3 maart, 2008 | Auteur: Lieke van Spreeuwel | Beeld: Rogier ten Hacken | Trefwoord: nederland
Winst voor milieu ook economisch succes?
Spaarlampen en biologische voeding zitten in de lift. Maar ook de verkoop van SUV’s, vliegreizen en jacuzzi’s rijzen tot recordhoogte. Goed voor de economie, maar niet voor het milieu. Marktwerking of een morele oproep zal het milieuprobleem niet oplossen, door goede milieumaatregelen neemt het aantal ‘duurzame consumenten’ wel toe. Winst voor het milieu, maar kan de economie dit aan?
In een commercial rijdt een SUV bij zonsondergang in een heuvelachtige woestijn. De sfeerbeelden slaan aan en de verkoop stijgt. Al zal de koper het Nederlandse asfalt er nooit mee verlaten en al rijdt hij 1 op 6. “Met een SUV, een vliegvakantie of een jacuzzi, wordt een bepaalde ervaring opgeroepen. Men koopt dit soort producten vooral om de zintuigen te prikkelen of omdat het aansluit bij een fantasie, niet zozeer om een praktisch doel te bereiken. Hedonistisch worden deze producten genoemd. Ze bezorgen de consument comfort en status”, aldus Saskia Schwinghammer, universitair docent Sociale en economische psychologie aan de Universiteit van Tilburg.
“Hedonistische producten worden door marketeers op een hedonistische wijze aangeprezen. In reclames wordt ingespeeld op het gevoel van avontuur, van schoonheid, van een goed imago. Mensen volgen dit gevoel en schakelen het verstand uit. Rationele normen en waarden en daarmee de gevolgen voor het milieu, kunnen dan naar de achtergrond verdwijnen.”
PvdA-kamerlid Diederik Samsom stelt in dit verband ‘De Dikke Ik’ van de Nederlander aan de kaak. Deze ‘Dikke Ik’ heeft de neiging om steeds maar meer te consume- ren, geïnspireerd door lifestyleprogramma’s en reclames. Hierdoor neemt de verkoop van energie- slurpers als terrasverwarmers en stortdouches toe en de nationale energierekening blijft groeien, ondanks mooie beleidsplannen.
Paradoxaal genoeg stijgt tegelijkertijd ook de verkoop van biologisch voedsel en van spaarlampen. Deze producten zijn anders van aard. Het zijn zogenaamde utilitaire producten die iemand echt nodig heeft voor een bepaald doel. Bij de aankoop hiervan speelt het verstand en daarmee normen en waarden een grotere rol. Schwinghammer: “Of een consument kiest voor duurdere biologische voeding of voor regulier geteelt eten, hangt af van zijn waarden en normen. Iemand voor wie milieubewustzijn een belangrijke waarde is, wil best extra betalen voor voedsel dat beter is voor het milieu. Milieubewuste consumenten zijn gevoelig voor een morele oproep, en hun aantal neemt toe. Maar er is ook een grote groep die het milieu niet zo belangrijk vindt en in mijn optiek is het juist deze groep die de overheid zou moeten bereiken.”
Sociale norm
Schwinghammer is gematigd optimistisch op de vraag of de groep duurzame consumenten veel groter kan worden. “Het is waarschijnlijk mogelijk om meer mensen meer milieubewust te maken en aan te zetten tot duurzamer consumeren. Belangrijk is om deze mensen die lichtelijk milieubewust zijn, meer milieubewust te maken.” De sociale psychologie zou hierbij een handje kunnen helpen.
Schwinghammer: “De sociale norm, algemeen geaccepteerd gedrag, is de belangrijkste voorspeller van sociaal gedrag. Als in de maatschappij de norm geldt dat milieuvervuiling slecht is, worden mensen aangekeken op milieuvervuilend gedrag. Dan laten ze het liever.”
Zo zou een collectieve gedragsverandering mogelijk zijn. Het is alleen de vraag hoe de norm voor zo’n grote groep te beïnvloeden is. “Goede voorlichting en Postbus 51-spotjes kunnen daarbij ingezet worden. Belangrijk is om hierin ook op het gevoel van de mensen te werken, net zoals de reclames voor hedonistische producten en zoals de film van Al Gore deed. Die had hierdoor een grote impact op mensen”, aldus Schwinghammer.
