2 december, 2025 | Auteur: Noortje Smeltink | Trefwoord: belgie
Brussel verhardt beleid: Gezinnen met kinderen op straat
Achter het Justitiepaleis in Brussel komen demonstranten het plein oplopen en rollen er kleurrijke slaapzakken uit. De vroege ochtendzon verlicht het tafereel. Iets later liggen zo’n zeventig Brusselaars naast elkaar op de koude grond. “Geen mensen op straat”, staat er op een spandoek.
“Dit is wat er gebeurt wanneer opvang wordt geweigerd. Mensen slapen buiten, in de kou,” klinkt het door een megafoon. Eva Davidova spreekt de demonstranten toe namens Amnesty International, één van de vier organisaties achter de demonstratie.
Opvang is geen gegeven in België, ook niet voor hen die mogelijk recht hebben op asiel. De afgelopen jaren rolde België stap voor stap een beleid uit dat door rechters omschreven wordt als systeemfalen. Er zijn structurele tekorten in de opvang, duizenden rechterlijke uitspraken worden simpelweg niet uitgevoerd en dwangsommen blijven onbetaald.
“Het is extra pijnlijk dat juist hier met het ‘niet-opvangbeleid’ het asielrecht wordt geschonden”, reageert Thomas Willekens, beleidsmedewerker bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen.
“Meer dan 1.800 mensen die bescherming zoeken slapen vandaag letterlijk op straat. Zelfs gezinnen met kinderen worden door de overheid in de kou gezet”, scandeert Eva Davidova door de megafoon.
De menigte klapt luid. “Wat willen wij?” “Opvang!” “Wanneer?” “Nu!”
In het midden van de rij slaapzakken ligt fotograaf Johan van Cutsem. “Dat is mijn kleine bijdrage”. In Brussel ziet hij de gevolgen van het beleid elke dag. Het contrast tussen de politieke taal over ‘strenger beleid’ en de realiteit voor de deur, frustreert hem. “De meeste mensen willen nog steeds menselijkheid. Een rechtse politieke meerderheid betekent niet dat iedereen dit beleid steunt.”
Hoewel de opkomst nog geen honderd mensen telt, zijn de initiatiefnemers van Amnesty International, Vluchtelingenwerk Vlaanderen, House of Compassion en BelRefugees, trots. “Het is lang geleden dat zoveel mensen voor dit doel op de been kwamen”, zegt Thomas Willekens.
De keuze voor het Justitiepaleis is niet toevallig. Brussel is het hart van de Europese Unie en haar rechtssysteem. Het Belgisch asielbeleid staat niet op zichzelf. In juli 2025 stelde de Nederlandse Raad van State expliciet vast dat België haar internationale verplichtingen rond opvang niet nakomt en dat alleenstaande mannelijke asielzoekers bij terugkeer naar België een reëel risico lopen op straat te belanden, zonder toegang tot de meest basale rechten zoals bed, bad en brood.
Juristen noemen het een breuk met het zogenoemde ‘interstatelijk vertrouwensbeginsel’ oftewel de afspraak dat EU-lidstaten elkaar kunnen vertrouwen om minimumstandaarden te respecteren.
Dat systeem, ook wel de Dublinverordening, moet in juni 2026 worden vervangen door het nieuwe Europese Migratie- en Asielpact. Maar waar de EU dat pact presenteert als een stap naar meer solidariteit, vrezen advocaten en ngo’s juist strengere selectie aan de Europese buitengrenzen, langere overdrachtstermijnen van migranten tussen landen en meer druk op mensen om ‘vrijwillig’ terug te keren, desnoods naar landen waar ze eerder al op straat belandden.
Van mannen naar gezinnen
Tot voor kort ging het vooral om alleenstaande mannen die door België naar de stoep werden verwezen. Maar sinds augustus melden organisaties dat ook gezinnen met jonge kinderen geen opvang meer krijgen. Het is de uitwerking van het beleid van minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt.
Wie al bescherming kreeg in een ander EU-land, zoals Griekenland, heeft in België volgens de minister geen recht meer op opvang. Het enige alternatief is een terugkeercentrum, waar mensen zich moeten voorbereiden op vertrek en hun asielaanvraag moeten intrekken.
Die groep bestaat uit mensen met het zogeheten M-statuut: vluchtelingen die in een ander EU-land al internationale bescherming kregen en dus geen lopende asielprocedure meer hebben. Daarmee vallen zij buiten de Dublinverordening, die alleen geldt voor asielzoekers die nog in procedure zijn. Dublin bepaalt welk land verantwoordelijk is voor een eerste asielaanvraag, maar zegt niets over erkende vluchtelingen die opnieuw bescherming zoeken.
Volgens advocaat Farah Feguy en Vluchtelingenwerk Vlaanderen gaat het om gezinnen uit onder meer Afghanistan en Palestina. Vluchtelingenwerk registreerde 273 mensen die sinds de beleidswijziging geen opvang kregen.
