4 januari, 2013 | Auteur: Jan-Peter Rook, Sjoerd Hartholt | Trefwoord: brazilie

Straatkinderen in Rio in het nauw door WK 2014

Zo’n dertig jaar geleden werd Robert Smits tijdens een rondreis voor het eerst geconfronteerd met de schrijnende situatie van straatkinderen in Rio de Janeiro. Nu probeert hij met zijn stichting REMER zoveel mogelijk kinderen te redden van kogels, drugs en ziekten.

De geboren Schiedammer is oprichter en coördinator van stichting REMER (Refúgio de Meninos e Meninas da Rua). Hij werkt onder andere in Parque União, een gevaarlijke plek in Rio de Janeiro. Al vroeg in de ochtend houden zich er grote groepen jongeren op die stijf staan van de crack. “De meeste gasten ken ik wel van mijn sportvereniging Sparta”, vertelt Robert. Voor hem is het dagelijkse kost. “We delen ze vandaag condooms uit. Deze jongeren zijn levende zombies geworden. Als je als jongere hier tussen zit, is het vrijwel zeker met je gedaan.” Robert kijkt om zich heen. “De groep bestaat uit kinderen tussen de veertien en achttien jaar. Ze zijn bezig met maar één ding. Crack gebruiken. Ze vergeten te eten en te slapen, worden ziek en sterven uiteindelijk.”

Na een reis door Zuid-Amerika stond Smits in 1983 op het centrale station van Rio de Janeiro. Hij trof daar een groep bedelende straatkinderen aan. “Ze stonden tussen bedelaars, prostituees en zware criminelen. Het was zo schrijnend, ik voelde dat ik iets moest doen.” Een jaar later keerde Smits terug om een voetbalvereniging op te zetten. “Ik ben fanatiek Feyenoorder, maar omdat ze dat hier niet over hun lippen kunnen krijgen, werd het Sparta. In het begin was het moeilijk. De kinderen gooiden stenen naar mijn hoofd. Ze wilden geen bemoeienis. Maar na verloop van tijd had ik vrijwel iedereen bij mijn vereniging aan het spelen.”

Robert startte in 1988 zijn stichting REMER, om straatkinderen onderdak, onderwijs en gezondheidszorg te kunnen bieden. “In die tijd woonde ik met mijn Braziliaanse vrouw ook in de sloppenwijken. Het was zwaar. Ik heb zoveel om me heen zien gebeuren. De kogels vlogen je soms letterlijk om de oren. Tijdens schietpartijen lag ik met mijn kleren aan in bed, zodat ze me in ieder geval netjes zouden aantreffen. Ik heb mensen vermoord zien worden, ben talloze keren bedreigd en afgeperst en ben meerdere keren aan de dood ontsnapt.”

Corruptie

De groep die rondgeleid wordt, is opgedeeld in drietallen omdat een te grote groep tot onrust kan leiden. Iedereen draagt oranje T-shirts van REMER. “Je weet nooit helemaal zeker of het veilig is”, vertelt Robert. Hij wijst naar een gebouw waar politiemannen met mitrailleurs naar binnen stormen. “Corrupte agenten. Ze pakken iemand op en persen hem af. Normale politie zou nooit met zo’n klein clubje deze favela (sloppenwijk, red.) in gaan. Politie die niet corrupt is verschijnt alleen tijdens grote operaties in deze wijk. Voor kleine zaken gaan ze deze buurt niet zomaar binnen.”

Met corrupte agenten heeft Robert veel te maken. Hij werd een aantal jaar geleden bijna vermoord door de politie. “Er werd een jongen van een jaar of vijftien door agenten in elkaar geslagen voor mijn ogen. Toen ik er wat van zei, werd ik op de grond gesmeten en begonnen ze op me in te slaan. Vervolgens brachten ze me naar een verlaten plek en overlegden ze ‘Vermoorden of vrijlaten?’. Ik overleefde het. Bij thuiskomst heb ik een tijd staan huilen. Niet van de schrik, maar omdat ik toen besefte dat ik niets kon doen tegen al dit onrecht. Ik moest het wel slikken.”

Het is een van de vele incidenten. Na een aanrijding met een politieagent moest Robert de politie tweeduizend euro betalen. “Ik gaf hem na advies van Braziliaanse vrienden driehonderd euro. Het leek prima, maar iets later werd ik gebeld. “Je spreekt met de duivel’, zei een stem. Eerst gaat je vrouw eraan, dan je kinderen en daarna jij. Tenzij je die 1.700 geeft. Ik heb het zo snel mogelijk op een afgesproken locatie overhandigd. Zulke dingen moet je hier gewoon accepteren. De politie is nog veel erger dan de drugsbendes.”

Een moment waarop Robert terug naar Nederland wilde was in 1996. Tijdens een groot voetbaltoernooi van Sparta hadden ook enkele teams van ‘drugsjongens’ zich aangemeld. Er arriveerde een bus agenten die vrijwel direct het vuur openden midden tussen de voetballende kinderen. Een paar kinderen raakten gewond en een kind van dertien liet het leven. Voor Robert was dit hartverscheurend. “Ik vertel alle moeders dat Sparta een veilige plek is voor hun kinderen tussen al het geweld. Toen dit gebeurde moest ik die huilende moeder aankijken. Ik wist me absoluut geen raad meer. Ik heb de drugsbendes gevraagd om de naam van de agent, zodat ik hem kon aangeven. Daarna zou ik naar Nederland vertrekken, omdat de politie mij anders zou vermoorden.” De naam werd echter nooit gegeven en Robert bleef.

