25 maart, 2021 | Auteur: Ilona Dahl | Trefwoord: nederland
De geheimzinnigheid over de inkoop van medische implantaten wordt streng bewaakt
Fabrikanten van medische implantaten dwingen ziekenhuizen om hun inkoopafspraken geheim te houden, op straffe van schadeclaims. Onderzoeksjournalist Ilona Dahl is al jarenlang bezig om te achterhalen hoe duur de implantaten zijn die academische ziekenhuizen inkopen, eerst voor Follow the Money en later ook Argos en Small Stream Media. De fabrikanten verzetten zich met hand en tand. Dahl doet verslag van ruim drie jaar strijd om meer transparantie af te dwingen, tot in de rechtszaal aan toe.
Op 14 mei 2019 zit ik in de tuinzaal van het UMC Utrecht tegenover minstens twintig mannen in pak. Uit zwarte aktetassen halen ze paperassen en laptops tevoorschijn. Wie ze zijn, weet ik niet; wel wat ze zijn: leveranciers van medische hulpmiddelen, die openbaarmaking van de inkoopdossiers van hun producten door academische centra willen tegenhouden.
De hoorzitting, georganiseerd door zes universitaire ziekenhuizen, gaat van start. Bestuursrechter Sander Lanshage opent de procedure en vraagt of ik me wil voorstellen. Naast me zit Wob-expert Roger Vleugels, die me juridisch bijstaat. Ook hij stelt zich voor.
Lanshage richt zijn blik op de tafel naast ons. Achter elkaar introduceren zich ook enkele advocaten, die namens de fabrikanten spreken: De Jager, Metsemakers, Fuchs, Miedema en Buysserd. Gevolgd door telkens dezelfde zin: "De naam van mijn cliënt blijft geheim." De andere aanwezigen in de zaal weigeren zichzelf bekend te maken.
Ondoorzichtige wereld
Ruim een jaar eerder, op 24 april 2018, vroeg ik via de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) zes academische ziekenhuizen om inzage in hun inkoopdossiers van implantaten (denk aan pacemakers, hartkleppen, stents en heupprotheses) over de periode 1 januari 2012 tot dan. Ik heb het verzoek gestuurd naar het AMC (Amsterdam), het UMC Groningen, het UMC Utrecht, het Maastricht UMC, het Erasmus MC (Rotterdam) en het LUMC (Leiden).
Twee academische ziekenhuizen, het VUmc (Amsterdam) en het Radboud UMC (Nijmegen), vallen buiten mijn verzoek: zij hebben van oudsher een religieuze grondslag en vallen daarmee buiten het bereik van de Wob.
Het was een vervolg op mijn eerdere onderzoek, over de relaties die artsen in universitaire ziekenhuizen onderhouden met de medische hulpmiddelenindustrie. Indertijd had ik vijftig niet aangemelde consultancy-contracten in handen gekregen. Daaruit bleek dat topartsen tegen betaling van fabrikant lezingen houden op congressen, deelnemen in hun adviesraden of gesponsord onderzoek uitvoeren. Volgens de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) zijn artsen verplicht hun contracten met de hulpmiddelenindustrie ter goedkeuring voor te leggen aan de raad van bestuur van hun ziekenhuis. Uit mijn onderzoek blijkt echter dat een centraal overzicht binnen de academische centra ontbreekt. De wereld van de medische inkoop is een gesloten bolwerk. Gaandeweg ging ik me afvragen of die contracten een rol speelden bij de inkoop van hulpmiddelen.
Hoeveel invloed hebben artsen, inkopers en leveranciers op die inkoop? Wie besluit met welke implantaten en apparatuur een ziekenhuis werkt? Hoeveel geld besteden ziekenhuizen aan implantaten? Vragen leveranciers bij alle ziekenhuizen hetzelfde bedrag voor hun producten? En hebben de inkoopkeuzes van ziekenhuizen gevolgen voor patiënten? Daarover publiceer ik in het dossier ‘Arts en Fabrikant’ bij Small Stream Media in samenwerking met Follow the Money en Argos.
