13 januari, 2011 | Auteur: Andrea Bartman | Beeld: Alex Wolf | Trefwoord: nederland
Ontwikkeling door middel van water
Nederland kan haar ontwikkelingshulp nog flink verbeteren, zo blijkt uit het rapport 'Minder pretentie, meer ambitie' van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Daarom besluit Nederland om het aantal beleidsthema's te reduceren en zich vooral te richten op thema's waarin ons land uitblinkt: water.
Het rapport 'Minder pretentie, meer ambitie' zal als uitgangspunt worden gebruikt bij het beleid voor ontwikkelingshulp in 2011. Dit staat vermeld in het regeerakkoord tussen het CDA en de VVD. Er zal flink bezuinigd worden, maar de ontwikkelingshulp die er nog wel komt wordt efficiënter. Specialiseren en concentreren wordt het motto.
Hoeveel ontwikkelingshulp draagt daadwerkelijk bij aan het ontwikkelen? Volgens het eerdergenoemde rapport is veel ontwikkelingshulp helemaal niet bedoeld om ontwikkeling op gang te brengen, maar om primaire leefomstandigheden te verbeteren. Hulp gaat bijvoorbeeld naar onderwijs en gezondheidszorg. Uiteraard is dit niet onbelangrijk, vaak zorgt dit alleen niet voor structurele veranderingen, aldus het rapport. Om ook op lange termijn resultaten te boeken zou meer aandacht besteed moeten worden aan landbouw, infrastructuur en economische bedrijvigheid.
De visie van de WRR
Investeringen in watervoorziening voor landbouw blijken veel meer positieve gevolgen te hebben op ontwikkeling, dan alleen watervoorziening voor drinkwater en hygiëne. Zo meldt het WRR-rapport dat irrigatie een grote positieve invloed heeft op landbouwopbrengsten en hoge opbrengsten zorgen weer voor een toename in werkgelegenheid, goedkopere voedselprijzen en betrouwbaardere oogsten. In Sub-Sahara Afrika is slechts vier procent van de landbouwgrond geïrrigeerd. Hier valt dus nog veel winst te behalen, meent de WRR. Een nieuwe aanpak die zich meer richt op lange termijn ontwikkeling zal mogelijk ook armoede effectiever bestrijden.
Het rapport noemt een voorbeeld: In Nederland is veel water. In sommige landen, zoals Tunesië en China is er juist sprake van een tekort. Toch wordt in het waterarme Tunesië veel tarwe verbouwd, een gewas dat enorm veel water vraagt. Voor één kilo tarwe is maar liefst duizend liter water nodig. Deze producten worden vaak weer geëxporteerd naar waterrijke landen zoals Nederland. Zo wordt er jaarlijks netto drie kubieke kilometer ‘virtueel’ water naar Nederland geïmporteerd. Het waterschaarse Kazachstan exporteert vijf kubieke kilometer aan ‘virtueel’ water. Zo verliezen droge landen water. Beter zouden deze landen zich kunnen richten op het verbouwen van handelsgewassen die bestand zijn tegen droogte, zoals olijven of oliezaden, zo stelt de WRR.
Daarnaast zijn er landen waar veel regen valt, maar waar toch een watertekort is. En juist daar is volgens de WRR een taak weggelegd voor Nederland. In veel Afrikaanse landen valt regen zeer onregelmatig en is men niet in staat dit water effectief op te slaan. In Burkina Faso valt ongeveer evenveel regen als in Nederland, maar in een veel kortere periode. Veel meer water verdampt of stroomt via seizoensrivieren het land uit. Door gebrek aan een structurele infrastructuur voor wateropslag, zoals dammen en watertanks, weet het Afrikaanse land de regelval dus niet te benutten, aldus het rapport.
Hoe anderen denken
Fairfood International erkent het belang van het thema ‘water’ binnen ontwikklingshulp. De non-profit organistatie lobbyt bij voedsel- en drankbedrijven voor het duurzaam produceren van hun producten. Volgens Emma Herman houdt de inhoud van het begrip ‘duurzaam’ af van het product, maar het kan zeker ook met water te maken hebben. “Bijvoorbeeld bij het verbouwen van gewassen die veel water nodig hebben, zoals sinaasappels, in droge gebieden. Of wanneer er pesticiden worden gebruikt, die in het drinkwater terecht komen. Juist omdat het vaak de allerarmsten zijn die in de landbouw werken, staan deze thema’s in direct verband met hun kwaliteit van leven”, aldus Herman.
Thailand werd voorheen gezien als een ontwikkelingsland. Tegenwoordig ligt dat anders. Volgens Chris Dixon, die de economische groei van Thailand onderzocht, was landbouw de motor achter de groei van Thailand, dat tussen 1986 en 1991 één van de snelst groeiende landen ter wereld was. Voor deze tijd was Thailand net zo onderontwikkeld als veel landen die nu als ontwikkelingslanden worden beschouwd en steun ontvangen van de Nederlandse overheid. Meer Nederlandse hulp bij watermanagement lijkt dus een goed idee om meer resultaten te boeken op ontwikkelingshulp, ook op de lange termijn.