Interessant in deze is een experiment van de Amerikaanse psycholoog Robert Cialdini. Hij onderzocht hoe consumenten aangezet konden worden tot milieuvriendelijker gedrag. Hierbij ontdekte hij dat informatie sociale elementen moet bevatten om het gedrag van de lezer te beïnvloeden. In een wijk in Californië wilde hij de bewoners aanzetten tot energiebesparing. In drie folders met elk een andere strekking, werd uitgelegd hoeveel een huishouden kan besparen door zuinig te zijn met energie. De vierde folder ging over het milieuvriendelijke gedrag van de buren. Alleen die folder had effect: sindsdien werd er dagelijks twee kilowatt minder energie gebruikt. (1) “De sociale informatie moet overigens wel geloofwaardig zijn, anders werkt het niet.”
Kleine initiatieven
Schwinghammer: “De overheid zou kleine initiatieven zoals de Nationale Niet-Winkeldag kunnen steunen.” De Niet-Winkeldag is een jaarlijks terugkerende actiedag waarop mensen aangespoord worden een hele dag niets te kopen. Het doel hiervan is mensen bewust te maken van het feit dat overmatig kopen niet alleen belastend is voor het milieu, maar ook de oneerlijke verdeling van de rijkdom in stand houdt. “Dit soort acties laten zien dat er genoeg ‘goodwill’ is bij bepaalde subgroepen. De overheid zou dit soort initiatieven een steuntje in de rug kunnen geven door deze acties te ondersteunen en ze zo meer bekendheid en draagvlak te geven.”
Ook de verandering van de sociale norm heeft zijn beperkingen. Er zullen altijd subgroepen met een afwijkende leefstijl blijven. Daar heeft de overheid geen invloed op. “Sommige mensen willen juist opvallen en afwijken van de norm. Zij willen laten zien dat ze dure luxeproducten kunnen betalen. Dat gedrag is eeuwenoud en was al zichtbaar bij de keizers in het oude Rome die zich lieten omringen door slaven en leeuwen. Dit soort gedrag is door de jaren heen alleen steeds milieubelastender geworden.”
Economie
Wat gebeurt er met de Nederlandse economie wanneer milieubewustzijn een groter draagvlak krijgt en het consumptiepatroon verandert? Volgens Ekko van Ierland, hoogleraar milieueconomie aan Wageningen Universiteit, levert een geleidelijke overgang naar duurzaamheid economisch gezien geen problemen op. Zijn vakgebied bestudeert de waarde van het milieu en de milieueffecten van economische activiteiten.
Van Ierland: “Op dit moment heeft Nederland zo’n tien procent ‘duurzame consumenten’. Als dit aantal elk jaar met vijf procent groeit, kan de economie dat prima opvangen. Een duurzame consument geeft minder geld uit aan vervuilende producten, maar meer aan schonere. De economie zal vrij flexibel reageren op deze verandering. De toename van de vraag naar schonere producten betekent dat de producenten ervan meer mensen in dienst kunnen nemen. De productiecapaciteit voor schone producten kan dan uitbreiden.”
Een voorbeeld is de Amerikaanse auto-industrie. Op dit moment moeten Amerikaanse autobedrijven hun aanbod aanpassen aan de veranderende vraag. De immense bakken hebben er hun langste tijd gehad. Amerikanen kopen steeds meer kleine auto’s vanwege de hoge olieprijzen en een toename van het milieubewustzijn. De fabrikanten die goed inspelen op deze verandering hebben goede toekomstperspectieven. Zij die het slecht doen gaan failliet.
Financiële prikkels
Volgens Van Ierland zijn er financiële maatregelen nodig om duurzaam consumeren te bevorderen. “De economische theorie leert dat de marktwerking het milieuprobleem niet vanzelf op zal lossen. Het marktmechanisme, de wet van vraag en aanbod, werkt namelijk alleen goed als het gaat om private goederen. Dit zijn goederen die anderen uitsluiten er gebruik van te maken (bijvoorbeeld een auto, of een peer). Bij goederen die voor iedereen toegankelijk moeten zijn zoals schone lucht, en bij publieke goederen, werkt het niet. Ook faalt het mechanisme zodra er sprake is van externe effecten, zoals milieuvervuiling.”
