16 april, 2010 | Auteur: Maud Robberts | Beeld: Geesje van Haren | Trefwoord: nederland
De Nederlandse weilanden als thuishaven voor exotisch vee
Steeds meer boeren lijken geïnteresseerd te raken in de mogelijkheden die uitheems vee biedt. Denk aan waterbuffels, struisvogels, zelfs kamelen. Geen dier is te gek om op het Nederlandse platteland onderdak te bieden en te verwerken tot producten. Waarom? Daar zijn allerlei redenen voor te noemen. Het gaat niet goed meer met het bedrijf, de dieren worden ziek of de boer raakt simpelweg gefascineerd door een ander dier dan de reguliere koeien en varkens.
Gefascineerd raken door zogenoemde exoten. Veel Harry Potter fans kunnen erover meepraten. Als de jonge tovenaar in ‘Harry Potter and the Philosopher’s Stone’ de sneeuwuil Hedwig cadeau krijgt van de reus Hagrid voor zijn verjaardag, smelt menig kinderhart. En dat van hun ouders eigenlijk ook. “De film wekt de illusie dat de sneeuwuil een heel leuke vogel is om te houden”, vertelt valkenier Marijke Keijzer in een uitzending van De Wereld Draait Door van 16 maart. Een illusie. Want eigenlijk zijn uilen helemaal niet zo’n leuke en lieve dieren als de film doet lijken. Er wordt volgens Keijzer een beeld geschetst dat niet aan de werkelijkheid voldoet: “Dat het een tam dier is, terwijl het toch echt om wilde dieren gaat.” De komst van Hedwig in de films van Harry Potter is een van de voorbeelden dat exotische dieren steeds meer in trek zijn.
Dat is ook het geval bij de Nederlandse boer. Er zijn voor een boer allerlei redenen om het over een andere boeg te gooien. Maar zomaar een dier kiezen, kopen en houden kan niet. Er zijn internationaal regels gesteld om diersoorten te beschermen voor de handel. Daarbij is een groot aantal dieren als beschermde diersoort aangewezen. Deze regels zijn in Nederland in een aantal wetten vastgelegd. Daar staat bijvoorbeeld in dat voor het houden van bepaalde diersoorten speciale huisvesting, verzorging of voer nodig is. Maar als de boer aan dit alles heeft voldaan, kan het zomaar gebeuren dat je als argeloze wandelaar in Kelpen-Oler buffels in de wei ziet staan. Of in het Brabantse Cromvoirt tussen de koeienstallen een kamelenfarm tegenkomt.
Melkquotum
Dat het als beginnende of noodlijdende boer soms aantrekkelijker is om andere dieren dan koeien of varkens te kiezen, komt door het melkquotum. Dat is in 1984 in Nederland ingesteld. Het quotum geeft een melkveehouder het recht om een vastgestelde hoeveelheid melk te produceren. Is het melkquotum van de boer bijvoorbeeld 300.000 kilo, dan mag hij dus ook maximaal zoveel kilo melk aan de melkfabriek leveren.
Niet alleen de individuele melkveehouder moet zich aan een quotum houden, dit geldt ook voor de fabrieken. Dit quotum is gelijk aan de som van de melkquota van de boeren die melk aan de fabriek leveren. Het melkquotum is ingevoerd omdat er in de Europese Unie meer aanbod dan vraag was naar melk. De zogenoemde melkplas ontstond. Nu is de productie dus begrenst. Want als een fabriek meer melk verwerkt dan het melkquotum toestaat, moet er een boete van 115 procent van de melkprijs, over de teveel verwerkte melk worden betaald. Die boetes worden door de boeren die meer dan het quotum hebben geproduceerd, betaald. De koopprijs van melkquotum varieert. In vergelijking met andere EU-landen kost een melkquotum in Nederland vrij veel. Dit komt omdat het quotum schaarser is dan in andere landen. De Nederlandse bedrijven kunnen namelijk goedkoper melk produceren.
Er gaan stemmen op om het melkquotum af te schaffen. Eind 2007 heeft de Europese Unie concrete voorstellen gedaan voor versoepeling en uiteindelijk afschaffing (in 2015) van het melkquotum in de EU. Dat zal leiden tot een toename van productie in gebieden waar efficiënt geproduceerd wordt. Daardoor dalen de prijzen en haken minder efficiënte bedrijven af. De totale melkproductie in de EU zal daarom na (geleidelijke) afschaffing van de melkquotering maar weinig (2 à 3 procent) toenemen, zo blijkt uit diverse modelstudies. Wel zullen de melkprijzen dalen; afhankelijk van de studie tussen de 5 procent en 15 procent.