Voor de buitenwereld is het ondoorzichtig hoe de inkoopdeals in ziekenhuizen tot stand komen. De prijs van implantaten is voor het publiek afgeschermd, doordat die vaak via onderhandse contracten worden ingekocht. Er zijn geen wetenschappelijke artikelen of rapportages waarin de prijzen van medische hulpmiddelen in Nederland wordt besproken. Ook de journalistiek heeft weinig aandacht voor het onderwerp.
Zelfs zorgverzekeraars, die de behandelingen met implantaten nota bene vergoeden, hebben geen idee wat een implantaat kost, blijkt uit gesprekken met medewerkers van VGZ, DSW, Menzis, CZ en Achmea. De prijs ervan zit verstopt in de zogeheten Diagnose Behandel Combinatie (DBC). Dat is een methodiek waarbij ziekenhuizen niet per behandeling betaald krijgen, maar voor het traject als geheel, inclusief diagnose, opname, controle, personeel en materialen.
“Het is voor ons een ondoordringbare mist”, zegt Joeri Veen van zorgverzekeraar Menzis. “Geen enkel ziekenhuis wil ons inzage geven in de prijs van implantaten, omdat leveranciers dit hebben afgedwongen. Het zou tot repercussies leiden.”
Het Zorginstituut Nederland, dat toezicht houdt op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de gezondheidszorg, heeft evenmin zicht op de prijs van implantaten. Beleidsadviseur Jacqueline Zwaap: “Er is een maatschappelijk belang gemoeid met transparantie, maar ook een maatschappelijk belang om niet meer te betalen dan aanvaardbaar is. Ziekenhuizen gaan schoorvoetend mee in de eis van vertrouwelijkheid, die onder het mom van concurrentiegevoeligheid wordt afgedwongen.”
Is die concurrentiegevoeligheid belangrijker dan openheid? John Beer, letselschadeadvocaat in Amsterdam, vindt van niet. “Patiënten die een probleem hebben met hun implantaat, moeten kunnen nagaan welk merk of type ze hebben gekregen, welke informatie de producent bij verkoop heeft verstrekt en of het ziekenhuis een kwaliteitsafweging heeft gemaakt.”
Vandaar mijn Wob-verzoek: ik wil inzichtelijk maken hoe de hazen lopen bij de inkoop van medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen. Welk prijskaartje hangt er aan de duizenden kunstheupen, vaginale matjes en pacemakers die Nederlandse artsen jaarlijks implanteren?
Wereldwijd betalen ziekenhuizen de hoofdprijs
In de Verenigde Staten duiken al langer clausules op in inkoopcontracten van implantaten, waarin het ziekenhuizen wordt verboden prijsgegevens openbaar te maken. Zo willen leveranciers voorkomen dat hun prijsafspraken bij concurrenten bekend worden. Daardoor zijn er grote prijsverschillen: ziekenhuizen hebben geen flauw idee of ze een redelijke prijs betalen. In 2007 is daarom de ‘Transparency in Medical Device Pricing Act’ ingediend, die producenten van medische hulpmiddelen zou verplichten om per kwartaal de gemiddelde prijs van producten openbaar te maken. Maar dit voorstel werd niet eens in stemming gebracht.
Ook Nederlandse ziekenhuizen kampen met dit probleem, weet Laura Awad. Ze werkt bij Intrakoop, een inkoopcoöperatie voor ziekenhuizen. “De prijsverschillen zijn groot”, benadrukt ze. “Dat kan omdat de markt niet transparant is. Het is lang niet altijd duidelijk waarom een leverancier een specifieke prijs vraagt. Dit maakt de berekening van de optimale kosten voor een behandeling lastig. Leveranciers kennen de verschillen wel en hebben een grote kennisvoorsprong. Veel ziekenhuizen betalen daardoor te veel voor hun medische hulpmiddelen.”
In december 2017 nam de Tweede Kamer een motie aan over de kosten voor hulpmiddelen. De motie verwijst naar een onderzoek van Ecorys uit 2011. Daaruit blijkt dat de kosten voor hulpmiddelen in Nederland relatief hoog zijn, in vergelijking met het buitenland.
