29 maart, 2013 | Auteur: Guido Wassink | Beeld: Guido Wassink | Trefwoord: nederland
Met ieder dier dat gered kan worden groeit er hoop (slot)
De afgelopen maanden heeft World of Wildlife in haar artikelen aandacht gevraagd voor het feit dat het met uitsterven bedreigd worden van dieren niet alleen lokaal wordt veroorzaakt, maar dat de mens er in grote mate mede voor verantwoordelijk is. Hoe is dit op te lossen?
De afgelopen zes maanden belichtte onbetaald directeur Guido Wassink van World of Wildlife, in de rubriek Verbeter de Wereld, wat hun verschillende wildlife projecten voor bedreigde diersoorten betekenen. Dit is het slotartikel van de reeks.
Dieren in nood kunnen worden gered of enkele kunnen in het wild worden vrijgelaten. Biologisch gezien lijkt dit een druppel op een gloeiende plaat, maar ieder individueel dier is er een en door kleine successen groeit de hoop dat het nog niet te laat is. De vrijlating van ieder dier staat symbool voor de positieve verandering in de kijk van mensen op het belang van flora en fauna. Gedragsverandering is als een koersverandering van een olietanker. Het heeft tijd nodig bij te draaien en het is een gevaarte dat zich niet makkelijk laat sturen. Ieder dier dat gered kan worden is misschien een duwtje tegen de tanker, dat voorkomt dat deze strandt.
Kleine projecten, concrete resultaten
Het begint vaak met iemand die zich over een dier ontfermt. Deze persoon stuit vaak op onbegrip vanuit de gemeenschap, die niet snapt wat het nut is. Vervolgens volgt er tegenwerking vanuit lokale overheden. Echter, dankzij onvoorwaardelijke liefde voor het dier, zet de initiator door en groeit het initiatief stukje bij beetje tot een echt beschermingsproject. Uit de wijde omgeving brengen mensen gewonde en zieke dieren. Voorheen hadden ze het dier waarschijnlijk dood laten gaan. Zo ontstaat een project dat niet alleen de flora en fauna helpt, maar ook de welvaart van het gebied. De groei van het project zorgt namelijk voor werkgelegenheid. Er komen mensen van buitenaf naar het project kijken, wat de lokale economie stimuleert.
Om draagvlak te krijgen in de omgeving gaat het project ook fondsen werven om welzijnswerk te verrichten. Op deze manier komen schoolkinderen aan hun uniformen, kan er les gegeven worden in gewassen telen en maken ze kennis met de Engelse taal door buitenlandse vrijwilligers. Langzaamaan ziet de gemeenschap dat het beschermen van dieren ook hun weg is naar een betere toekomst. Dierenbescherming werkt niet zonder betrokkenheid van en steun aan de lokale gemeenschap.
Mensen die voorheen zeeschildpadden afslachtten, beschermen nu de neststranden. Handelaren in mensapen verdienen nu een beter en eerlijk inkomen als dierverzorger. Waardoor voor hem het risico om gevangen genomen te worden is afgenomen. En ook de Mahout hoeft niet langer zijn olifant te mishandelen om deze de hele dag monotone rondjes te laten lopen met toeristen op de rug, maar kan zijn olifant vrij laten rondlopen in een eco-toerisme project. Mens en dier profiteren.
Een mooi voorbeeld van zo’n geslaagd project is die van het Cheetah Conservation Fund in Namibië. Zij laten tientallen cheeta’s vrij. Met zenders in nekbanden kan de organisatie de cheeta’s volgen en zien waar er conflicten tussen mens en cheeta voorkomen moeten worden. Een ander succesverhaal is dat van het Turtle Conservation Project op Sri Lanka. Zij beschermden vijftien jaar lang duizenden schildpadnesten per jaar, die anders nagenoeg allemaal leeggeroofd zouden zijn. Meer dan een miljoen babyschildpadjes kregen daardoor een kans op leven. Dankzij dit project zijn de belangrijkste neststranden tot natuurreservaat uitgeroepen en is het strafbaar geworden om daar nesten leeg te roven.