Externe effecten zijn de financiële gevolgen waar geen rekening mee gehouden wordt wanneer iemand besluit iets te doen. Zo worden de kosten van het broeikaseffect niet meegenomen als iemand besluit om op vliegvakantie te gaan. Uiteindelijk ondervindt iedereen hier nadeel van. Zonder maatregelen zal het broeikaseffect niet opgelost worden, met alle mogelijke gevolgen voor de maatschappij.
Om deze reden zijn milieu-economen voor heffingen op milieubelastende producten. Van Ierland: “Deze heffingen laten zien dat het maken of gebruiken van een product milieuvervuilend is. De hoogte van de heffing hangt af van de verontreiniging. Er kan berekend worden welke negatieve gevolgen vrijkomende stoffen hebben op bijvoorbeeld de volksgezondheid of op ecosystemen. Op basis hiervan wordt een schatting gemaakt van de schade, uitgedrukt in geld. Vervuilende producten worden dan duurder en schone producten krijgen een goede positie in de markt.”
Ook op de transportafstand moeten heffingen ingevoerd worden. Van Ierland: “Als het transport juist geprijsd is, worden lokaal geproduceerde producten relatief goedkoper. Veel mensen kiezen voor goedkoop. Op dit moment kiezen zij voor producten die met lage arbeidskosten ver weg zijn geproduceerd. Dit veroorzaakt niet alleen overbodige uitstoot van CO2, ook verdwijnen hierdoor Nederlandse boeren van de markt, omdat ze zich vanwege hogere kosten niet langer kunnen handhaven.”
Wanneer de heffingen alleen in Nederland op grote schaal ingevoerd zouden worden, krijgen buitenlandse bedrijven concurrentievoordeel. Nederlandse bedrijven ondervinden dan schade met alle gevolgen van dien. Het grootschalig invoeren van milieuheffingen kan dus alleen plaatsvinden als het internationaal wordt afgestemd, zowel binnen de EU als met groeispurteconomieën zoals China en India. Dit laat waarschijnlijk nog even op zich wachten.
Slurp- en vliegtax
Er wordt op kleine schaal wel belasting geheven op basis van milieueffecten. Naast de zuiveringsheffing voor waterverontreiniging en de verwijderingsbijdrage op een koelkast is sinds 1 februari de slurptax een feit. Dit is een heffing voor elke gram CO2 die een auto meer uitstoot dan de toegestane waarde.
Volgens Saskia Schwinghammer heeft de slurptax twee kanten. “Het is enerzijds rechtvaardig voor mensen die milieubewust leven. Ze zien dat de vervuiler gestraft wordt. Dit geeft een signaal af met betrekking tot de sociale norm: Milieuvervuiling is slecht. Als je dat onnodig doet, moet je betalen.”
Er kleeft ook een gevaar aan dergelijke kleine sancties. Collega Laetitia Mulder heeft aangetoond dat mensen die kleine boetes betalen voor ‘slecht’ gedrag zich minder schuldig voelen. “Dit betekent dat mensen hun schuldgevoel afkopen wanneer ze wat extra betalen voor een benzineslurpende auto.”
Een andere, veel besproken milieuheffing is de vliegtax die op 1 juli ingevoerd wordt. Vakantiegangers zijn niet blij met de maatregel van enkele tientjes belasting over een vliegticket. Maar zelfs met vliegtax is vliegen een relatief zeer goedkope manier van reizen. Op kerosine wordt namelijk geen belasting geheven. De milieubelasting is echter groot. Kamerleden uit Nederland en omringende landen pleiten daarom voor de invoering van accijns op de kerosine voor het vliegverkeer tussen België, Nederland, Frankrijk, Duitsland en Engeland. (2)
Van Ierland: “In de luchtvaartwereld bestaan oude verdragen, waarin vast staat dat vliegen niet zomaar belast mag worden. Het is een moeilijk juridisch punt en alleen vele landen samen kunnen het wijzigen. Pogingen om vliegen duurder te maken zijn tot nu toe gestrand, omdat er internationaal weinig steun voor is. De luchtvaartlobby is enorm sterk. De lage tarieven mogen prettig zijn voor consumenten die voordelig een reisje maken naar Turkije of Barcelona. Maar gezamenlijk hebben we last van het lawaai, de luchtverontreiniging en de bijdrage aan het broeikaseffect.”
