28 april, 2010 | Auteur: Mirella Obdam | Beeld: Alex Wolf | Trefwoord: nederland
Ik lees dus ik ben
Wat bepaalt een identiteit? Is dat het denken van de mens? Het voelen? Of gaat het meer om het werk van iemand en de erkenning die hij krijgt van anderen? Over deze en andere vragen gaat het boek ‘Dus ik ben. Een Zoektocht naar identiteit’ van Stine Jensen en Rob Wijnberg. Het boek is een leuk initiatief, maar heeft zwakke kanten.
De schrijvers koppelen in het boek filosofische inzichten aan hedendaagse gebeurtenissen. In het epiloog krijg je vele ontwikkelingen voorgeschoteld over onder meer ‘de Nederlander’, politiek, cultuur en identiteit. De wereld is steeds groter en onzekerder geworden, schrijven Jensen en Wijnberg.
Na het proloog volgen er elf ‘Dus ik ben’-hoofdstukken. Onderverdeeld naar onder meer denken, voelen, werken, erbij horen, een verleden hebben en erkend worden. Bij ieder onderdeel komen filosofen aan bod die in het verleden of recentelijk iets over het onderwerp hebben gezegd. Deze ideeën worden in een toegankelijke en leesbare stijl uiteengezet.
Jensen en Wijnberg schrijven met ‘Dus ik ben’ voor het eerst samen een boek. Jensen is filosoof, schrijver en literatuurcriticus voor ‘NRC Handelsblad’. Ze publiceerde eerder haar proefschrift ‘Waarom vrouwen van apen houden’ en verder ‘Dokter Jazz’, ‘Goddelijke Brulapen’, ‘Leugenaars’ en ‘Turkse vlinders’. Wijnberg is essayist en columnist en schrijft voor ‘NRC Handelsblad’ en ‘nrc.next’. Eerdere boeken van Wijnberg zijn: ‘Nietzsche en Kant lezen de krant’, ‘Boeiuh’ en ‘In Dubio’.
Geert Wilders
Politiek, terrorisme en de islam spelen een grote rol in ‘Dus ik ben’. In het eerste hoofdstuk ‘Ik denk dus ik ben’, wordt het principiële denken van Immanuel Kant vergeleken met de identiteit van hedendaagse politici. Kant vond dat de menselijke identiteit tot uiting kwam in het vermogen tot universeel moreel handelen. Om autonoom door het leven te gaan, moet je volgens Kant niet handelen op basis van wat er toevallig gebeurt, maar vanuit je principes. Tegenwoordig zie je volgens Jensen en Wijnberg steeds vaker principiële politici, in tegenstelling tot de pragmatische variant (Obama, Bos, Pechtold) die vroeger gebruikelijker was. Burgers hebben nu meer behoefte aan zekerheid door onder meer de dreiging van terrorisme. IJzeren Rita Verdonk en Geert Wilders spelen hierop in, aldus de schrijvers.
De Partij Voor de Vrijheid (PVV) wordt in het boek vaak gebruikt als voorbeeld. Natuurlijk is de partij een belangrijk aspect in het huidig politieke landschap, maar als lezer word je er mee overvoerd. Zo komt Wilders ook voorbij in het hoofdstuk ‘Ik heet, dus ik ben’. Hier is te lezen dat de PVV op basis van een naam denkt te kunnen voorspellen hoe iemand denkt, zoals bij de naam Mohammed. De schrijvers zetten hier een Deense fotografe tegenover die een boek uitbracht met 43 Mohammeds, die allen een heel andere identiteit bleken te hebben. ‘Dus ik ben’ is door de aangehaalde situaties een anti PVV-oproep.
Jammer is dat de schrijvers geen gebruik maken van bronverwijzingen. In het eerste hoofdstuk nuanceren Jensen en Wijnberg het risico van de islamisering door cijfers aan te reiken over de omvang van de islam in Nederland. Maar doordat je niet weet waar deze informatie vandaan komt, mist het verhaal overtuigingskracht. Ook in hoofdstuk tien over consumeren is dit het geval. Hier lees je dat winkelen de meest populaire vrijetijdsbesteding is onder jongeren, maar wie dit wanneer onderzocht heeft, blijft onduidelijk.
Kort door de bocht
In ‘Dus ik ben’ is veel ruimte voor overdenking. Naast conclusies in de vragende vorm, komen er uitspraken voor die nogal kort door de bocht zijn of niet kloppen. Zoals de afsluiting van hoofdstuk vijf, ‘Ik hoor erbij, dus ik ben’. Jensen en Wijnberg beschrijven hier dat steeds minder mensen zich aansluiten bij politieke partijen en bewegingen, vooral de jongeren. De schrijvers menen dat dit mogelijk komt doordat er tegenwoordig weinig dreigingen zijn met een duidelijke vijand, die je ter verantwoording kunt roepen.
Het belang om jezelf te kunnen zijn, is meer voorop komen te staan dan het belang van vereniging. Critici zien hierin een gebrek aan sociale cohesie en maatschappelijke betrokkenheid. De schrijvers noemen dat je het ook positiever kunt opvatten en besluiten met de woorden ‘we zijn in ieder geval voor niemand bang’. Hoezo zijn we voor niemand bang?
Ook al is de vijand niet direct op het matje te roepen, de angst voor die onbekende boosdoener kan blijven bestaan. Sterker nog, die kan juist toenemen. Even later in het boek, in hoofdstuk zes over lijden, vinden de schrijvers de mens wel bang. Hier wordt gesteld dat de westerse mens in vergelijking met andere delen van de wereld minder lijdt, maar dat hij bang is om zijn goede leven te verliezen. Met name door dingen die niet beïnvloed kunnen worden zoals de (geestelijke) gezondheid, de kredietcrisis of de islam.
Het boek sluit af met een epiloog over authenticiteit. In dit deel van het boek komt alles wat aan bod is gekomen samen en krijg je als lezer nog wat punten ter overdenking mee. Zoals: Wat is authenticiteit? Hoe kun je dit bereiken? En wat hebben we over voor duurzaam geluk?
‘Dus ik ben’ gaat verder dan alleen het boek. Sinds juli 2009 is de weblog www.dusikben.nl online, waar de schrijvers en anderen een bijdrage leveren over identiteit. Je ziet er beelden die de deelnemers kozen omdat ze iets zeggen over de huidige tijd. Daarnaast schreven Jensen en Wijnberg artikelen voor ‘nrc.next’ over beelden die gekoppeld werden aan filosofische vragen. En dit najaar is er bij de Humanistische Omroep Stichting een serie van vier afleveringen te zien waarin Jensen onderzoekt hoe wij onszelf definiëren in de hedendaagse cultuur.