In Griekenland ontvingen zij wel een vluchtelingenstatus, maar geen toegang tot huisvesting, werk of onderwijs. Daardoor, zeggen zij en hun advocaten, waren zij gedwongen verder te trekken en opnieuw asiel aan te vragen in een ander EU-land – wat juridisch mag, wanneer de leefomstandigheden in het eerste land ontoereikend of onmenselijk zijn. Als zo’n nieuwe procedure in België wordt gestart is het land verplicht opvang te bieden. Maar dat gebeurt nu voor deze groep niet meer. De Belgische overheid verwijst hen terug naar Athene. Wat voor velen niet haalbaar is en betekent dat ze opnieuw buiten slapen – dit keer in Brussel.
Vrijwillige juridische hulp
In een oud herenhuis in het centrum van Brussel draait de Legal Helpdesk op volle toeren. In witte hesjes van Vluchtelingenwerk Vlaanderen vangen vrijwilligers mannen op die één voor één binnenlopen. “Language?”, is steevast de eerste vraag.
Hier komen de mensen terecht die bij Fedasil zijn geweigerd. “We zijn niet de Dienst Vreemdelingenzaken,” zegt Hassan Ahmed, rechtenstudent en coördinator van de Helpdesk. “Ze hoeven hier niet hun hele verhaal te vertellen. We willen gewoon zorgen dat ze de juiste advocaat en de juiste route vinden.”
Op de eerste verdieping staat de deur naar de consultatieruimte op een kier. Binnen lopen gesprekken door elkaar: Frans, Turks, Engels, Dari – voor elke taal is er wel een vrijwillige tolk te vinden.
Ahmed neemt een vragenlijst af bij een man van een jaar of 50 uit Georgië. Die vertelt zichtbaar geïrriteerd dat hij ondanks ernstige trombose al maanden op straat leeft. Aan de andere kant van de ruimte legt een juridisch medewerker aan een man uit Ethiopië uit dat zijn procedure dagen kan duren: “Maar u bent niet alleen.”
Aan het einde van elk gesprek krijgen bezoekers een mapje met folders, een nieuwe afspraak en de boodschap dat ze voorlopig geen bed kunnen krijgen.
Tenten tussen de pilaren
Verderop in de stad breken kinderstemmen de stilte in de Begijnhofkerk. Tussen de hoge pilaren en de vergeelde portretten van geestelijken rennen drie jonge kinderen rond. House of Compassion, een humanitair project heeft in de Brusselse kerk opvang gecreëerd voor drie gezinnen. Het is tijdelijk, benadrukken de initiatiefnemers, maar niemand weet hoelang dat duurt. “Wanneer een kerk het enige toevluchtsoord wordt, betekent dat dat het systeem heeft gefaald,” schreef de organisatie onlangs in een oproep: “Geen kinderen op straat. Punt.”
In de koele ruimte staan drie koepeltenten tussen de pilaren. Rondom liggen dekens, kinderlaarsjes en plastic bakken met kleding en speelgoed. Aan een kant is een mobiele badkamer geplaatst. Een douchecontainer waar gezinnen zich in relatieve privacy kunnen wassen.
In een naastgelegen kloostergebouw is een eenvoudige keuken geïnstalleerd. Overdag koken de families daar zelf. Af en toe loopt er een bezoeker met een donatie binnen. Een mevrouw werpt een nieuwsgierige blik op de tenten en zet dan een knuffeltje, een tas vol shampoo en een deken in de hoek met spullen, die ondertussen overvol is geraakt.
“Dit is geen luxueuze plek,” zegt Geneviève Frère, coördinator bij House of Compassion. “Het is een noodoplossing omdat gezinnen anders met kleine kinderen op straat zouden liggen”, vertelt ze, kijkend naar de spelende kinderen van 7, 8 en 10. De families in de kerk kwamen via Griekenland naar België. In Griekenland kregen ze asiel en een verblijfsstatus, maar geen huis, geen werk en geen begeleiding. Om hen in Brussel hetzelfde lot te besparen openden Frère en haar collega’s de deuren van de kerk. Ze schaamt zich dat dit nodig is.
De eersten die opvang kregen in de kerk waren een grootmoeder, twee ouders, twee oom en vijf kinderen van een groot Afghaans gezin. Dat was in oktober 2025. De familie had toen al 61 nachten buiten geslapen. Eén oom vertelt hoe ze wekenlang in parken en onder bruggen lagen. De kinderen werden ziek; de moeder en grootmoeder sliepen nauwelijks meer. In Griekenland hadden ze weliswaar een verblijfsstatus gekregen, maar geen toegang tot basisvoorzieningen, maandenlang was er geen school voor de kinderen.
Een netwerk van burgers in Brussel probeerde hen intussen van nacht tot nacht op te vangen: twee nachten hier, drie nachten daar, voortdurend zoekend naar plekken die steeds schaarser werden, want een plek voor een familie van tien is lastig te vinden. Toen de kerk haar deuren voor hen opende, keerde voor het eerst een beetje rust terug voor het gezin. Maar dat duurde niet lang. Na een negatieve wending in hun Belgische asielprocedure vertrok het gezin plots.