Fabrikanten zonder naam
Terug naar de hoorzitting in het UMC Utrecht, in mei 2019. Mijn juridisch adviseur Vleugels is verbouwereerd wanneer de leveranciers weigeren zich bekend te maken: “Nooit eerder heb ik meegemaakt dat derde-belanghebbenden, in dit geval de fabrikanten, anoniem zijn. Het moet voor alle partijen die aan een bezwaarprocedure deelnemen, kenbaar zijn wie de bezwaarmakers zijn.”
Bestuursrechter Lanshage onderbreekt Vleugels en vraagt naar een reactie van de advocaten op de voorste rij. “Het is volstrekt legaal om de namen van mijn cliënten af te schermen”, zegt de een na de ander. Vleugels: “Hun namen moeten bekend gemaakt worden. De academische ziekenhuizen vallen onder de Wob en zijn dus aan te merken als bestuursorgaan. Daar hoort openbaarheid bij. Als je die niet wilt, moet je als fabrikant maar geen zaken doen met deze ziekenhuizen.” Achterin de zaal wordt gelachen. Vleugels houdt vol: “De bezwaarschriften moeten ongecensureerd op tafel. Ik wil een toezegging op naleving.” Het blijft stil in de zaal. De bestuursrechter grijpt niet in. Vleugels vervolgt: “We gaan de hoorzitting schorsen.”
“Nee”, antwoordt Lanshage. “We kunnen niet nu ineens gaan beslissen om de hoorzitting te schrappen.” Vleugels: “Wij zenden schadeclaims naar alle leveranciers want ze weigeren zichzelf te onthullen en dit is in strijd met de wet. We blijven zitten onder protest.”
De redactie heeft deze juridische gang van zaken voorgelegd aan diverse experts, met uitgebreide ervaring in het bestuursrecht. Ze zijn stuk voor stuk verbaasd dat de leveranciers tijdens de zitting anoniem mochten blijven.
Herman Bröring, hoogleraar bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, zegt: “Al zeker vijfendertig jaar ben ik nauw betrokken bij bezwaarschriftprocedures, maar ik heb nooit meegemaakt dat bezwaarmakers anoniem blijven. Hun identiteit moet onthuld worden. Je moet weten met wie je te maken hebt om jezelf te kunnen verweren.”
Hans Vedder, hoogleraar economisch recht aan de Rijksuniversiteit Groningen, is even stellig: “Een vreemde gang van zaken. Ik heb zelf jarenlang in de bezwaar- en adviescommissie gezeten van de Autoriteit Consument & Markt en ken geen redenen om namen van partijen niet bekend te maken. De basisregel in alle processen is dat er met naam en toenaam wordt gezegd wie er zit. Wie anoniem bezwaar wil maken, moet met verdraaid goede argumenten komen.”
Archiefwet
Ik wist dat ik geen makkelijke vraag bij de zes ziekenhuizen had neergelegd. Al enkele dagen na het indienen van mijn Wob-verzoek in 2018 antwoordden ze dat ze mijn verzoek ‘omvangrijk’ en ‘onduidelijk’ vinden.
Op 22 mei 2018 overleggen Roger Vleugels en ik in het Maastricht UMC met jurist Renske van Gils, hoofdinkoper Roy van Dijk en perswoordvoerder Dick Nagelhout. Nagelhout vraagt of ik mijn verzoek wil specificeren. Ik stel een wedervraag: wat is er onduidelijk aan mijn verzoek? Geen antwoord.
Ik vraag welk registratiesysteem het MUMC gebruikt. Dat kunnen ze niet vertellen, zeggen ze na een korte stilte. Ik vraag ze een lijst te overleggen van de documenten die onder mijn Wob-verzoek vallen, zodat ik duidelijk voor ogen krijg welke informatie voorhanden is. Hun documentmanagementsysteem moet zo’n index makkelijk kunnen genereren.
