1 juni, 2011 | Auteur: Erik Wallert | Trefwoord: nederland
De strip als serieuze kunst- of literatuurvorm
Strips zijn in. Dat zeggen althans de stripliefhebbers. Hoewel dat er steeds meer worden, zal de rage aan de massa voorbij zijn gegaan. Een groep mensen die inmiddels wel op de hoogte is, zijn de lezers van NRC.next. Die konden een week lang elke dag de top vijf inzendingen voor de Benelux Beeldverhalen Prijs (BBP) lezen, een wedstrijd voor jonge, ambitieuze striptekenaars.
De waardering voor de strip als serieuze kunst- of literatuurvorm groeit hard de afgelopen jaren. In Amerika kan een serieuze boekhandel niet zonder uitgebreide afdeling graphic novels. In Vlaanderen heeft het Fonds voor de Letteren al enkele jaren een forse subsidiepot voor striptekenaars klaarstaan (met goed gevolg: Vlaamse strips gooien hoge ogen; met name Ergens waar je niet wilt zijn van Brecht Evens wint prijzen in elk land waar het vertaald wordt). In Nederland is de hausse wat minder zichtbaar dan in het buitenland, maar ook hier komen strips uit het verdomhoekje. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Maarten Toonderprijs, een oeuvreprijs voor Nederlandse striptekenaars. De toekenning daarvan aan undergroundtekenaar Peter Pontiac kreeg afgelopen maand aandacht van verschillende landelijke media. En inmiddels heeft ook het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst een subsidiepotje voor striptekenaar met ambitie.
We hebben het dan ook niet over strips als Astérix, Suske en Wiske of Amerikaanse superheldenpulp; dat is voor kinderen. Volwassenen lezen graphic novels, in Nederland ook wel literaire strip of beeldverhaal genoemd. De leek ziet die term misschien aan voor een chique smoes om als volwassen vent Kuifje te blijven lezen, de cynicus vermoedt een marketingtruc om strips aan een koopkrachtiger publiek aan te smeren. In ieder geval heeft de nieuwe aandacht geleid tot een grotere kwaliteit. Het echte beeldverhaal onderscheidt zich door een uitgebreid en gelaagd verhaal, doordacht tekenwerk van hoog niveau en fraaie, soms bibliofiele uitgaven.
In deze tendens past de BBP. Tegen de trend in legt de wedstrijd de deelnemers wel een beperking in lengte op: de strip mag slechts twee pagina’s lang zijn. Dat is ongeveer hoeveel papier Lucky Luke nodig heeft om zijn revolver te trekken – en hij schiet nog wel sneller dan zijn eigen schaduw. Probeer in die tijd maar eens een afgerond beeldverhaal te vertellen. Van de vijf in NRC.next getoonde strips zijn er dan ook vier anekdotisch, zonder een werkelijk begin of einde. Alleen de Vlaming Dieter Van der Ougstraete weet met Leven 1.0 (de gedeelde nummer drie) een volledig verhaal te vertellen door een heel leven terug te brengen tot de termen die we kennen van Facebook en apps: ‘vind ik leuk’, ‘toevoegen aan winkelmandje’, ‘profiel aanpassen’. Hij is ook de enige van de vijf die zijn strip met de computer tekende (al is dat verraderlijk, want veel met computers getekende strips zijn niet van ‘echt’ te onderscheiden). De tekeningen zijn een beetje knullig en komen juist niet modern over. Dat geeft een mooie dubbele bodem: is het moderne leven gereduceerd tot wat Facebook ervan maakt of hebben we nu alleen nieuwe termen om hetzelfde leven te beschrijven?
De dubbele bodem is een van de troeven van het beeldverhaal: door in het beeld af te wijken van de tekst kan een verhaal een andere lading krijgen. Dat is terug te zien bij de nummer twee, Bestevaêr van Frank Landsbergen. De twee pagina’s zijn niet één verhaal, maar zien eruit als twee afleveringen uit de avonturen van de oer-Hollandse superheld Bestevaêr. De tekeningen zijn knullig, de kleuren flets, de letters niet geschreven maar gedrukt – in alles bootst Landsbergen de goedkope pulpstrips uit de jaren vijftig na. Dat stelt de eigentijdse avonturen in een ironisch licht. Bestevaêr volgt met andere oubollige superhelden (de Hulk en Archie de Man van Staal zijn te herkennen) een cursus ‘Jezelf in de markt zetten’ en mag zich in deel twee buigen over de zorgen van de hardwerkende Nederlander anno nu. Dat pakt verkeerd uit voor de marketinggoeroe en voor Nederland; de moderne mens kan kennelijk niet ongestraft terugkeren naar de jaren vijftig. De gelaagdheid van het verhaal, de ironische stijl en de toepasselijke tekeningen maken dit het sterkste verhaal van de vijf.
De winnaar is volgens de jury echter De smeulende vrouw door Jan van Doornspeek. Het is een korte hervertelling van het sprookje van Hans en Grietje (hier een kind met twee hoofden), die weigeren terug te keren naar hun ouders en zich vrijwillig bij de heks aansluiten. Als die helemaal geen aardige nieuwe moeder blijkt, vluchten ze ook bij haar weg. Als verhaal zonder begin en zonder clou doet het onder voor Mariko van Aimée de Jongh, de nummer drie. De liefelijke kinderboekentekeningen van De smeulende vrouw zijn mooi, maar vallen in het niet bij die van Bart Nijstad (nummer vijf, die met Jongens dromen qua tekenstijl iedereen het nakijken geeft). De dubbele bodem, indien aanwezig, is te goed verstopt. Desondanks ziet de jury iets in Van Doornspeek. Behalve de succesvolle tekenares Maaike Hartjes en initiatiefnemer van de BBP Rienk Tychon zit daarin ook Gert Meesters, docent aan de Universiteit Leuven en auteur van Convergentie en divergentie in de Nederlandse standaardtaal: Het stripverhaal Suske en Wiske als casus.
Nou ja, een oordeel is altijd subjectief en iedere stripliefhebber moet zelf maar een oordeel vellen. Dat kan vanaf 4 juni, wanneer een tentoonstelling met de vijftig beste inzendingen opent in de Haarlemse galerie 37PK. Om 16.00 uur worden de prijzen uitgereikt door striptekenaar Hanco Kolk, auteur van de graphic novelserie Meccano. Uitgever Tychon bereidt een derde BBP voor, mogelijk met meer inzendingen uit België. Stoot Amsterdam volgend jaar Brussel van de troon als Europa’s striphoofdstad?