6 april, 2014 | Trefwoord: rwanda
'Het feit dat iemand luistert, helpt veel mensen al'
Twintig jaar na de genocide zijn de trauma's van veel mensen in Rwanda nog steeds niet verwerkt. In het land zijn nauwelijks psychologen, daarom helpen de mensen in de dorpen elkaar. In Dialogue Clubs leren daders en slachtoffers over de gebeurtenissen te praten en elkaar te vergeven.
Samuel Hatangimana heeft de afgelopen vijf jaar tientallen moordenaars gesproken en verhalen gehoord over martelingen waar hij niet meer van kon slapen. Hij is leider van een gespreksgroep in Kinyinya, een dorp ten noorden van de Rwandese hoofdstad Kigali. Daders en slachtoffers komen hier bijeen om met elkaar te praten.
Op 6 april 1994 werd het vliegtuig van de Rwandese Hutu president Juvénal Habyarimana neergeschoten. In de honderd dagen daarna werden bijna een miljoen mensen om het leven gebracht. Leden van de Hutu-meerderheid wilden de Tutsi's en de gematigde Hutus's in Rwanda uit roeien. De genocide heeft het land en de samenleving verwoest. Nu, twintig jaar later, bestaat de kloof tussen de bevolkingsgroepen nog altijd.
Hatangimana staat in de schaduw van een wit gebouw. Mensen stromen achter hem naar binnen, of blijven staan kletsen. Hij kent de mensen en hun verhalen. In het dagelijks leven is Hatangimana schoolhoofd. Een aantal jaren geleden wilden kinderen uit een slachtoffergezin vaak niet met kinderen van daders in hetzelfde leslokaal zitten, zo ontstond bij hem het idee om de dialoog tussen de partijen te bevorderen. Ook op school laat Hatangimana de leerlingen veel met elkaar praten. “Sindsdien is het beter”, zegt hij. “We moeten de angst wegnemen en leren weer met elkaar te leven.”
De organisatie International Alert ondersteunt het schoolhoofd in zijn project en heeft hem opgeleid tot vrijwillig gespreksleider. Dialogue Clubs bestaan inmiddels in 48 dorpen en op 17 scholen in Rwanda. Dialogen moeten de verzoening bevorderen en een nieuwe geweldsuitbarsting tegen gaan. Volgens International Alert is het risico op een nieuwe escalatie, zoals twintig jaar geleden, nog altijd groot. Vooral in dorpen in het westen van het land, ver weg van Kigali, zijn mensen bang dat een kleine gebeurtenis opnieuw tot groot geweld kan leiden. Sommige durven nog steeds niet naar hun huis terug te gaan uit vrees voor wraak of nieuw geweld.
Elke woensdagmiddag komt de praatgroep in Kinyinya in een grote zaal bijeen. Hatangimana begint het gesprek met een gebed, een verhaal uit de bijbel of een actueel onderwerp uit de krant. Ongeveer dertig mensen zitten op banken en luisteren. Het zijn oude vrouwen in lange, kleurrijke kleding en jonge meisjes in spijkerbroeken. Mannen die iemand hebben vermoord naast vrouwen die werden verkracht. Iedereen die zijn ervaring wil delen, mag opstaan en zijn verhaal doen. Het is stil. Hatangimana en de anderen luisteren als iemand aan het woord is. “Het is niet mijn taak om te oordelen”, zegt hij als de deelnemers weg zijn.
Ook Bernadette Mukankusi, een vrouw van ongeveer zestig jaar, komt regelmatig naar de groep. Zij was toevallig niet thuis toen daar in april 1994 een groep mannen langs kwam. Toen Bernadette in de middag thuis kwam vond ze haar familie vermoord in huis terug. “Natuurlijk weet ik wie het was”, zegt ze. In een Afrikaans dorp bestaan geen geheimen, mensen kennen elkaar. Bernadette denkt dat het de buren waren.
De genocide heeft niet alleen bij Bernadette het vertrouwen vernietigd in mensen die ze al jaren kende. Het onverwachte, brutale misbruik van vertrouwen heeft gevolgen op grote schaal. Uit onderzoeken van onder andere een Rwandese vrouwenrechten organisatie blijkt dat tot wel tachtig procent van de overlevenden symptomen van een trauma hebben.
Gezien er in Rwanda nauwelijks psychologen zijn, kunnen zowel daders als slachtoffers met psychologische problemen vaak nergens hulp krijgen. In 2005 was er één psychotherapeut in het hele land, in 2008 waren het er drie. En dat terwijl de psychologische gevolgen van de genocide voor het land enorm zijn. Hatangimana wil met de praatgroepen individuen helpen om de trauma's te verwerken: “Het feit dat iemand luistert, helpt veel mensen al.”
Dat onder de bevolking op grote schaal sprake is van een trauma, is ook terug te zien in de taal. Het Kinyarwandees, de officiële taal in Rwanda, heeft een nieuw woord erbij gekregen. 'Ihahamuka' betekent letterlijk 'zonder long'. Mensen die herinnerd worden aan de gebeurtenissen van 1994 beginnen zwaar te ademen. Velen kunnen geen militairen in uniform zien omdat ze zagen hoe soldaten hun gezin vermoordden.
Toch groeit in Kinyinya het besef dat de dorpsbewoners, ongeacht hun achtergrond, samen moet werken aan de toekomst. Bertrand Shami was een jaar oud toen de genocide plaatsvond. Met andere jongeren uit de groep is hij een coöperatie begonnen om gezamenlijk groente te verbouwen. “Het maakt niet uit wie Hutu of Tutsi is, maar samen kunnen we iets bereiken”, zegt hij. Ook oudere generaties proberen de draad weer op te pakken. Bernadette zegt dat de gespreksgroep haar heeft geholpen. Ze is rustiger, minder angstig en minder boos. “De dader van toen heeft verklaard een fout te hebben gemaakt. Hij stond op en heeft voor de groep om vergiffenis gevraagd”, vertelt ze. “Het was moeilijk om te accepteren, maar we moeten verder.”