen stoppen. Dat hoorde hij natuurlijk niet. Daarop gooiden ze een jas op de weg zodat medeweggebruikers hem konden seinen. Dat lukte. Toen de vrachtwagen stil stond, renden ze allemaal weg. Op één na, de jongen van twintig zat met zijn broek vast in de draaias van het wiel. De bang geworden chauffeur wilde zo snel mogelijk wegwezen, hij gaf gas waardoor het been van de jongen werd verbrijzeld.” Aldus Copyans.

De stichting Salam zamelde geld in om het been van de jongen in het ziekenhuis van Lille te laten amputeren. Sylvie Copyans vertelt dat dit 4.700 euro kostte. Nu is de jongen in het ziekenhuis van Duinkerken. Hij zou moeten revalideren, maar daar is geen geld voor. Of hij nog iets kan betekenen in Engeland betwijfelt ze. Terug naar zijn familie kan hij volgens haar niet. “Ik weet niet wat we nu voor hem moeten doen,” zegt ze.

Ze is erg kwaad op de burgemeester van Calais: “Jacky Henin is een communist, toch sluit hij zijn ogen voor deze mensen. We krijgen bij hem niets voor elkaar. Hij negeert dit probleem alleen maar om de verkiezingen voor burgemeester te winnen.”

De beruchte slaapplek van de jongens heet de ‘Jungle’. In een bosgebied op een half uur lopen van het parkeerterrein slapen de jongens in zelfgemaakte hutten. Henin heeft daar twee grote bouwketen neergezet waarin mensen kunnen slapen. Het is te gevaarlijk om daarheen te gaan. “De leider is daar nu niet,” verklaart Mustafa. “Als hij niet aanwezig is, kunnen wij geen vreemden meenemen naar die plek. Er is in de twee bouwketen lang niet genoeg ruimte voor ons allemaal. Velen slapen in de struiken eromheen. De politie jaagt die mensen ’s nachts op. Ik ga vanavond ergens anders slapen. Alleen. Dat is het beste.”

Om half zeven ’s avonds wordt er weer eten verstrekt. Dit keer wordt het bij een loods in de buurt van de vuurtoren uitgedeeld. De honderd meter lange loods heeft aan de zijgevel een perron met een afdak, daar staan de jongeren weer in een lange rij. Het is donker en het regent hard. Van het afdak valt een regengordijn naar beneden. Voetje voor voetje schuifelen jongens en meisjes naar voren waar Sylvie Copyans zich met haar man, haar zoontje en nog zeven vrijwilligers van Salam heeft opgesteld achter hele grote pannen met eten. Dit beeld doet denken aan de televisiebeelden van rijen mensen voor de gaarkeukens in de voormalige Sovjetstaten.

Iedereen krijgt een bordje macaroni met twee sneetjes brood. Zodra ze dat in handen hebben, moeten ze met het bordje door het regengordijn heen en van het perron afspringen om het aan de overkant staand in de openlucht op te eten. Daarbij moeten ze opletten dat ze niet met hun bordje tegen een voorbij rijdende auto aanstoten.

De jongens zijn tevreden, ze genieten van het eten en zeggen dat het genoeg is om de honger te stillen. Als de rij is geslonken wordt er een grote vierkante stalen bak in de regen neergezet. De jongens vliegen erop af. Met een plastic bekertje scheppen ze hete thee uit de bak. De regen vult de warme drank gestaag aan. Naast de eetplek staan twee grote vuilcontainers voor de bordjes en de plastic vorken en bekertjes. De containers puilen aan het eind van de avond uit.

Er komen bakken met waterflessen uit de bus van Salam. Iedereen vliegt er weer op af en weer geldt de wet van de sterkste, want sommigen lopen met twee flessen weg en anderen met lege handen. Langzaamaan verdwijnen de jongeren. Sylvie Copyans maakt de balans op. “We hebben vanavond vierhonderd mensen te eten gegeven,” zegt ze. “Soms is dit werk zo zwaar. De afgelopen vijf jaar hebben we veel dankbaar werk verricht. Nu zit ik even in een dip. Schoenen, die moeten we weer zien te versieren. Die jongens lopen zoveel dat hun zolen snel slijten. Volgens mij ben ik aan vakantie toe. Zij gaan allemaal naar Engeland. Ik niet, ik ben altijd hier.”

Doneren

Door deze investering zorg ik ervoor dat de maker de volgende journalistieke productie realiseert.







Draag bij aan onafhankelijke makers

Onafhankelijke journalistiek begint bij makers die de tijd nemen om te luisteren, onderzoeken en verhalen menselijk te maken. Bij Small Stream Media staan die makers centraal: dichtbij, betrokken en vrij van commerciële druk. Met jouw bijdrage kunnen zij blijven publiceren, verbanden leggen en nieuwe stemmen laten horen. Je helpt eerlijke verhalen boven water te krijgen die anders onzichtbaar blijven. Draag bij aan onafhankelijke makers en bouw mee aan een platform waar kwaliteit, vertrouwen en impact voorop staan voor iedereen die betrokken is.