Alleen één oom verblijft nog in de kerk, samen met de grootmoeder. Hij, een Afghaanse dertiger, zit met een beker thee in zijn handen aan een grote tafel midden in de kerk. Het vertrek van zijn familie valt hem zwaar. “Voor mijn moeder was het onverteerbaar; haar zoons en al haar kleinkinderen. Weg.”
De twee wonen nu ongeveer een maand in de kerk. “We zijn heel blij met wat de priester en de vrijwilligers voor ons doen. Dit vergeten we nooit. Maar als de situatie zo blijft, ben ik bang dat ik mijn broers moet volgen. Ik wil mijn moeder beschermen, maar we kunnen hier niet eeuwig blijven.” Intussen zijn de lege tenten die zij achterlieten gevuld door een nieuwe familie.
Eindelijk weer naar school
Aan de andere kant van de tafel schuift een meisje van 8 op haar stoel naar voren. Ze had die ochtend haar eerste schooldag in Brussel. Ze vertelt dat ze Engels en rekenen heeft gehad. Eindelijk weer naar school, eindelijk weer kinderen om haar heen. “Dit is precies waarom wij uit Afghanistan zijn gevlucht”, zegt haar vader. “Omdat wij haar een toekomst wilden geven.”
Dan, zuchtend: “maar ik weet niet of er in dit land wel een toekomst voor haar is”. Op de vraag wat ze later wil worden, denkt ze even na. “Dokter”, zegt ze met een glimlach.
’s Avonds gaan de deuren van de kerk op slot. Om vijf uur gaat het zware hek dicht en wordt het stil. “We proberen het leven hier zo normaal mogelijk te laten zijn,” zegt Frère. “De kinderen gaan naar school, op vrijdag doen we boodschappen op de markt, de ouders koken zelf. Maar je voelt voortdurend dat dit geen thuis is. Dit is een kerk die doet wat de overheid vertikt.”
Fedasil tegen het eigen beleid in
Terug op het plein voor het Justitiepaleis ligt priester Daniel Alliët, de drijvende kracht achter het project, in een paarse slaapzak. Met een rugtas als hoofdsteun ligt de 82-jarige priester tussen de andere demonstranten. Handen gevouwen op zijn buik, trots om zich heen kijkend. “Ik hoop dat de jongere generatie het stokje overneemt”, zegt hij. “Ik ben al een oude man. Maar het is wel nodig dat ik hier even ben”.
Tussen de demonstranten liggen ook personeelsleden van Fedasil, de federale opvangdienst die het ‘niet-opvangbeleid’ moet uitvoeren. Een van hen heeft haar slaapzak tot aan haar kin dichtgetrokken. “Vier jaar lang worden mannen al op straat gelaten,” zegt ze. “Wij zien die mensen elke dag. Wij spreken met hen. Dat laat je niet koud.”
Het clubje Fedasil-demonstranten werkt al jaren in een opvangcentrum. Ze herkennen steeds meer gezichten op straat die ze eigenlijk hadden moeten inschrijven. “We zijn bij Fedasil gaan werken omdat we mensen opvang willen geven. Niet om mensen op straat te laten,” zegt een van hen. De anderen knikken instemmend. “Het beleid laat ons ons werk niet doen. Het personeel zelf staat niet achter dit beleid. Helemaal niet.” Voor de actie hebben ze een paar uur verlof opgenomen. “Zo meteen gaan we gewoon weer naar kantoor.”
‘Niet mijn bevoegdheid’
De situatie wordt volgens hulporganisaties verder verergerd doordat de federale regering onlangs besloot de bijdrage voor winteropvang in de grote steden stop te zetten. “Het gaat om 65.000 euro per stad. Op het hele federale budget stelt het niets voor, maar de menselijke impact is enorm,” zegt Thomas Willekens.
Wat hem vooral stoort, is de manier waarop het besluit wordt verantwoord. “Het is absurd dat een federale minister zegt ‘Dakloosheid valt niet onder mijn bevoegdheid’. De steden zitten financieel aan hun grenzen. En door het niet-opvangbeleid is er méér dakloosheid, dus het is logisch dat de federale overheid daarin voorziet.” De winteropvang verdwijnt niet volledig, maar steden als Brussel moeten die nu zelf financieren, terwijl juist daar de druk het grootst is.
De speech van Davidova is intussen aan haar slot toe. Ze richt zich niet alleen tot de betogers, maar ook tot het Justitiepaleis achter hen. “Er staat meer op het spel dan opvangplekken alleen,” zegt ze. “Wanneer rechterlijke uitspraken worden genegeerd, komt het vertrouwen in de hele rechtsstaat onder druk te staan.”
Het protest duurt nog geen uur. Daarna wordt er opgerold: slaapzakken weer in hoezen, karton in de vuilnisbak, sjaals om de hals. Het is nog vroeg, een aantal deelnemers haast zich naar hun werk – sommigen naar een Fedasil-bureau waar vandaag opnieuw mensen op een wachtlijst terechtkomen, een enkeling naar een consult bij de Legal Helpdesk. De mensen waar het om draait zoeken naar hun slaapplek voor vannacht.