14 januari, 2012 | Auteur: Edward Geelhoed | Beeld: Fernando Donasci | Trefwoord: brazilie
'Siciliaanse maffia' is het echte probleem van Rio de Janeiro
De politie van Rio de Janeiro toont zich minder moordlustig, zo lijkt het. In ieder geval tijdens de momenten wanneer de wereldpers haar vergrootglas op de stad legt. Tegelijkertijd explodeert verkapt politiegeweld in de vorm van milities, die steeds meer sloppenwijken hun genadeloze wetten opleggen.
Een novemberdag in Rocinha. Een eenheid van de federale politie zit rustig te lunchen aan de rand van Rio de Janeiro’s grootste favela, of sloppenwijk. Een agent, volledig gehuld in imposant zwart, laat zijn ham-kaasbroodje rusten op de loop van zijn machinegeweer. Hij oogt alert en ontspannen tegelijk, evenals zijn collega’s van de civiele en militaire politie die door de met stroomkabels behangen straten patrouilleren. De honderdduizend bewoners lijken het wapenvertoon te negeren, ongestoord vullen ze de terrassen of slenteren onbevangen langs groepen agenten. De voorgaande nacht vond een grootschalige inval plaats. Drieduizend zwaarbewapende troepen trokken de wijk binnen, op zoek naar wapens en drugsdealers.
Rocinha is als negentiende favela gepacificeerd. Decennialang diende de bevolking te leven naar de wetten en grillen van de drugsbendes, de staat ontbrak er volledig. Nu de overheid uiteindelijk haar gezicht toont, rekent de bevolking op basisvoorzieningen en veiligheid. De plannen over de inval lekten twee weken van tevoren uit, waarna de drugsdealers probeerden te ontsnappen. Bendeleider Antônio Bonfim Lopes, bijgenaamd Nem, werd bij een uitgang opgepakt, verschanst in een kofferbak. 400.000 euro bood hij nog, maar de agenten weerstonden dit keer de omkooppoging.
Op jaarbasis vloeit er zo’n twintig miljoen euro richting de politie, de helft van Lopes’ drugsomzet. Waar in het verleden de politieacties regelmatig uitliepen op ongekende moordpartijen, weerklinkt er in Rocinha geen enkel schot. Confrontaties blijven uit, de bewapende bendeleden zijn van het straattoneel verdwenen. Zij hebben hun wapens verborgen in de bergen of zijn naar ongepacificeerde wijken gevlucht.
Nanko van Buuren beweegt zich al een kwart eeuw door de sloppenwijken van Rio, consciëntieus de tientallen projecten nalopend die zijn niet-gouvernementele organisatie IBISS heeft uitstaan. Wellicht is hij Rio’s meest gerespecteerde man in de favela’s, hij kent de huidige generatie bendeleiders al vanaf hun geboorte. “De drugshandel komt al snel terug in de gepacificeerde wijken, alleen de wapens blijven achterwege”, merkt de zestiger op. Zijn werk werd onlangs bekroond met de Desmond Tutu Reconciliation Fellowship-prijs. “Wat een probleem wordt, is dat de hiërarchie wegvalt nu de drugsbendes het niet meer openlijk voor het zeggen hebben. De conflicten tussen favelabewoners nemen toe. Vroeger velde de leider een oordeel, nu is het stuurloos geworden. Er zijn meer vechtpartijen, er wordt onderling gestolen. Tot een paar jaar geleden was dat ondenkbaar. Bij een verkrachting regelde de baas een openbare executie, nu zijn de regels van de drugsbendes vervangen door wetteloosheid.”
Stadspropaganda
Het pacificatieprogramma dient echter ook een hoger doel dan alleen de staatsinvloed heroveren: Rio de Janeiro moet zich in volle glans aan de wereld etaleren tijdens het wereldkampioenschap voetbal in 2014 en de Olympische Spelen van 2016. Beroofde toeristen passen niet in de stadspropaganda. Sceptici menen dat de huidige opschoningen slechts voor de bühne plaatsvinden, dat de politie zich na 2016 geleidelijk zal terugtrekken.
