25 december, 2025 | Auteur: Noortje Smeltink | Beeld: Noortje Smeltink | Trefwoord: griekenland
Hoe Griekenland Europees recht gebruikt om zowel hulp als vluchten te criminaliseren
In de rechtbank van Mytilini is geen stoel onbezet. Internationale waarnemers, journalisten en mensenrechtenorganisaties zijn op 4 december 2025 afgereisd naar Lesbos voor een zaak die in Europa geldt als de lakmoesproef voor criminalisering van solidariteit aan de buitengrens. Er staan 24 humanitaire hulpverleners terecht, onder wie de Nederlander Pieter Wittenberg en de Duits-Ierse Séan Binder. Zij worden vervolgd voor mensensmokkel, een misdrijf waarop in Griekenland gevangenisstraffen tot twintig jaar staan.
Wat hier wordt getest, is of humanitaire hulp kan worden herschreven als criminele activiteit. Precies daarom wordt deze zaak internationaal op de voet gevolgd. Tien jaar geleden was de grens tussen mensensmokkel en humanitaire hulpverlening nog helder. In 2015, toen de oorlog in Syrië uitbrak, kwamen meer dan een miljoen mensen via de Middellandse Zee Europa binnen, waarvan 900 duizend via Griekenland. De staat kon het niet aan; vrijwilligers en ngo’s sprongen bij en gaven noodhulp op stranden en op zee.
Wat toen werd gezien als noodzakelijke inzet, is sinds 2017 in steeds meer Europese landen onderwerp geworden van strafrechtelijk optreden. Van Italië en Malta tot Griekenland namen vervolgingen tegen hulpverleners toe. De Griekse autoriteiten stellen dat strenge toepassing van de Europese anti-smokkelwet noodzakelijk is om mensenhandel tegen te gaan en levens te redden. In de praktijk vervaagt daarbij het onderscheid tussen georganiseerde misdaad en handelen uit noodzaak. Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International spreken van een structurele criminalisering van solidariteit.
De zaak in Mytilini past in dat patroon. De 24 vrijwilligers werden in 2018 aangeklaagd, omdat zij in verschillende hoedanigheden betrokken waren bij de Griekse ngo ERCI. Tussen 2016 en 2018 hielp die organisatie boten met migranten in de wateren rondom Lesbos veilig aan land te brengen en verleende zij eerste hulp langs de kust. In de aanklacht wordt die ondersteuning omschreven als het faciliteren van irreguliere binnenkomst.
De geboorteplaats van de democratie
Van de aangeklaagden werden degenen die zich op dat moment op Lesbos bevonden in voorlopige hechtenis genomen, onder wie de 31-jarige Séan Binder. Hij zat 106 dagen vast. In die periode had hij slechts beperkt zicht op de aanklacht. In zijn cel begon hij zich te verdiepen in het Europese en Griekse recht. Aanvankelijk twijfelde hij aan zijn eigen gelijk. “Mijn eerste gedachte was ‘We zijn hier in de geboorteplaats van de democratie, we moeten iets verkeerd hebben gedaan’. Ik wist alleen niet wat,” zegt hij op de vooravond van de zitting. Echter, hoe meer hij las, hoe zekerder hij werd. “Ik had niets fout gedaan. Ik had alleen mensen in nood geholpen. En dat is zelfs een plicht”. Die ervaring legde de basis voor een blijvende interesse in het recht; Binder is inmiddels opgeleid tot jurist, al mag hij tot er een positieve uitspraak komt niet werken.
Volgens Amnesty International had de vervolging juridisch nooit voor de rechter mogen komen. De organisatie roept de Griekse overheid sinds dag één op de zaak te laten vallen. Bewijs voor financieel of materieel voordeel, een kernvereiste in internationale definities van mensensmokkel, ontbreekt. Amnesty spreekt van een ‘farce’. Toch loopt de rechtszaak al zeven jaar. Juist die duur maakt haar uitzonderlijk. De aanklachten voor lichtere vergrijpen – spionage, ongeoorloofd radiobezit – strandden eerder op slordigheden in het dossier: administratieve fouten, ontbrekende vertalingen en gebrek aan bewijs. De zwaarste beschuldigingen hielden echter stand.

Links Pieter Wittenberg en rechts Séan Binder.