Het blijkt onmogelijk te zijn. Vleugels waarschuwt: “Het MUMC overtreedt daarmee de Archiefwet. Jullie kunnen de archiefinspectie op je dak krijgen en zelfs onder curatele worden gesteld.” Volgens de Archiefwet moet ieder bestuursorgaan – en daaronder vallen ook de academische ziekenhuizen – zijn informatie in ‘goede geordende en toegankelijke staat’ bewaren. De drie vertegenwoordigers van het ziekenhuis kijken ons verbaasd aan.
Dan blijkt dat het ziekenhuis, een maand nadat ik mijn Wob-verzoek heb ingediend, nog met de zoekslag moet beginnen. “We hebben te weinig personeel om aan uw verzoek te voldoen”, zegt Van Gils, de jurist. Vleugels: “Dan huur je toch extra mankracht in zodat er binnen de wettelijke termijn gereageerd kan worden?” Hoofdinkoper Van Dijk zegt dat het om ‘heel veel’ documenten gaat: “Ruim 800 contracten en 80.000 facturen.”
Ik kom het ziekenhuis tegemoet door mijn verzoek in te perken tot alle medische hulpmiddelen die in het lichaam geplaatst kunnen worden. Onder mijn Wob-verzoek kunnen namelijk ook documenten opduiken waarin naast implantaten ook andere medische hulpmiddelen worden genoemd, denk aan software gerelateerde implantaten zoals defibrillatoren. Deze dienen dan ook openbaar gemaakt te worden.
Dezelfde handreiking voor inperking doe ik wanneer Vleugels en ik een week later op 29 mei 2018 overleggen met het LUMC en het AMC, zij trekken samen op in het behandelen van mijn Wob-verzoek. “Dat zet geen zoden aan de dijk. Jaarlijks ontvangen wij ruim 360.000 facturen”, zegt Astrid Westerman, inkoper van het LUMC.
De jurist van het AMC, Felice van Noort, meldt dat er kosten in rekening gebracht zullen worden. Ik wil weten welke kosten. “Dit is nu even niet van belang”, zegt ze. Vleugels reageert direct: “Dat is zeker van belang. Ik wil helder hebben om welke kosten het gaat.” De discussie eindigt als Vleugels vertelt dat de Hoge Raad heeft bepaald dat bij een Wob-verzoek alleen kopieer- en verzendkosten, tegen kostprijs in rekening mogen worden gebracht. Wob-verzoeken worden vanwege algemeen belang ingediend en zijn niet vatbaar voor welke heffing dan ook, stelt de Hoge Raad.
Om te kunnen beoordelen hoe omvangrijk mijn Wob-verzoek is, wil ik een casus inzien van een inkooptraject. Op 12 juni 2018 mailt het LUMC een voorbeeld van een inkoopproces van een implantaat. Na bestudering van de casus laat ik de UMC’s weten welke documenten ik precies wil ontvangen. Ik wil inzage in de beoordeling van het programma van eisen/wensen en de prijs, de gunning- en afwijzingsbrieven, de contracten, de bestelaanvragen, de inkooporders en de facturen. Al snel krijg ik te horen dat dit nog altijd te omvattend is.
UMC’s besteden jaarlijks ettelijke miljoenen aan implantaten
Op 30 augustus 2018 overleggen Roger Vleugels en ik daarom opnieuw met het LUMC, het AMC en het Erasmus MC. Het Erasmus MC had zich inmiddels gevoegd bij het LUMC en het AMC. Ook het MUMC, UMCU en UMCG haakten later aan om zodoende gezamenlijk op te trekken. Ter voorbereiding sturen ze lijsten met de ingekochte implantaten. Om welke het precies gaat, is onduidelijk. In de administratie die ik kon inzien, staat alleen de algemene beschrijving van een implantaat vermeld, zoals: hart- en vaatprotheses, ICD’s, pacemakers, hartkleppen, gewrichts- en botprotheses. De namen van de leveranciers zijn vervangen door codes. Ik kom achter een wrang feit: de ziekenhuizen schermen deze gegevens ook voor elkaar af. De reden: dit zou concurrentiegevoelige en vertrouwelijke informatie zijn.