Ondanks vele tegenslagen, ontsnappingen aan de dood en al het leed om hem heen, blijft Robert zich inzetten. “De straatkinderen die we er tussenuit halen geven me moed om door te gaan. We worden op allerlei manieren tegengezeten door bendes en politie. God is mijn belangrijkste steun. Met de groep bidden we iedere dag gezamenlijk voor we op pad gaan.” Vanwege allerlei juridische rompslomp mag REMER soms geen kinderen aannemen. Voor Robert voelt zich dan machteloos. “Dan strijd je maanden voor zo’n kind en dan wordt hij je na een dag weer afgenomen. Ze overleven vervolgens door te stelen en moeten dat meestal bekopen met de dood. Ze worden aan hun lot overgelaten en vervolgens door politie en bendes vermoord. De lijken worden verbrand.” Robert ziet maandelijks kinderen verdwijnen. “We houden een begrafenis voor ze. Niemand weet hoe het kind eigenlijk heet.”

Vredespolitie

De nieuwe politiemacht ‘Vredespolitie’ die de favela’s moet zuiveren voor het aankomende WK 2014 en de Olympische Spelen in 2016 maakte onlangs nog jacht op een groep crackgebruikende jongeren. “Ze werden zonder aankondiging overvallen en renden met z’n allen de snelweg over. Levensgevaarlijk, onbegrijpelijk dat het zo moet”, vindt Robert. Toch heeft de Vredespolitie volgens hem ook goede dingen teweeggebracht. “Het zijn goed opgeleide agenten die nog niet bedorven zijn door corruptie. Meestal kondigen ze van tevoren aan wanneer ze een wijk binnenvallen, zodat bewoners de kans krijgen om weg te komen. Als ze er in trekken is de wijk gezuiverd en dan blijven ze daar. De drugsbendes hebben er dan niets meer te zeggen en er worden sociale voorzieningen bijgebouwd.”

Ondertussen zijn zo’n vijftig wijken overgenomen. Maar het is de vraag of dit zo blijft na de Olympische spelen. Robert is bang dat de Vredespolitie weer wegtrekt en dat drugsbendes het weer overnemen. “Nu is er vooral een verschuiving van problemen gaande. De criminelen trekken naar andere wijken. Er zijn straks honderd wijken gezuiverd, maar in de andere negenhonderd wijken is niets veranderd. Alleen in de buurten waar atleten en toeristen langskomen wordt actie ondernomen. De bewoners weten niet zo goed wat ze met de agenten aanmoeten. Over een paar jaar zijn ze waarschijnlijk zo weer vertrokken en word je gestraft voor vriendschap met de politie.”

Enige liefde van de gemeente Rio voor het doel om de omstandigheden voor favelabewoners te verbeteren, proeft Robert niet. “Het is puur om de evenementen succesvol te laten verlopen. De Vredespolitie maakt het overdag veilig, maar ’s avonds regeren gewoon weer de drugsbendes.” Voor de straatkinderen wordt de situatie er met de nieuwe politiemacht alleen maar minder goed. “De gemeente wil in het kader van de Olympische Spelen en het WK de straatkinderen uit het zicht houden.” Dat heeft volgens Robert geen positieve gevolgen. “Ze worden nu opgejaagd en uit elkaar gedreven, er is geen enkele controle meer over ze en iedereen kan met ze doen wat willen. Iedere keer als ze iets stelen of iets anders doen dat overlast veroorzaakt, worden ze gestraft. Vaak moeten ze het met de dood bekopen.”

De straatkinderen zijn ook een doelwit voor drugsbendes. ,,Ze zijn handig als wachtpost, omdat wanneer ze worden neergeschoten er niemand is die er een zier om geeft”, vertelt Robert. “De wijken worden wel gezuiverd, maar deze kinderen worden daardoor nog meer aan hun lot overgelaten en zijn er nu erger aan toe dan eerst. Met REMER hoop ik er zoveel mogelijk te redden. Maar het is dweilen met de kraan open.”

Doneren

Door deze investering zorg ik ervoor dat de maker de volgende journalistieke productie realiseert.







Draag bij aan onafhankelijke makers

Onafhankelijke journalistiek begint bij makers die de tijd nemen om te luisteren, onderzoeken en verhalen menselijk te maken. Bij Small Stream Media staan die makers centraal: dichtbij, betrokken en vrij van commerciële druk. Met jouw bijdrage kunnen zij blijven publiceren, verbanden leggen en nieuwe stemmen laten horen. Je helpt eerlijke verhalen boven water te krijgen die anders onzichtbaar blijven. Draag bij aan onafhankelijke makers en bouw mee aan een platform waar kwaliteit, vertrouwen en impact voorop staan voor iedereen die betrokken is.