Het Risso project op de Azoren heeft de afgelopen jaren populaties dolfijnen en walvissen in kaart gebracht en hun gedrag geobserveerd. Hierdoor is er nu een verbod om met toeristenboten te dicht bij de dolfijnen of walvissen te komen. Dit zorgde namelijk voor stress voor de dieren en velen raakten gewond door de schroef van een boot.
Elephant Transit Home op Sri Lanka heeft al honderden olifanten die alleen binnenkwamen, gewond of als wees, weer als familiegroepen in nationale wildparken vrij kunnen laten. Het Sintang Orangutan Centre heeft ondanks haar korte bestaan al tientallen orang-oetans weten te bevrijden, die onder erbarmelijke omstandigheden, ziek, verzwakt en fysiek mishandeld vaak jarenlang aan een boom geketend zaten. Ze leiden nu een waardig bestaan en enkele kunnen misschien in de toekomst, dankzij intensieve training, toch nog in het wild worden vrijgelaten.
Het kleine pinguïnopvangcentrum SAPREC in Zuid-Afrika vangt jaarlijks honderden zieke en verzwakte pinguïns en zeevogels op. Kort geleden hebben zij het eerste pinguïnjong dat in het opvangcentrum geboren is, vrij kunnen laten bij een natuurlijke kolonie. Dit is een voorbeeld van zo’n kleine bijdrage aan de natuur, met een grote impact op het probleem. De vrijlating van de jonge pinguïn was namelijk een mijlpaal voor het project, een gebeurtenis waardoor de toegewijde vrijwilligers zich gesterkt voelen om door te gaan met hun goede werk.
Grote projecten, grote impact
De van oorsprong Nederlandse orang-oetan beschermer Willie Smits is de architect achter een allesomvattende oplossing voor de grootschalige kappingen van het regenwoud. Zowel het milieu profiteert, als de dieren, de gemeenschap op Borneo, het internationale bedrijfsleven en uiteindelijk ook de consument. Het project heeft als doel om de trend te doorbreken, dat de lokale gemeenschap land verkoopt aan palmoliebedrijven. Kort gezegd ligt de huidige trend ten grondslag aan hét probleem van klimaatverandering: De bossen maken op Borneo plaats voor een monocultuur van palmolieplantages, waarin geen dier meer kan leven. Er wordt minder CO² omgezet in zuurstof en er komen grote hoeveelheden CO² vrij uit de veenachtige grond door het omploegen. De temperatuur op aarde stijgt, er valt minder regen en de zeespiegel stijgt.
Smits bedacht dat de suikerpalm alleen groeit omringd door andere vegetatie. De suikerpalm geeft een enorme opbrengst suiker, maar het nadeel is dat deze binnen een dag begint te fermenteren en onbruikbaar wordt. Samen met een andere Nederlandse organisaties werd een klein mobiel verwerkingsfabriekje ontwikkeld, dat diep in de jungle bij de lokale stammen geplaatst kan worden. Deze zogenaamde Village Hub verwerkt de suiker en het suikerwater nog dezelfde dag tot beter bewaarbare halffabricaten en levert daarnaast elektriciteit, drinkwater en ethanol voor de lokale gemeenschap. Door hun land te herbebossen met onder meer suikerpalmen en andere bruikbare en verkoopbare gewassen, heeft de lokale bevolking op termijn hogere inkomsten dan dat ze hun land voor een eenmalig bedrag zouden verkopen.
En de vraag naar palmolie? De palmsuiker heeft zoveel gebruiksmogelijkheden dat ze de vraag naar palmolie deels kunnen vervangen. De Village Hubs zijn kostbaar, maar ze verdienen zich ruimschoots terug in de toekomst. Het regenwoud blijft dus behouden en er wordt nieuw woud aangeplant, waar de dieren vrij kunnen leven. De mensen kunnen een goed en duurzaam inkomen behalen en de wereld behoudt haar natuurlijke longen. Hoeveel beter voelt het voor consumenten om producten te kopen waar geen bos voor is gekapt, maar juist bos voor is aangeplant?
Er is nog een lange moeizame weg te gaan, maar de kleine en grote successen die onderweg geboekt worden maken het allemaal de moeite waard. Zij geven kracht om onverzettelijk door te gaan.