Sommige UMC’s stuurden een lijst met de implantaten die ze in 2016 hebben ingekocht, andere een lijst van 2017. In het overzicht van het UMCU staan geen bedragen vermeld; dat ziekenhuis ontbreekt daarom in het staatje hieronder.
Maar nu kan ik tenminste gaan rekenen. Per UMC worden er jaarlijks duizenden implantaten ingekocht, en de aankooptotalen op een jaar liegen er niet om. Ze variëren van het AMC met ruim 33 miljoen euro tot het UMCG voor 7 miljoen euro.
Na afloop stippelen Vleugels en ik een strategie uit om de gevoelige informatie via een omweg toch in handen te krijgen. We dienen uiteindelijk drie nieuwe Wob-verzoeken in:
Nummer 1: Openbaarmaking van de ingekochte implantaten, plus bedragen per product, de namen van de leveranciers en de oorspronkelijke productomschrijving.
Nummer 2: Als 1, maar de namen van leveranciers worden losgekoppeld en aangeleverd als losse totaallijst per jaar en per ziekenhuis.
Nummer 3: Als 2, maar de ingekochte implantaten worden losgekoppeld van de bedragen per product.
Dit voorstel mail ik op 10 september 2018 naar de UMC’s. Op 23 oktober 2018 melden de UMC’s de leveranciers dat ze ‘voornemens zijn om de gevraagde informatie te openbaren’.
Dit pakte verkeerd uit. Zonder enig overleg met ons hebben zij gekozen voor een variant te weten openbaarmaking van de bedrijfsnaam, de specifieke producten en een totaalbedrag per leverancier per jaar.
Echter Vleugels en ik deden deze voorstellen als handreiking, onder het mom: ‘wij willen alles (primaire verzoek), maar zijn bereid om mee te denken’. Er is niet meer door de ziekenhuizen op ons voorstel teruggekomen. Zonder enig overleg, was nu mijn verzoek ingeperkt. Ik ben hiermee nooit akkoord gegaan. Het primaire verzoek was nooit van tafel.
In de hoorzitting in Utrecht in mei 2019 hebben ik en Roger dit proberen recht te zetten. Maar kregen de kans niet. Het werd buiten de orde gesteld door de bestuursrechter. “Dit is een gepasseerd station”, alsdus Lanshage.
De leveranciers verzetten zich – in tweehonderdvoud
De leveranciers komen in verweer. Op 22 november 2018 schrijft AMC-jurist Felice van Noort me, namens alle UMC’s: “We hebben een groot aantal zienswijzen ontvangen van de fabrikanten die zeer omvangrijk zijn en veel juridische argumentatie bevat. Het analyseren en beoordelen van de complexe inhoud en het, waar nodig, reageren op zienswijzen kost veel tijd.”
Ik ontvang ruim tweehonderd geanonimiseerde zienswijzen. Op een aantal staat ‘strikt vertrouwelijk’.
Na analyse blijkt dat het gaat om zo’n veertig geanonimiseerde zienswijzen per ziekenhuis, die meestal opgesteld zijn door de advocaten van de fabrikanten. Vaak kwam ik precies dezelfde zienswijze tegen bij de verschillende UMC’s; dat betekent dat fabrikanten vaak een of meerdere UMC’s als klant hebben.
De leveranciers verzetten zich tegen openbaarmaking omdat het om “vertrouwelijke en concurrentiegevoelige gegevens” zou gaan, die inzicht geven in hun bedrijfsvoering. “Wij verbieden u om deze uitermate concurrentiegevoelige informatie te openbaren, omdat concurrenten dan alternatieven en/of soortgelijke producten kunnen aanbieden.”
Eén leverancier beweert dat wanneer zijn zakelijke relatie met het ziekenhuis publiek wordt, dit kan leiden tot juridische geschillen en concurrentievervalsing. Een ander rept zelfs van “sabotage” als de informatie publiek toegankelijk zou worden.