Desondanks lijkt het departement van Publieke Veiligheid het politiegeweld te hebben verminderd. Onderbetaalde en gedemotiveerde agenten roofden en moordden de afgelopen jaren vrijuit, ondervond journalist Bruno Paes Manso. Hij bezocht de favela’s van Complexo do Alemão de dag na de politie-inval in juni 2007, bedoeld om de veiligheid rond een groot sportevenement te garanderen. “Dagenlang waren de politie-eenheden in een soort loopgravenoorlog met de drugsbende verwikkeld, de haat en ergernis groeide met het verstrijken van de tijd. Toen de frontale aanval uiteindelijk werd ingezet, waren enkele troepen van de militaire politie uit op een bloedbad. Negentien doden vielen er onder de favelabewoners, het verderf van een oorlog tekende zich af.” Kort daarop publiceerde hij zijn observaties, met een nationaal schandaal tot gevolg. Mensenrechtenorganisaties steunden Manso, conservatieve critici kwalificeerden hem als een handlanger van de drugsbendes. “Grote kogelinslagen wezen op executies van dichtbij, maar wie is daar verantwoordelijk voor? Niemand durft te getuigen.”

Maria Alves en Philip Evanson tekenden in hun boek Living in the Crossfire de persoonlijke verhalen van favelabewoners op. “De elite-eenheid van de militaire politie deed vreselijke dingen”, vertelde een vrouw uit Complexo do Alemão aan hen. Anoniem, uit angst voor represailles. “Ze trapten overal deuren in en stormden naar binnen. Als er een man binnen was, vermoordden ze hem. Godzijdank was mijn partner nooit thuis tijdens een inval. Ze slaan vrouwen en kinderen, vervloeken ze. In een uiterst geval worden ze verkracht en vermoord. Ze kennen geen respect, voor niemand. Je moet voor ze koken, terwijl ze je huiskamer vernielen. Een vriendin droeg eens een zwarte blouse terwijl de politie plots binnenviel. Na haar in elkaar te hebben geslagen, bleef ze met alleen haar bh aan achter. Zwart is hun kleur, niemand anders mag dat dragen. Ook niet in je eigen huis. De volgende keer trek ik expres een zwarte blouse aan, ik ga me niet stilhouden. Dit is absurd.”
Geweldscultuur
Enkele weken geleden kwam een cameraman om het leven. Hij filmde een politieagent die vanachter een boom vuurde, zelf had hij geen enkele dekking. Ineens klonk er een schreeuw, viel de camera op de grond en ging het beeld op zwart. Hij registreerde zijn eigen dood, de pers dook massaal op de video. “Dat er ook enkele zwarte jongens gedood werden, lees je niet terug in de krantenkolommen”, ergert Jaílson de Souza e Silva zich. Als directeur van onderzoeksorganisatie Observatório de Favelas overziet hij de problematiek. “De heersende opinie is dat doden slechts bijkomende schade betekenen in de strijd tegen drugs. Favela’s veranderen in een strijdtoneel, nietsvermoedende burgers komen om tijdens het spervuur. Zoals rockband Pink Floyd het al eens verwoordde 'We vermoorden wat we niet kennen.’ We moeten de menselijke waardigheid terugbrengen, die dimensie ontbreekt nog altijd in Rio.”
De wijk Vila Cruzeiro werd precies een jaar geleden onderworpen aan de pacificatiedrang. Ruim dertig bendeleden kwamen om het leven, maar het merendeel vluchtte de heuvel op, richting Complexo do Alemão. Om de doden te wreken werden buiten de eigen wijken tientallen auto’s in vlam gezet, waarna het leger in stelling werd gebracht. Enkele dagen later werd zonder bloedvergieten de heerschappij van de drugsbende overgenomen.
Tegenwoordig is het nog altijd het leger dat de straathoeken bemant. “Daarmee communiceer je dat het een oorlogsgebied is”, veronderstelt oud-staatssecretaris van Justitie Pedro Abramovay in zijn luxe penthouse. “We strijden ervoor kinderen te laten opgroeien zonder de aanblik van bendeleden met machinegeweren. Dat het nu soldaten zijn die zwaarbewapend door de straten marcheren, verandert niets aan de geweldscultuur.”
Verscherpte controle en de onbedoelde vooraankondiging van de inval hebben in Rocinha het geweld buitengesloten. De voltallige wereldpers dwaalt vrij door de steile straten, terwijl het dagelijkse leven van de bevolking gemoedelijk voortkabbelt. Geen enkele verslaggever weet een geval van politiemisbruik te achterhalen, Rocinha’s bewonersassociatie roemt de werkwijze van het politieapparaat. Wellicht hoort de conclusie van Philip Alston, die in 2008 aan de Verenigde Naties rapporteerde over mensenrechtenschendingen, langzaamaan bijgesteld te worden. “Het huidige systeem vormt een carte blanche voor politiemoorden”, was zijn bevinding. In Rio vinden jaarlijks gemiddeld duizend stedelingen de dood door een politiekogel. De pacificatietroepen lijken tot dusver gedisciplineerd, weinig onlusten komen bovendrijven. De aanleiding daartoe is grotendeels weggenomen. De salarissen zijn gestegen, de eenheden rouleren om de paar maanden van wijk en de regie is opgevoerd. Maar het systeem waarover Alston berichtte verandert.