Maar zolang het quotum nog intact is, is het volgens exotendierenarts Peter Klaver moeilijk om een melkveebedrijf uit het niets op te starten. “Als je familie geen boerderij heeft, is het opstarten van een traditionele boerderij erg prijzig. Het kopen van quotum is duur en daar komen dan ook nog alle bijkomende kosten als land en stallen bij.” Dan kan het interessant worden om je te richten op ander, wellicht minder voor de hand liggend, vee. Kamelen bijvoorbeeld.
Kamelen
Frank Smits waagde in 2006 de stap. Drie kamelen op een braakliggend terreintje naast zijn studentenflat in Den Bosch, meer was het niet. Maar inmiddels is het een heus boerenbedrijf in de Brabantse boerenpolder. En daarmee is Frank Smits een vreemde eend in de bijt. Tussen de stallen met koeien, staat zijn bedrijf met kamelen. De enige in Nederland. Vader Marcel Smits kocht de eerste drie kamelen voor zijn zoon. Per speciaal ingerichte vrachtwagen werden ze vanaf de Canarische eilanden naar het Brabantse platteland vervoerd. “Frank wilde graag boer worden en was enthousiast over de mogelijkheden van kamelen houden. Daarom heb ik hem geholpen, die eerste drie waren om te oefenen”, legt vader Smits uit.
Inmiddels is het bedrijf van de pionier de oefenfase allang ontgroeid. Op het moment heeft boer Smits bijna vijftig kamelen, al staan ze niet allemaal in de stal. “Een kameel is pas vruchtbaar vanaf haar vierde jaar, dus die eerste jaren staan ze alleen maar te vreten, schijten en spugen. Dat mogen ze mooi bij een ander doen”, lacht Frank Smits. En dus staat er een aantal kamelen van Smits in dierentuinen in Nederland en Duitsland.
Smits zag mogelijkheden in het produceren van kamelenmelk. Het schijnt namelijk gezond te zijn. “Het heeft een laag vetpercentage, weinig suiker en een totaal andere eiwitstructuur dan bijvoorbeeld koemelk. Er zitten veel mineralen in en vitamine C. De kamelenmelk lijkt hierdoor het meest op menselijke moedermelk”, legt Smits uit.
Dat is vooral voor mensen met suikerziekte goed nieuws. De suikerspiegel stabiliseert en er hoeft minder insuline gespoten te worden, blijkt uit een klein vooronderzoek bij personen met Diabetes Mellitus type 1. De uitkomsten zijn positief en reden voor het Nederlands Instituut voor Zuivel Onderzoek (NIZO), TNO-Zeist, de afdeling humane Voeding van Wageningen Universiteit en het Voedingsziekenhuis Gelderse Vallei te Ede om een verder, grootschalig, onderzoek naar kamelenmelk te starten, waarbij de invloed van kamelenmelk bij mensen met diabetes onderzocht wordt.
Buffels voor mozarella
Bij Frits Geraets ging het iets anders. Hij stond voor de keuze om het boerenbedrijf van zijn ouders over te nemen. Veertig melkkoeien stonden tot zijn beschikking. Om verder te kunnen, waren het er eigenlijk te weinig. Maar meer koeien betekent meer quotum en dus meer kosten. Financieel was het niet aantrekkelijk. Dus ging Geraets zich oriënteren op andere mogelijkheden. Allerlei opties passeerden de revue, tot hij stuitte op waterbuffels. Geraets: “Een collega-boer was een jaar eerder al waterbuffels gaan houden, daardoor werd mijn interesse gewekt.”
Het dier behoort tot de grote herkauwers en komt van nature voor in Zuid-Azië. Rustige, goedhandelbare en nieuwsgierige dieren. De waterbuffel is relatief zeldzaam in Nederland. Volgens Geraets zijn er maar een paar kudde’s die op buffelfarms gehouden worden. In totaal waren er in 2008 volgens de boer zo’n duizend waterbuffels. De omschakeling om de waterbuffels te gaan houden zou voor Geraets niet zo groot zijn. Eigenlijk hoefde er, voor de zeventig waterbuffels uit Italië, amper een aanpassing aan de bestaande koeienstal gedaan te worden. Wel is het van belang om het voerrek in de stal te vervangen door buizen zodat de waterbuffels niet met hun horens vast komen te zitten.
Hét product van de waterbuffel is mozzarella. De melk van de waterbuffel wordt al meer dan 900 jaar gebruikt om deze verse kaas te maken. Volgens de kenners is deze onmogelijk te verwarren met de koemelkmozzarella die anders van smaak en samenstelling is. Maar ook yoghurt is een product van de waterbuffels van Geraets. “De melk van waterbuffels is dikker. Koemelk heeft een vetpercentage van 4,5. Waterbuffelmelk 8,5 procent. Hierdoor is er minder melk nodig om kaas te maken. Er is een groot verschil als je het proeft, de mozzarella gemaakt van buffelmelk is veel voller van smaak”, vindt Geraets.