Openbaarmaking zal leiden tot “veel onrust” en “marktverstoringen”, stellen de meeste fabrikanten. De Nederlandse markt voor implantaten is “zeer competitief”, “erg in beweging” en “zeer gevoelig” met betrekking tot prijzen, beweren ze. Een leverancier schrijft: “Onze concurrenten kunnen die informatie gebruiken bij onderhandelingen of inkoopprocedures met de ziekenhuizen en zorgverzekeraars. Daarmee wordt de kans groter dat hun product(en) worden ingekocht. Dit zal onze onderhandelingspositie in Nederland en van onze zusterondernemingen in andere landen verslechteren.”
Sommige leveranciers beweren dat de gevraagde informatie openbaar maken in strijd zou zijn met het Mededingingsrecht. “Het is concurrenten op een relevante markt niet toegestaan om deze informatie onderling uit te wisselen en daar hun marktgedrag op af te stemmen.”
Hans Vedder, hoogleraar economisch recht aan de Rijksuniversiteit Groningen, reageert: “De industrie loopt geen risico het mededingingsrecht te schenden. Het gaat immers om afgesloten inkoopcontracten die niet langer commercieel gevoelig zijn. Het kan zelfs pro-competitief zijn. Zodra leverancier A weet dat een ziekenhuis vorig jaar van leverancier B een implantaat heeft gekocht voor prijs x, kan leverancier A onder die prijs gaan zitten. Je lokt juist prijsconcurrentie uit.”
Vedder vervolgt: “Fascinerend hoe de fabrikanten zich massaal verschuilen achter het Mededingingsrecht om onder openheid uit te komen. Ze doen zich roomser voor dan de paus.” Ook de Autoriteit Consument & Markt (ACM) stelt dat het geen inbreuk is op de mededingingsregels als UMC’s deze gegevens via de Wob openbaar maken.
Een kleine groep leveranciers dreigt met schadeclaims aan het adres van de UMC’s. “Indien u geen gehoor geeft aan ons dringend verzoek zullen we eventuele gevolgschade in de breedste zin des woords verhalen.”
Volgens de ACM is dat een loos dreigement. “Als ziekenhuizen informatie vrijgeven op basis van de Wob, is verwijtbaarheid niet aan de orde. Van een schadeclaim kan dan ook geen sprake zijn.”
Geheimhouding
Op 19 december 2018 laat AMC-jurist Van Noort weten dat er een externe deskundige is ingehuurd om de UMC’s te adviseren hoe om te gaan met de reacties van de fabrikanten. Het besluit op mijn Wob-verzoek wordt daarom uitgesteld.
In de week van 16 januari 2019 besluiten de betrokken UMC’s gedeeltelijk aan mijn verzoek te voldoen: de namen van de leveranciers, met de bijbehorende totaalbedragen (omzetgegevens) per jaar. De oorspronkelijke productomschrijvingen worden niet openbaar gemaakt.
Een maand later, op 14 februari 2019, meldt Van Noort dat de leveranciers bezwaar hebben aangetekend tegen dit besluit. De UMC’s gaan daarom niet over tot openbaarmaking.
De fabrikanten zijn van oordeel dat ik misbruik maak van de Wob. Als ik later tegenover hun advocaten in de rechtbank sta, weigeren ze die woorden terug te nemen als de rechter daarnaar vraagt. Verder stellen ze dat bedrijfsnamen, producten en prijzen bedrijfsgeheimen zijn die hun concurrentiepositie kan schaden als ze publiek worden, blijkt uit de geanonimiseerde bezwaarschriften.
Hoorzitting
Op 21 februari 2019 dien ook ik een bezwaarschrift in tegen het besluit van de zes UMC’s. Daarnaast stuur ik ze een voortgangsbrief en verzoek ik ze alle documenten te verstrekken waartegen de leveranciers geen bezwaar hebben ingesteld. Het antwoord blijft uit. Op 22 maart 2019 stel ik de UMC’s in gebreke.
Als reactie hierop organiseren de UMC’s de hoorzitting in het UMCU, waarvoor ook de leveranciers worden uitgenodigd. Datum: 14 mei 2019. Opmerkelijk genoeg zijn alle UMC’s afwezig bij de hoorzitting die ze zelf hebben georganiseerd. Ze leggen de volledige verantwoordelijkheid bij de twintig anonieme fabrikanten. Vleugels: “Dat de ziekenhuizen nergens te bekennen zijn, is in strijd met de wet. Er had minstens één afgevaardigde van de UMC’s aanwezig moeten zijn.”