Op 4 december 2025, ruim zeven jaar na de aanklacht, begon de inhoudelijke behandeling van die beschuldigingen. Volgens de aanwezige ngo’s en advocaten heeft de aanklager, het Griekse Openbaar Ministerie, juridisch weinig kans van slagen. Toch is er wel degelijk winst geboekt, denkt de Nederlandse Pieter Wittenberg (78), de oudste verdachte in de zaak. Hij noemt die uitkomst geen toeval. “Dat rekken van tijd is hier een beleid”, zegt hij. “En dat is geweldig effectief.”
De inmiddels gepensioneerde man kwam in 2015, na het overlijden van zijn zoon, naar Lesbos om te helpen bij de opvang van vluchtelingen. Het leven in Nederland voelde leeg na zijn verlies. Op het eiland werkte hij voor verschillende hulporganisaties, waar hij mensen bijstond die net de overtocht hadden gemaakt. Vanaf het moment dat de hulpverleners werden aangeklaagd, was het effect zichtbaar op het eiland. “Het was meteen klaar”, zegt Wittenberg. “Niemand ging meer naar het strand om te helpen.” Reddingsoperaties werden opgeschort of volledig stopgezet.
“Niemand ging meer naar het strand om te helpen.”
Ook Binder benadrukt dat het afschrikkende effect niet afhankelijk is van een veroordeling. “Ik vermoed dat de autoriteiten dit proces niet eens per se willen afronden”, zegt hij. “De beschuldiging werkt al als een chilling effect.” Het langdurige strafproces heeft voor de verschillende aangeklaagden directe gevolgen. Reisbeperkingen, onzekerheid over verblijfsstatus, verlies van werk en jarenlange reputatieschade, zonder dat er een rechterlijk oordeel ligt. Volgens Wittenberg ligt de meest ernstige schade niet bij de aangeklaagden zelf. “De grootste rekening”, zegt hij, “gaat naar de mensen op zee die niet meer geholpen worden.”
Een rondvraag onder vrijwilligers van verschillende ngo’s op het eiland bevestigt dat afschrikking in de praktijk effect sorteert. Hulpverlenen aan mensen die per boot aankomen geldt als risicovol, zo is de gedeelde opvatting. “We horen op dag één dat je, wat er ook gebeurt, nooit mag helpen wanneer je een boot ziet aanmeren”, zegt Emma Westenberg, vrijwilliger bij verschillende organisaties. “Hoe moeilijk het ook is, je mag nog geen flesje water geven, want dan kunnen de autoriteiten je vervolgen.”
De hulp aan mensen op boten is wel nodig. Data van de International Organization for Migration (IOM) tonen dat op de migratieroutes naar Europa tussen 2014 en 2023 meer dan 28.000 mensen verdronken of worden vermist, ondanks dalende aantallen van aankomsten in recente jaren. Alleen al in 2024 registreerde de IOM naar schatting meer dan tweeduizend doden en vermisten op de zeeovertochten.
Een onzichtbare groep
De rechtszaak tegen de hulpverleners is uitzonderlijk zichtbaar. De strafpraktijk waar zij onder vallen, is dat niet. Westerse hulpverleners beschikken over paspoorten, media-toegang en juridische netwerken. Dezelfde wet die hun vervolging mogelijk maakt, wordt in Griekenland ook dagelijks toegepast op een veel grotere, grotendeels onzichtbare groep: vluchtelingen en migranten zelf, die direct bij aankomst in Griekenland worden opgepakt voor mensensmokkel. Met verwoestende gevolgen. Waar de zaak tegen de hulpverleners zeven jaar duurt, worden vluchtelingen vaak in enkele minuten veroordeeld.
Waar de zaak tegen de hulpverleners zeven jaar duurt, worden vluchtelingen vaak in enkele minuten veroordeeld.
Onderzoek naar strafzaken over mensensmokkel in Griekenland laat zien hoe routinematig en versneld deze procedures verlopen. Uit het rapport A Legal Vacuum dat Borderline Europe in 2023 publiceerde, blijkt dat een rechtszitting gemiddeld 37 minuten duurt. Het rapport basseert zich op analyses van strafdossiers door juridische onderzoeksorganisaties en mensenrechtenadvocaten. In zaken waarin verdachten werden bijgestaan door een door de staat aangewezen advocaat lag de gemiddelde tijd rond de 17 minuten. In sommige gevallen duurden zittingen niet langer dan zes of zeven minuten. In die tijd worden aanklacht, bewijsvoering, verdediging en vonnis afgehandeld.