“Waterbuffels zijn sterke dieren”, aldus Geraets. “Ze zijn niet erg vatbaar voor ziekten. Ook eten ze minder dan koeien. Ze zijn gemakkelijk te houden, dat heb ik gaandeweg geleerd.” En hoewel de vraag naar waterbuffelmozzarella ieder jaar groeit volgens de boer, blijft het moeilijk een plekje op de markt te veroveren. Er is veel concurrentie uit Italië, waar grotere fabrieken de waterbuffelmelk tot mozzarella verwerken. Geraets: “Ze zijn daar iets flexibeler en willen nog wel eens wat koemelk toevoegen.” DiBufa, het bedrijf van Geraets, geeft de garantie dat het percentage volle buffelmelk in de mozzarella honderd procent is. “We bevinden ons nu in een nichemarkt, maar dat maakt het ook een uitdaging.”
Thuis voelen
De hype rondom de uil Hedwig uit Harry Potter is een van de voorbeelden van de populariteit van exotische dieren als huisdier. Op de website van de Dierenbescherming valt te lezen: "Veel mensen vinden het leuk, interessant of stoer om een bijzonder dier te hebben. Zelden realiseren zij zich dat deze dieren helemaal niet in ons land thuishoren en al helemaal niet in een kooi, hok of kom. Laat staan dat zij weten waar deze dieren vandaan komen en welke lijdensweg ze hebben afgelegd. Hoe makkelijk de aanschaf is van exotische dieren, zo moeilijk is hun verzorging. De dieren leven hier in een ander (kouder) klimaat, vaak met een gebrek aan leefruimte. Veel exotische dieren overleven mede daardoor de Nederlandse huiskamer niet."
Maar ook de exoten in de wei roepen bij voorbijgangers wellicht de vraag op of dat wel goed is voor het welzijn van de dieren. Daar hoeft niemand zich zorgen over te maken, aldus Smits. Zijn kamelen kunnen door de isolerende vacht en het vet in de bult een temperatuurverschil van zo’n honderd graden aan. Frank Smits: “Een koe in de woestijn gaat dood, een kameel in de wei redt zich prima. Al is het melken van een kameel wat lastiger. Zodra een kameel een kalf heeft gekregen kan het dier gemolken worden. Dat gebeurt machinaal. Het kalf moet er altijd bij aanwezig zijn, de moeder moet het kunnen zien en ruiken, anders geeft ze geen melk.”
Uit de resultaten van het onderzoek ‘De dromedaris ingelijst’ van Wageningen UR uit 2008 blijkt dat het houden van kamelen in Nederland, mits voldaan aan bepaalde eisen, niet tot onoverkomelijke dierenwelzijnsproblemen lijkt te leiden. Hoewel onderzoek noodzakelijk blijft wanneer dit op grotere schaal gaat plaatsvinden. Bij het machinaal melken van kamelen zijn wel welzijnsproblemen geconstateerd. Met de specifieke eigenschappen van de uier van kamelen moet rekening gehouden worden; zo moet voldoende tijd worden uitgetrokken om de uier voor te masseren en mogen de dieren niet te lang aangesloten zijn aan de melkmachine.
Ook Geraets is van mening dat zijn dieren het prima naar hun zin hebben in Nederland. “Ze zijn op een soort vakantie. Waterbuffels transpireren amper en als het warm is moeten ze de verkoeling van buiten halen. In hete gebieden zoeken ze dit in rivieren en meren. Maar het gematigde klimaat van Nederland is voor de waterbuffel aangenaam.” ‘Zoals de Nederlander naar Italië gaat om zon te halen kun je – bij wijze van spreken – stellen dat de waterbuffel naar Nederland gaat om koelte te halen’, zo valt te lezen op de site van DiBufa.
Uit het eerder genoemde onderzoek van Wageningen UR blijkt dat in Nederland de waterbuffels nauwelijks de gelegenheid hebben om te baden. Daarom moeten ze altijd de mogelijkheid hebben om in de schaduw te staan. Op warme dagen wordt gebruik gemaakt van een ventilator in de stal om de dieren te koelen. Waterbuffels zijn aangepast aan een klimaat met een hoge temperatuur en een hoge luchtvochtigheid. Thermoregulatie is in Nederland daarom moeilijk voor waterbuffels en vergt aandacht van de houder.
Zolang het melkquotum bestaat kan het voor boeren verleidelijk blijven om exoten te houden. Dierenarts Klaver: “Boeren kunnen het melkquotum voor koeien verkopen en dat geld gebruiken om exoten aan te schaffen. Op de langere termijn moet blijken of het haalbaar is, of je er van kunt leven. Dat hangt erg af van de melkprijzen.”