Lanshage vindt de afwezigheid van de ziekenhuizen geen enkel probleem. Tegen Vleugels zegt hij: “U heeft uw punt gemaakt. We gaan over tot de inhoud. De leveranciers zijn van oordeel dat er misbruik gemaakt wordt van de Wob. Kunt u een reactie geven?”
Vleugels: “Dit is een gewoon Wob-verzoek om inzage te verkrijgen in gegevens over de inkoop van medische hulpmiddelen.”
Lanshage: “Door de industrie wordt betwist of het verzoek een bestuurlijke aangelegenheid is.”
Advocaat De Jager stelt: “De implantaten die aan de UMC’s worden geleverd, worden bekostigd met private middelen. De kosten die patiënten in dat kader maken zijn gedekt door verzekeraars.” Advocaat Buyserd zegt instemmend: “In Nederland is de gehele zorg in de private en semi-publieke sector geplaatst. Het is toeval dat de UMC’s onder de reikwijdte van de Wob vallen.”
Dat is feitelijk onjuist: UMC’s worden gefinancierd met overheidsgeld. Ze ontvangen geld van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Naast dit publieke geld krijgen ze geld van de zorgverzekeraars.
Vleugels reageert op de advocaten: “Er is wel degelijk sprake van de inzet van publieke middelen bij het bekostigen van de implantaten. Daar komt bij dat wanneer de vraag van een journalist afkomstig is, dit zelfs als een extra toegangsgrond wordt gezien. Verzoekster heeft bewust gekozen om het verzoek bij de UMC’s in te dienen, juist omdat zij onder de Wob vallen.”
Advocaat Fuchs steekt zijn vinger op. “Ik ben een vreemde eend in de bijt. Mijn cliënt levert één implantaat aan de UMC’s en daardoor kan vrij eenvoudig achterhaald worden wat de productprijs is.” Daarom wil hij dat zijn cliënt uit de lijst geschrapt wordt. Terwijl hij benadrukt dat absoluut niet bekend mag worden welk implantaat zijn cliënt levert, klapt hij zelf per ongeluk uit de school: “Een implanteerbare hooroplossing.”
Bedreiging van de markt
Advocaat De Jager: “Is het belang van openbaarheid zo groot dat dit opweegt tegen het nadeel dat fabrikanten ondervinden?”
Vleugels: “De Wob stelt dat openbaarheid nadeel mag opleveren. Als blijkt dat een implantaat bijvoorbeeld prijziger is dan dat van de concurrenten, verdient die fabrikant dat nadeel. Blijkt het implantaat goedkoper te zijn dan dat van de concurrenten, dan mag die fabrikant dat voordeel hebben. Bovendien is er sprake van een open markt.”
De Jager: “Als de gevraagde gegevens publiek worden, kunnen de leveranciers daarvan een dermate concurrentienadeel ondervinden tegenover andere spelers op de markt, dat het de voortzetting van hun bedrijfsactiviteiten in Nederland kan bedreigen.”
Vleugels: “De Wob kent met opzet geen weigergrond ‘concurrentie’. Het is niet toegestaan de wet te gebruiken om gegevens af te schermen. Dit komt op mij over als misbruik van recht. Informatie kan worden afgeschermd waar het patentachtige productiegegevens betreft. Aan de prijs en bedrijfsnaam zit niets geheims.”
Advocaat Metsemakers was tot nu toe stil, maar staat ineens op: “De producten van mijn cliënt en de omschrijvingen daarvan zijn in hoge mate patentgevoelig. Dit maakt dat mijn cliënt niet alleen onevenredig nadeel ondervindt met betrekking tot concurrentie op het gebied van prijzen, volumes, marges en informatie over haar afzetmarkten voor bepaalde producten, maar eveneens een reëel risico loopt dat concurrenten haar producten gaan kopiëren of imiteren.”