In de media klinkt commentaar op het feit dat de opbrengst van de vlieg- en slurptax gewoon in de schatkist verdwijnt. Milieuheffingen moeten ten goede komen aan het milieu, meent bijvoorbeeld de Consumentenbond. Hoewel het reserveren voor dit doel zeker mogelijk is, is Van Ierland hier geen voorstander van. “De overheid moet op een rechtvaardige manier belastingen heffen die weinig verstoringen in de economie veroorzaken. Vervolgens moet de overheid op een evenwichtige manier beslissen waar dit geld naar toe gaat. Ze heeft ambities op het gebied van milieubeleid en daar is dus ook geld voor nodig. Maar als ook andere zaken aandacht vragen, zoals het onderwijs, dan moet er een goede afweging gemaakt kunnen worden. Een rigide indeling is niet goed.”
Biologisch
Mondjesmaat wordt vervuilend gedrag duurder, terwijl aan schone producten sowieso een hoog prijskaartje hangt. Zo zijn producten uit de biologische landbouw vaak beter voor het milieu. De kwaliteit van de bodem, het grondwater en de biodiversiteit is er meestal bij gebaat. Dit komt doordat er geen pesticiden en kunstmest worden gebruikt. Een grote transportafstand kan de milieuvoordelen echter te niet doen. Zo verlenen consumenten die biologisch kopen meestal een gunst aan de natuur, en betalen hiervoor.
Want biologisch voedsel is duurder. Het onder controle houden van ziekten en plagen zonder pesticiden leidt tot hogere arbeidskosten. Ook is de biologische teelt relatief jong, waardoor kennis nog in ontwikkeling is. Bij omschakeling moet een boer eerst ervaring opdoen. Pas na verloop van tijd kosten dezelfde opbrengsten minder inspanning en dus minder geld. Daarnaast is de distributie [duurzaam2.jpg*ID=1474] naar supermarkten nog niet optimaal en vallen handelsmarges procentueel mogelijk hoger uit.
Van Ierland: “Ook de milieubelasting van voedsel moet in kaart gebracht worden, zodat deze doorberekend kan worden aan de koper. In het algemeen zal de prijs van ‘normaal’ voedsel tussen de tien en dertig procent hoger worden en komt dan dichter in de buurt van biologische producten. Het transport zou zwaar meewegen. Ook biologische uien uit Argentinië worden dan duurder.”
Toekomstmuziek
Tot nu toe worden maatregelen genoemd om vervuiling te beperken Maar het summum van milieuvriendelijk- heid is het principe ‘Cradle to Cradle’. Het idee werd in 2002 gelanceerd en werd in het Nederlands vertaald als ‘Afval = Voedsel’. Centraal hierin staat het grondbeginsel dat afval niet bestaat, maar altijd de grondstof is van nieuwe producten. Zoals het er in de natuur ook aan toe gaat. Een voorbeeld hiervan zijn biologisch afbreekbare grondstoffen voor verpakkingen die na gebruik op de composthoop kunnen. Op termijn moet zonne-energie ingezet worden om de producten te produceren en te bewerken.
Voorlopig zal een dergelijke kringloopeconomie in Nederland niet aan de orde zijn, maar Van Ierland denkt wel dat het stap voor stap de groene kant op gaat in Nederland. Op dit moment is er in elk geval de politieke wil voor. Er is het ambitieuze werkprogramma van de overheid op het gebied van energie. In ‘Nieuwe energie voor het klimaat’ worden verschillende beleidsmaatregelen genoemd op het gebied van duurzame energie. CDA-minister Verburg wil de landbouw duurzaam hebben in 2023. En zelfs een partij als de VVD richt zich meer op het milieu. Daarnaast is er nu ook veel aandacht voor de bouw, waarin op milieugebied veel gewonnen kan worden.
Uiteindelijk is er een wisselwerking tussen de consument en het milieubeleid van de overheid. De consument heeft dubbel invloed. Hij kan milieuvriendelijker kopen en groen stemmen. De overheid op haar beurt kan middels campagnes en heffingen het groene gedachtegoed en gedrag van de consument sturen. Zo kunnen ze beiden hun invloed aanwenden. En wie weet volgt dan een succesvolle afslankpoging van ‘De Dikke Ik der Nederlanders’.
Noten:
1. www.uvt.nl/faculteiten/fsw/nieuws/knipselkrant/consumentengedrag
2. Paul Tang e.a., 'Accijns op kerosine helpt klimaat een stuk vooruit', Trouw, 20-12-2007.