In individuele zaken liepen de straffen op tot honderden jaren gevangenisstraf.
Die snelheid staat in scherp contrast met de straffen. In de door Borderline Europe onderzochte zaken kregen verdachten gemiddeld gevangenisstraffen van ruim veertig jaar opgelegd, vaak gecombineerd met zeer hoge boetes. In individuele zaken liepen de straffen op tot honderden jaren gevangenisstraf. Mensen die van mensensmokkel worden beschuldigd vormen inmiddels een van de grootste groepen in Griekse gevangenissen, na drugsgerelateerde delicten. Naar schatting gaat het om twintig tot vijfentwintig procent van de totale gevangenispopulatie. In september 2025 zaten volgens via parlementaire vragen vrijgekomen gevangenisdata 2.437 mensen vast op beschuldiging van mensensmokkel. De gemiddelde duur van voorlopige hechtenis bedroeg 279 dagen.
Tegelijkertijd ontbreekt een structureel en transparant statistisch overzicht. Griekenland publiceert geen doorlopende, uitgesplitste cijfers over vervolgingen en veroordelingen op basis van smokkelgerelateerde aanklachten. Inzicht in de schaal van de praktijk komt daarom vooral uit samenlopende schattingen en momentopnames van organisaties die structureel toegang hebben tot strafdossiers, gevangenissen en rechtbanken, waaronder Borderline Europe, HIAS Greece, Legal Centre Lesbos en Refugee Support Aegean.

Lost in Europe sprak met meerdere advocaten van HIAS Greece, Greek Council for Refugees en Legal Centre Lesbos die verdachten bijstaan in smokkelzaken. Zij wilden alleen anoniem spreken. Juristen die structureel optreden in deze zaken krijgen in Griekenland te maken met publieke aanvallen en intimidatie. De Council of Europe waarschuwde herhaaldelijk dat deze druk het recht op een eerlijk proces ondermijnt. “Het werk is al zwaar genoeg”, zegt een van hen. “Openlijk spreken maakt je kwetsbaar.”
De advocaten beschrijven een terugkerend patroon. “Bij vrijwel elke boot worden één, twee of drie mensen aangewezen als ‘smokkelaar’,” zegt een advocaat van HIAS Greece. “Vaak zonder individueel onderzoek. Het feit dat iemand het stuur vasthield of een telefoon gebruikte voor GPS is soms al genoeg.” Een jurist van Legal Centre Lesbos herkent dat beeld. “De aanklacht is vrijwel altijd standaard. Er wordt gekeken naar één moment, wie stuurde. Niet naar wat eraan voorafging.” Volgens de advocaten is deze praktijk geen toeval. “Bij elke aankomst moet iemand als dader worden aangewezen”, zegt de HIAS Greece-advocaat. “Zo kan de staat zeggen, ‘Kijk, we pakken de smokkelaars aan’.”
“Geen enkele echte smokkelaar stapt zelf in een rubberboot voor een tocht van drie dagen, zonder eten of water, zonder mogelijkheid om terug te keren.”
Dat dit zelden om daadwerkelijke smokkelaars gaat, is volgens haar evident. “Geen enkele echte smokkelaar stapt zelf in een rubberboot voor een tocht van drie dagen, zonder eten of water, zonder mogelijkheid om terug te keren. Dat weten de autoriteiten ook.” Toch worden bij aankomst consequent passagiers uit de groep gehaald en aangeklaagd. “Het levert een zichtbaar resultaat op”, zegt de advocaat. “Maar het zegt niets over georganiseerde netwerken. Het zegt iets over wie het makkelijkst te vervolgen is.”
Volgens de juridische organisaties maken verdachten zelden deel uit van georganiseerde criminele netwerken. In plaats daarvan gaat het vrijwel altijd om passagiers die onder dwang handelden. Winstbejag, een kerncriterium in het VN-Protocol tegen de Smokkel van Migranten, onderdeel van het Palermo-verdrag, wordt in deze zaken zelden onderzocht of aangetoond.