Na afloop van de hoorzitting geeft advocaat Buyserd me een hand. Hij zegt: “Ik waardeer je doorzettingsvermogen, maar je staat er alleen voor.”
Buyserd is de huisadvocaat van Medtronic, een producent van hartimplantaten en -apparatuur, zo blijkt als ik na afloop van de hoorzitting zijn LinkedIn-profiel opzoek. Tevens is hij sinds 2018 benoemd als lid van de Codecommissie van de stichting Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH), die op 1 januari 2012 door de industrie in het leven is geroepen om ‘volledige transparantie’ in de sector te realiseren.
Diverse hoogleraren vinden dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deze transparantie moet afdwingen. Herman Bröring, hoogleraar bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen: “De kosten voor medische hulpmiddelen in ziekenhuizen rijzen de pan uit. Het is de taak van het ministerie van VWS om de marktwerking in de zorg aan te pakken en meer transparantie te creëren rond de prijzen. Dit kan gerealiseerd worden door het invoeren van wetgeving.”
VWS voelt daar niet veel voor. “Volledige transparantie zal ten koste gaan van de marktwerking bij de inkoop. Op dit moment is er geen intentie om op dit punt veranderingen door te voeren”, reageert een woordvoerder.
Toch stuurde oud-minister voor Medische Zorg & Sport, Bruno Bruins eerder wel aan op meer transparantie. In maart 2019 stuurde hij een brief naar de Tweede Kamer waarin hij meldt meer openheid te willen creëren over de prijzen van medische hulpmiddelen. “Om de transparantie en het bewustzijn van verschillen in prijzen te vergroten, ben ik voornemens om te kijken naar de mogelijkheid voor ziekenhuizen om via een vertrouwde derde partij de prijzen van medische hulpmiddelen die instellingen betalen transparanter te maken en onderling te vergelijken.” De woordvoerder van VWS laat schriftelijk weten dat in 2019 met “een partij verkennende gesprekken gevoerd zijn die nog niet tot een resultaat hebben geleid”.
Vervolg, en rechtszaak op 23 maart 2021
Op 9 juli 2019 stuurden de UMC’s hun beslissing op mijn bezwaar: de namen van de leveranciers en hun omzet worden publiek gemaakt, maar de productomschrijvingen, aantallen en productprijzen niet. De argumentatie van de UMC's: “Die informatie biedt inzicht in de onderhandelingspositie van de leverancier en/of UMC’s en kan de concurrentiepositie van zowel de leverancier als het UMC schaden.”
Op 16 augustus 2019 ging ik in beroep tegen deze beslissing. Ook de leveranciers tekenden beroep aan.
Op 20 augustus 2019 verstrekten de UMC’s mij de namen van de leveranciers – inclusief hun omzet. De spelers met jaarlijks de meeste omzet, die per UMC in de miljoenen loopt, zijn Abbott, Biotronik, Boston Scientific, Edwards Lifesciences, Johnson & Johnson en Medtronic.
Op 23 maart 2021 diende mijn beroep in de Wob-procedure voor de meervoudige kamer in de rechtbank van Utrecht. Kort daarvoor, op 9 maart 2021 kwam die alvast met een tussenbeslissing: opnieuw wilde een aantal leveranciers anoniem beroep aantekenen tijdens de zitting. De rechtbank maakte daar korte metten mee.
Tijdens de zitting op 23 maart 2021 werden hun namen derhalve bekendgemaakt. In de zaal zaten de advocaten van Medtronic, Johnson & Johnson, ZimmerBiomet, Terumo, Boston Scientific, Duo-Med, W.L Gore, Cochlear en Merit Medical. Ditmaal was er ook een advocaat van de UMC’s aanwezig, zij was door alles zes de ziekenhuizen gemachtigd. Hoewel zij voor mijn Wob-verzoek de enige en belangrijkste partij vertegenwoordigde reageerde de advocaat van de UMC’s amper op vragen van de rechters. De advocaten van de fabrikanten voerden weer het hoogste woord.
De uitspraak wordt op 4 mei verwacht.
Deze publicatie is ondersteund met een bijdrage uit de Regeling Onderzoeksjournalistiek van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.