1 juni, 2010 | Auteur: Anne Burgers | Beeld: Alex Wolf | Trefwoord: nederland
De comeback van de lts
Op het Vakcollege leren kinderen met hun handen. Vergelijkingen met de voormalige lagere technische school (lts) zijn al snel gemaakt. De populariteit is immens, maar verklaarbaar: het Vakcollege is een gat in de schoolmarkt. Het is zo’n succes dat er vanaf volgend schooljaar speciale Vakcolleges voor zorgberoepen komen. Nu zijn er nog vooral technische Vakcolleges.
– “Meneer Kooper, Percy springt de hele tijd op mijn plank!”
– “Percy, moet jij daar nu echt zijn? Leg die plank anders daar, zodat je niet bij het gereedschapsbord staat. Iedereen moet daarbij kunnen.”
De jongen die zojuist zijn beklag deed, raapt een grote plank op en versleept hem naar een andere hoek van de klas. In het grote, rechthoekige lokaal staan rijen werkbanken langs de raamkant. De jaloezieën zijn dicht, toch is het niet donker. In het midden staan een paar witte tafels met krukken. Links hangt een whiteboard 'Kolomboor, hoe gebruik je die?', iets verderop is een stuk muur bekleed met gereedschap. Jongens lopen rond en zijn in groepjes of zelfstandig aan het werk. Het geluid van boren, hamers en zagen overstemt het gepraat.
Deze vrijdagochtend zijn de leerlingen van het Vakcollege Techniek van het Petrus Canisius College (PCC) in Alkmaar hard aan het werk. Dit is geen mbo-klas en ook geen bovenbouwklas van het vmbo. Het Vakcollege is een relatief nieuwe onderwijsvorm, bedoeld voor jongeren die liever, of beter, met hun handen dan met hun hoofd werken. De afdeling Oosterhout van het PCC biedt sinds dit schooljaar deze onderwijsvorm aan, die vooral bij jongens populair is: de klas van Percy (12) telt slechts één meisje.
Vergelijking met de lts
Locatiedirecteur Johan Dekker zag op het Jeugdjournaal een item over het Vakcollege en was meteen geïnspireerd. “Dat moeten wij ook hebben, dacht ik. En binnen veertig minuten vergaderen hadden we een opzet voor de nieuwe lessentabel af. Een godswonder, in het onderwijs.” De eerste klassen bestaan nu uit drie reguliere vmbo-klassen en drie Vakcollegeklassen. Zijn school biedt een techniekafdeling. Het is de bedoeling dat deze ook een zorg- en welzijnafdeling gaat starten.
Het Vakcollege, dat pas een paar jaar bestaat, wordt al vergeleken met de voormalige lts waar jongeren in vier jaar een ambacht leerden en werden klaargestoomd voor de arbeidsmarkt. Zij konden eventueel doorstromen naar de middelbare technische school, het tegenwoordige mbo, om hun vak nog beter onder de knie te krijgen. De vergelijking gaat grotendeels op. De lts en het Vakcollege besteden beiden vooral aandacht aan praktijkonderwijs, maar waar de kinderen op de lts werden opgeleid in bouw-, metaal-, voertuigen-, installatie- en metaaltechniek, bieden sommige Vakcolleges naast een techniekafdeling ook een opleiding in de zorgrichting. Daarnaast besteden de leerlingen op de Vakcolleges ook meer tijd aan reguliere vakken dan vroeger op de lts. Bovendien verzorgde de lts ook eindonderwijs en zit mbo-scholing bij het Vakcollege inbegrepen.
