10 september, 2009 | Auteur: Stephanie Waasdorp | Beeld: Alex Wolf | Trefwoord: wereld
Afval wordt weer voedsel
De basisgedachte van het in 2002 geïntroduceerde cradle to cradle principe is die van een eindeloze kringloop. Als afval weer voedsel wordt zijn we van een hoop problemen af. De ideeën zijn veelbelovend, maar er is ook kritiek op dit principe.
Een voorbeeld van een dergelijk product is het boek van McDonough en Braungart, ‘Remaking the Way We Make Things – Cradle to Cradle.’ ‘This book is not a tree’ is de titel van de introductie. We gaan er meestal automatisch vanuit dat boeken, kranten en tijdschriften van papier worden gemaakt. Het is zo vanzelfsprekend geworden dat we niet eens meer de vraag stellen of er geen andere mogelijkheden zijn. McDonough en Braungart deden dat wel. Het boek is gemaakt van biologisch afbreekbaar kunststof, dat nadien opnieuw als papier kan worden gebruikt. Ook de inkt kan worden gescheiden en opnieuw als inkt dienst doen, in tegenstelling tot papierinkt. Extra voordelen zijn dat het boek erg lang meegaat en waterbestendig is.
Recyclen is niet goed genoeg
Het verlangen om milieuvriendelijker te produceren gaat terug naar de eerste fase van de industriële revolutie, halverwege de achttiende eeuw. Industrieën waren toen zo vervuilend dat er regels doorgevoerd werden om te voorkomen dat mensen niet direct ernstig ziek werden. Sinds die tijd is de reactie op deze vervuiling altijd gebaseerd geweest op het verminderen, terugbrengen, voorkomen daarvan.
Volgens McDonough en Braungart is dat niet goed genoeg. We kunnen consuminderen, recyclen, afval scheiden en productieprocessen milieuvriendelijker maken, maar dat vermindert slechts het tempo waarin de vervuiling plaatsvindt. En als we het over recyclen hebben gaat dat bovendien vrijwel altijd gepaard met kwaliteit- en waardeverlies van het product. Om echt ‘goed’ te zijn moeten we een nieuwe manier vinden om producten te maken. Vanaf het eerste ontwerp dienen we rekening te houden met de voorwaarde dat al het gebruikte materiaal (tot de verpakking aan toe) dienst moet kunnen doen als voedsel voor de natuur of voor andere producten. Daarbij mogen er tijdens de fabricage geen schadelijke afvalstoffen ontstaan.
Het vernieuwende van de cradle to cradle concept is dat McDonough en Braungart van duurzaamheid een designkwestie maken. Als alle producten, maar ook gebouwen en steden, onderdeel uitmaken van een kringloop waarin niets verloren gaat hoeven we niet te consuminderen, is de strekking van hun boodschap. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vooral het bedrijfsleven erg enthousiast is over het concept. Zo heeft Nike bijvoorbeeld een sportschoen ontwikkeld die na gebruik demonteerbaar en volledig recyclebaar is.
In Nederland is Venlo de eerste regio die het cradle to cradle principe volledig in praktijk wil brengen. Eind 2004 kreeg het gebied de status van Greenport. Het is een economisch netwerk waar onderzoekers, onderwijsinstellingen, ondernemers, overheden en consumenten samenkomen om ideeën uit te wisselen en voor te leggen aan andere netwerkpartners. McDonough en Braungart zijn nauw betrokken bij de ontwikkelingen en ook Steven Spielberg heeft zijn interesse getoond. Hij heeft aangekondigd een documentaire te maken over cradle to cradle, waarin ook Venlo een rol zal spelen.
Hype
Dat economische groei niet ten koste hoeft te gaan van het milieu is in tegenstelling met de veelgehoorde opvatting dat we onze westerse levensstijl drastisch zouden moeten aanpassen om vervuiling tegen te gaan. Sommigen zijn dan ook van mening dat cradle to cradle niet meer is dan een hype. Een veelgehoord kritiekpunt is dat McDonough en Braungart het duurzaamheidvraagstuk slechts van één kant benaderen, namelijk de technische. Daarmee gaan ze voorbij aan de sociologische, economische, maatschappelijke en culturele kanten van het probleem. Ook zouden de cradle to cradle mogelijkheden wel erg ver af staan van de werkelijkheid.
In het opinieartikel ‘Cradle to cradle is een ondoordachte hype’ in Trouw van 7 december 2007, waarschuwen professor Pim Martens en Bas Amelung (hoogleraar en docent aan de Universiteit van Maastricht) ervoor dat we ons niet al te gemakkelijk in slaap moeten wiegen. “Het gebruik van louter afbreekbare stoffen is geen garantie voor succes. Als je de concentratie maar hoog genoeg maakt, wordt alles giftig. Zelfs aan een overdosis zuiver water kun je doodgaan. De mest van een paar koeien in de wei houdt het land vruchtbaar, maar een teveel aan mest vergiftigt de bodem en het drinkwater. Het is dus verleidelijk maar ook gevaarlijk om te blijven hangen bij verbetering van de kwaliteit van producten zelf (de ’wat’-vraag), en bijvoorbeeld de ’hoeveel’-, ’waar’-, en 'wanneer’-vragen niet te stellen.”
Het duurzaamheids vraagstuk plaatst de wereld voor een grote uitdaging. Ondanks de pogingen van de mensheid om het allemaal zo goed mogelijk te doen blijft de milieuvervuiling groeien. Het is een wereldwijd probleem dat ons allemaal aangaat en onderwijsinstellingen, overheden, burgers, multinationals, ondernemers zullen moeten samenwerken om het tij te keren. Het blijft echter de vraag of McDonough en Braungart een nieuwe revolutie of een ondoordachte hype ontketend hebben. Zeker is dat ze met hun visie en hun boek een waardevolle bijdrage leveren aan de discussie rondom het thema.