Tegen verandering
Vierenzestig ontwikkelingsorganisaties hebben zich verenigd in de actie Genoeg=Genoeg. Het initiatief lag bij Partos, de branche-vereniging voor particuliere internationale samenwerking in Nederland. De verenigde organisaties keren zich tegen de veranderingen in de ontwikkelingshulp, omdat er minder aandacht en geld zal gaan naar gezondheidszorg en onderwijs en sommige landen helemaal geen steun van de Nederlandse overheid meer zullen ontvangen. En er is nog meer kritiek. Zelfs op thema’s die in het nieuwe beleid wel als belangrijk worden aangemerkt, wordt bezuinigd.
Ook projecten die zich bezighouden met water, landbouw en zelfredzaamheid zullen mogelijk verdwijnen. AEE Rwanda helpt boerengezinnen om zelfstandig te worden, door het overdragen van kennis en stimuleren van samenwerking. Het werk van deze organisatie kan mogelijk niet meer uitgevoerd worden, omdat het niet meer past in het nieuwe beleid. Directeur John Kalenzi uit zijn verbazing op genoegisgenoeg.nu: “Jullie kabinet wil toch juist investeren in ondernemende burgers? Het gaat toch om zelfredzaamheid?”
Eén van de organisaties die de Genoeg=Genoeg steunt is Plan Nederland. Net zoals alle andere ontwikkelingsorganisaties krijgt Plan 12,5 procent minder budget van de overheid. Dit gaat in het bijzonder ten koste van het 'Girl Power' project, stelt Arno Bonte van Plan Nederland. Dit project komt op voor de belangen van meisjes in ontwikkelingslanden. “Het kabinet laat miljoenen meisjes in ontwikkelingslanden in de steek”, aldus Bonte. Toch vindt Plan dat er niets mis is met specialiseren. “Maar dat moet wel in dienst staan van het vergroten van de toekomstkansen van mensen in ontwikkelingslanden. Het lijkt er op dat het kabinet vooral kijkt naar het kortetermijnbelang van het Nederlandse bedrijfsleven”. Ten onrechte volgens Plan.
“Hulp moet gaan naar landen waar die het meest nodig is en de hulp moet effectief bijdragen aan terugdringing van de armoede”, vindt Ruud Huurman van Oxfam Novib. Hij meldt dat zij de komende jaren vijftig miljoen euro minder overheidssteun krijgen dan ze nodig hebben om hun werk te doen. Beide organisaties vinden de uitgangspunten van het kabinet dus niet per se verkeerd. Over zelfredzaamheid zegt Huurman zelfs: “Oxfam Novib ziet het zelf-doen als de essentie van ontwikkelingssamenwerking.”
Lange termijn ontwikkeling
Het schrappen van de ontwikkelingsdoelen onderwijs en vrouwenrechten zorgt volgens Plan voor een vertraging van de ontwikkeling van meisjes en daarmee van de sociale en economische vooruitgang van ontwikkelingslanden. De koers waarin het kabinet is geslagen gaat volgens Bonte ten koste van ontwikkeling.
Gelukkig worden de subsidies elke vijf jaar verdeeld en heeft Plan Nederland recentelijk de subsidies voor de komende vijf jaar toegezegd gekregen. Plan heeft besloten zich op vijftien landen te focussen. Mogelijk zijn dit niet dezelfde landen waarop het kabinet zich wil richten. Maar Plan gaat ervan uit de komende vijf jaar op deze manier door te kunnen. “En over vijf jaar hebben we een nieuw kabinet.”
Fairfood heeft hier net een andere kijk op. Het werk van de organistatie is namelijk nauw verbonden met het bedrijfsleven, die hun producten ‘fair’ moeten maken. Het zijn uiteindelijk deze bedrijven die zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. De Nederlandse overheid is zeer voortvarend aan de slag gegaan met het stimuleren van maatschappelijk verantwoord ondernemen in Nederland. Het risico van de nieuwe weg die het kabinet in wil slaan is dat bedrijven verantwoord gaan ondernemen, omdat ze daar subsidie voor krijgen. “En dat is niet wat we willen”, zo stelt Emma Herman. Fairfood wil niet dat bedrijven alles voorgekauwd krijgen, maar dat ze zelf bewuster worden.
Dat ontwikkelingslanden op het gebied van landbouw en water wel steun kunnen gebruiken, daar lijken de meeste partijen het over eens te zijn. Ook lijkt het een goed idee om Nederlandse expertise op deze gebieden in te zetten om ontwikkeling op lange termijn te stimuleren. Maar ten koste van wat? Er wordt al flink bezuinigd op ontwikkelingsorganisaties en de thema’s onderwijs en gezondheidszorg worden in de beleidsvisie van het kabinet minder belangrijk. Wat dit precies gaat betekenen voor verschillende ontwikkelingsprojecten, zal in de toekomst moeten blijken.