Het praktische techniekonderwijs verdween met de komst van de basisvorming, die vooral onder druk van de Partij van de Arbeid begin jaren negentig werd ingevoerd. Alle onderbouwleerlingen, van vbo (de opvolger van de lts) tot gymnasium, kregen een uitgebreid vakkenpakket met vijftien verplichte vakken. Tot deze vakken behoorden vreemde talen als Frans en Duits en algemene vakken als verzorging en maatschappijleer. Doel hiervan was onder meer om het maken van een beroepskeuze uit te kunnen stellen. Ook leefde het idee dat kinderen op deze manier dezelfde kansen kregen, onafhankelijk van hun achtergrond of maatschappelijke positie. Een onbedoeld gevolg was echter dat niet iedereen in de basisvorming kon meekomen en door gebrek aan andere opties buiten de boot viel.
Na veel kritiek op dit nieuwe type onderbouw werd in 2006 de wet vernieuwde basisvorming ingevoerd. Deze wet maakte een bredere interpretatie van de basisvorming mogelijk, waardoor scholen veel meer ruimte kregen om het onderbouwprogramma aan te passen. Het Vakcollege is hier een direct gevolg van: met inmiddels dertig scholen in Nederland en groeiende belangstelling van kinderen en ouders, lijkt de comeback van de lts een succesvol feit te worden.
Er komen twee type kinderen op het Vakcollege af, legt Dekker uit. “Er zijn leerlingen die geen zin hebben in leren en dan maar voor het Vakcollege kiezen. Maar er zijn ook jongeren die heel bewust de keuze maken om met hun handen te werken. En op dit Vakcollege heb je vanaf de eerste klas al tien uur per week techniek. Vakken zoals geschiedenis worden beperkt: leraren behandelen alleen de belangrijkste onderwerpen, zodat de leerlingen niet te veel tijd in de schoolbanken kwijt zijn.”
Wat zijn de kinderen dan tijdens die tien uur techniek precies aan het maken? Een groepje van drie jongens is druk in gesprek. Op hun tafel staat een bouwwerk met twee grote wielen. Het wordt een robotstofzuiger, vertelt één van hen. Hij laat zien hoe het apparaat in elkaar zit. De stofzuiger zelf zit er nog niet in, die testen ze uit op elkaars handpalmen. “Au! Ja, hij doet het!”
Kleine school in plaats van leerfabriek
Vanaf het derde jaar lopen de leerlingen stages om hun vak in de praktijk te leren. Wanneer ze na vier jaar hun vmbo-diploma halen, vervolgen ze hun opleiding binnen het Vakcollege in plaats van op een ROC. Ook dit ziet Dekker, in verband met hoge cijfers van schooluitval op het mbo, als een voordeel: “Hopelijk zal het volgen van een mbo-opleiding op de eigen, kleine school in plaats van op een leerfabriek, een positief effect hebben op de cijfers van schooluitval.” In het vijfde en zesde jaar zijn de leerlingen vooral aan het werk. Ze komen dan nog één dag per week naar school.
Dekker is niet de enige die enthousiast is. Docent Jasper Kooper vertelt vol bezieling over zijn werk. “Ik ben van huis uit docent handvaardigheid en tekenen, maar ik vind dit veel leuker. Je bent hier écht bezig met projecten: van ontwerp tot uitvoering, het is een heel proces. De leerlingen ervaren dat ook zo.” Ze lijken allemaal hard aan het werk te zijn. Kooper beaamt dit, terwijl hij nauwlettend in de gaten houdt of iedereen bezig is. Hij heeft bij andere onderwijstypen nog nooit zo’n gemotiveerde groep leerlingen gehad, vertelt hij.
Verderop is Chardo (12) een gordijnrail aan het zagen. Hij maakt een constructie die hij zó gaat ophangen en installeren, dat een heel stuk muur automatisch geschilderd wordt. De jongen is hard aan het werk. Hij houdt van techniek, daarom heeft hij voor het Vakcollege gekozen. Wat zijn schooladvies was? Dat weet hij niet meer. Dat is ook niet belangrijk als je iets doet wat je leuk vindt. Wat hij later wil worden weet hij ook nog niet. Hij lacht. “In ieder geval iets met techniek!”