1 juli, 2009 | Beeld: Steven Kraan | Trefwoord: wereld
Dubieuze dubbelrol voor vliegtuigmaatschappijen
Negen van de tien vliegtuigmaatschappijen die betrokken zijn bij wapensmokkel naar conflictgebieden in Afrika, worden ook ingehuurd voor humanitaire hulp en vredesoperaties. Dit schrijft het onafhankelijke Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI) in een in mei uitgekomen rapport. Het rapport belicht de rol die de maatschappijen de afgelopen decennia speelden in de voortzetting van conflicten.
Vliegtuigen voeren in conflictgebieden illegaal gewonnen grondstoffen af en leveren wapens aan. Dit gebeurt bijvoorbeeld in Oost-Congo, waar individueel opererende militairen, plaatselijke krijgsheren, internationale ondernemingen en handelaren zich verrijken met de illegale exploitatie van de talrijke bodemrijkdommen. De opbrengsten van de mijnbouw gaan voor een deel naar kleine en lichte wapens, zoals machinegeweren, pistolen en granaten. Zo kunnen de militairen en de andere opportunisten hun eigen lokale oorlog in stand houden. Deze oorlogseconomie is sterk afhankelijk van toegang tot intercontinentale smokkelnetwerken en wereldmarkten voor de aan- en afvoer. Vliegtuigen zijn hiervoor ideaal. Ze hebben aan een landingsbaan genoeg en hebben geen last van de vaak gebrekkige infrastructuur. Bovendien kunnen ze onderweg niet worden overvallen en leeggeroofd.
Humanitaire hulp
De leveringen gebeuren ook naar gebieden die onder wapenembargo staan van de Verenigde Naties (VN). Dezelfde vliegtuigmaatschappijen blijken volgens het rapport van SIPRI te worden ingehuurd door de VN, de Europese Unie (EU), de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en verschillende niet-gouvernementele organisaties (NGO'S) om goederen voor humanitaire hulp en vredeshandhavingoperaties te leveren. Soms ondanks het feit dat ze bij de VN te boek staan als maatschappijen die illegale transporten verzorgen.
In Soedan bijvoorbeeld bleven vredestroepen van de VN gebruik maken van Badr Airlines, ondanks dat de Veiligheidsraad, van diezelfde VN, in 2007 had opgeroepen tot een boycot wegens schending van het wapenembargo. Unicef maakte gebruik van Juba Air Cargo, ook in Soedan geregistreerd, ondanks dat de VN zei dat het bewijs had dat de maatschappij het wapenembargo schond. Afrika is het continent waar het meeste ontwikkelingsgeld van de EU naartoe gaat en waar de meeste vredeshandhavingoperaties van de VN plaatsvinden. Veel van deze operaties zijn gericht op het verminderen van conflicten binnen staten en het terugdraaien van de oorlogseconomie, waar vermindering van het aantal vuurwapens een belangrijk onderdeel van vormt.
Een probleem van deze wapens is dat ze blijven circuleren en van het ene conflict naar het volgende worden gebracht. Volgens het Internationaal Actienetwerk Kleine Wapens, dat gevestigd is in Londen en wereldwijd vuurwapengeweld probeert tegen te gaan, is Afrika ‘doordrenkt' met vuurwapens. Schijnbaar moeiteloos passeren de wapens grenzen, ze zijn vaak gemakkelijk verkrijgbaar. Ter illustratie noemt het actienetwerk wat prijzen: In Oeganda is een AK-47 te koop voor de prijs van een kip. In buurland Kenia kost het automatische vuurwapen een geit. In Mozambique en Angola moet de liefhebber een kleine vijftien dollar neerleggen, of een zak maïs.
Tussen 1972 en 1990, ten tijde van de Koude Oorlog, hebben Ethiopië en Somalië voor achttien miljard dollar aan wapens aangeschaft uit Centraal- en Oost-Europa. Nog steeds houden deze wapens conflicten in de Hoorn van Afrika in stand. Lichte wapens zijn volgens het actienetwerk een struikelblok voor de wereldveiligheid. Ze frustreren onderhandelingen, verergeren spanningen en dragen bij aan de verspreiding van conflicten.
Als reactie op het VN-Actieprogramma 2001 om illegale handel in kleine en lichte wapens uit te roeien, lanceerde de Europese Raad eind 2005 de ‘EU strategie tegen de accumulatie en de illegale handel in kleine en lichte wapens en hun munitie'. In de analyse van het probleem worden expliciet de oorlogseconomiëen en het falen van de staat genoemd. Anders dan bij de aanpak van de VN, heeft dit volgens SIPRI de weg vrijgemaakt voor een focus op transport. In de strategie wordt benadrukt dat het probleem van de overdrachten van deze wapens alleen kan worden opgelost door analyse van de luchttransportsector, met speciaal toezicht op verdachte vervoerders. Volgens het onderzoeksbureau gaat dit de goede kant op. "Vliegtuigmaatschappijen zijn de enige niet-statelijke spelers betrokken bij illegale goederentransporten die openlijk moeten opereren. Ze staan geregistreerd dankzij controles, databases en vluchtgegevens. Dat maakt het mogelijk hen te volgen."
Tussenhandel
De wereld van tussenpersonen is daarentegen moeilijker te doorgronden. De handel verloopt vaak via personen die voor een percentage van de verkoopprijs de overdracht regelen van verkoper op koper. Commissionairs dus. Ze regelen het transport en overleggen met eventuele financiers en verzekeringsmaatschappijen. Op zich is er niets illegaals aan deze manier van een boterham verdienen. Het handvest van de VN verklaart dat ieder land recht heeft op zelfverdediging. Illegaal wordt het wanneer de ontvangers individuen, groepen of staten zijn die het bij wet verboden is wapens te ontvangen. Dit zijn bijvoorbeeld rebellen, criminelen, supporters van het internationaal terrorisme en staten waar een wapenembargo op rust.Het omzeilen van het wapenembargo gebeurt door gebruik te maken van valse exportcertificaten. Het vliegtuig maakt een korte landing in het opgegeven land, en vliegt dan door naar de eigenlijke bestemming. Soms wordt het opgegeven land ook gewoonweg overgeslagen. Een andere manier om wapens binnen te smokkelen is te landen naast het conflictgebied, ze over te laden op pick-up trucks en ze het gebied in te rijden. Badr Airlines deed het bijvoorbeeld op die manier.
Volgens SIPRI is de Europese Unie de ideale organisatie om vervoerders als Badr te stoppen. Dankzij de regels voor luchtverkeersveiligheid zijn er al veel maatschappijen die ook illegale transporten verzorgden uit het Europese luchtruim geweerd. Daarmee hebben ze geen toegang meer tot de grootste markt van de wereld. Het onderzoeksbureau suggereert dat deze toegangsweigering uitgebreid kan worden met het toevoegen van ethische gedragscode voor transporteurs.
Om beter op de hoogte te zijn van maatschappijen die wapenembargo's schenden, kan personeel van het Europees Veiligheids en Defensiebeleid worden ingezet. Die zijn vaak toch ter plaatse, en kunnen met extra training inlichtingen inwinnen over het gedrag van de maatschappijen. De informatie zou op een internetplatform moeten verschijnen, zodat het voor iedereen toegankelijk is. Het onderzoeksbureau is positief over de extra kosten die het met zich mee zou brengen: "We veranderen bestaande mechanismen en processen en creëren geen nieuwe. Dit houdt investeringen voor het opstellen van nieuwe wet- en regelgeving, mankracht en bureaucratie tot een minimum beperkt".