Onaanraakbaar
Een razendsnel opkomend fenomeen dat het aantal politiemoorden verhindert te dalen, is de militie. Groepen van politieagenten, brandweermannen en gevangenisbewakers buiten werktijd regeren vandaag de dag over een derde van Rio’s favela’s. Het regime van de drugsbendes lijkt minder afschrikwekkend dan de rigide wetten van de milities. Ze claimen een monopoly op economische diensten als het leveren van gasflessen, transport en het exploiteren van kabeltelevisie. Bewoners betalen beschermgeld, maar leven in angst.
Eén aarzeling kan een liquidatie betekenen. De vrees bestaat dat milities het vacuüm opvullen dat de pacificatie achterlaat, nu de drugsbendes buitenspel staan in die wijken. Journalist Manso noemt hen paramilitairen, verwikkeld in de georganiseerde misdaad. “Ze rekenen op ondersteuning van politie en politici, hebben een sterk besef van straffeloosheid. Ze voelen zich onaanraakbaar, qua methoden lijken ze meer op de Siciliaanse maffia. Zíj zijn het echte probleem, meer dan de drugsbendes.”
Het cliëntelisme is diepgeworteld. De militieleden zijn zowel in het parlement als in de politiedepartementen verweven, elkaar privileges verschaffend. Politici voorzien milities van geld en justitiële bescherming, om daar tijdens verkiezingen het alleenrecht om stemmen te werven voor terug te krijgen. Na langdurig onderzoek klaagde congreslid Marcelo Freixo 225 militieleden aan en hij zette daarmee zijn eigen leven op het spel. Onlangs ging hij gretig in op het aanbod van Amnesty International om naar Europa af te reizen toen hij meerdere doodsbedreigingen ontving. Toch richt het pacificatieprogramma zich op de drugsbendes, die ogenschijnlijk eenvoudig als zodanig aan te wijzen zijn, in tegenstelling tot de verhulde identiteit van de militieleden. De bevolking verlangt naar televisiebeelden van gehandboeide drugsdealers.
Drugsbaas
Een terras in Vila Cruzeiro. Sinds vorig jaar bepalen legerhelikopters en groepen soldaten het straatbeeld. Toch rijden drugsdealers onbelemmerd op hun motoren voorbij de onwetende krijgsmacht. Wat er speelt in de wijk weten ze niet, het bewaken van de rust is hun enige missie. De drugshandel leeft voort, al zijn de cocaïnelaboratoria verplaatst naar ongepacificeerde wijken. Paulo, een donkere dertiger, bestelt om de tien minuten een volgende halve liter bier, nadrukkelijk wenkend. Behalve zijn indrukwekkende verschijning, doet ook zijn reputatie de bareigenaar haasten. Jarenlang heerste Paulo als drugsbaas over vier favela’s. In zijn hoogtijdagen beheerde hij een halve ton cocaïne, die hij verdedigde met kalasjnikovs, bazooka’s en granaten. “Als ik nu nog in de drugshandel zou zitten, zou ik de pacificatie omarmen”, vertelt hij. “De confrontatie mijden, geen geld meer aan wapens en het omkopen van politie besteden en meer drugs verkopen aan de middenklasse en toeristen. De winst stijgt onmiddellijk. Maar je verliest de controle over de favela en daar krijg je machtsmisbruik voor terug.”
Hoe fundamenteel de corruptie binnen de politie daadwerkelijk is, illustreert Paulo aan de hand van één van zijn vuurgevechten. Enkele jaren geleden doemde er plotseling een politiemacht van honderdvijftig man op, waarna snel de linies werden ingenomen. Een spervuur volgde. Na twee uur raakten zijn mannen door hun munitie heen, stuk voor stuk hadden ze vijf banden met 144 kogels leeggeschoten. Ze vluchtten de berghelling op. “We namen snel contact op met de politieagenten aan wie we altijd smeergeld betaalden, hun wekelijkse bijverdienste stond op het spel. Niet veel later stonden beneden ons driehonderd corrupte agenten hun collega’s weg te schieten.”