Als dieren in een kudde de zee ingestuurd
Een zaak die door HIAS Greece werd bijgestaan laat zien hoe dat in de praktijk werkt. Het ging om twee jongens uit Soedan, zestien en achttien jaar oud. Voorafgaand aan de overtocht werden zij wekenlang vastgehouden door smokkelaars in loodsen en andere geïmproviseerde opslagruimtes. Groepen mensen werden verplaatst en verzameld totdat zij in één keer naar het strand werden gebracht. “Ze werden als dieren in een kudde de zee in gestuurd”, zegt de advocaat. Op het strand stonden gewapende smokkelaars. Wie niet instapte, werd bedreigd.
Kort na vertrek verlieten de smokkelaars de boot. De overtocht duurde drie dagen. In die tijd was er geen vaste schipper. Mensen wisselden elkaar af aan het roer, anderen hielpen met navigeren of het vasthouden van de telefoon met GPS. “Iedereen deed iets”, zegt de advocaat. “Ze moesten wel, om te overleven.”
Na aankomst in Griekenland werden de twee jongens van 16 en 18 jaar opgepakt en aangeklaagd voor mensensmokkel, omdat zij tijdens de overtocht het roer zouden hebben vastgehouden en hadden genavigeerd. Dat zij zelf asielzoekers zijn en onder dwang hadden gehandeld, speelde aanvankelijk geen rol. “Ze komen uit zo’n traumatische ervaring”, zegt de advocaat, “en in plaats van veiligheid word je als crimineel opgepakt zodra je vaan land bent.” Volgens haar was er geen sprake van winstbejag. “Dit waren geen smokkelaars,” zegt ze. “Dit zijn jongens die zelf bescherming zochten.”
Beide zaken eindigden uiteindelijk in vrijspraak. Niet omdat de rechtbank expliciet erkende dat het besturen van de boot geen mensensmokkel was, maar omdat de verdediging erin slaagde genoeg twijfel te zaaien over individuele schuld. “Met voldoende tijd en documentatie kun je dit winnen,” zegt de advocaat. “Zonder die tijd loopt dezelfde zaak vaak totaal anders af.”
Voor de meeste verdachten ontbreken die voorwaarden. Veel mensen die geen praktijk als HIAS Greece of Legal Center Lesvos weten te bereiken, krijgen een door de staat toegewezen pro-bono advocaat. Die advocaat hoort dat volgens HIAS Greece vaak pas op de dag zelf en heeft slecht uren om zich in te lezen. Tolken zijn niet altijd beschikbaar of onvoldoende gekwalificeerd. Het oproepen van getuigen of het effectief inroepen van uitzonderingsclausules is onder deze omstandigheden vrijwel onmogelijk. Vanwege de extreem hoge straffen wordt een schuldbekentenis vaak gezien als de minst risicovolle optie.
Mensenrechtenorganisaties benadrukken dat hun zicht op deze strafpraktijk per definitie fragmentarisch is. Amnesty International wijst erop dat toegang tot opvanglocaties, detentiecentra en strafprocedures in Griekenland selectief en vaak onvolledig is, zelfs voor internationale waarnemers. In verklaringen over de vervolging van hulpverleners spreekt Amnesty van een poging om solidariteit af te schrikken en humanitaire hulp te criminaliseren, maar de organisatie benadrukt tegelijk dat dit juist de zeldzame zaken zijn die wél zichtbaar worden. De grote meerderheid van smokkelzaken tegen vluchtelingen blijft buiten beeld.
De grote meerderheid van smokkelzaken tegen vluchtelingen blijft buiten beeld.
Ook Borderline Europe en Human Rights Watch documenteren al jaren hoe strafzaken tegen vluchtelingen routinematig en versneld worden afgehandeld, vaak zonder effectieve rechtsbijstand en met minimale publieke controle. In die zin fungeert het strafrecht steeds vaker als instrument om zowel vluchten als helpen te ontmoedigen.
Jaren opgebouwde angst
Terug in de rechtbank van Mytilini wordt de behandeling van de zaak na twee lange zittingsdagen uitgesteld tot 15 januari 2026. Dan zal worden beslist of de zware aanklachten tegen de hulpverleners standhouden. Voor Pieter Wittenberg is dat moment meer dan een juridisch sluitstuk. Hij hoopt dat een uitspraak, en vooral een vrijspraak, kan bijdragen aan het doorbreken van de verlamming die al jaren op Lesbos hangt. “Dat mensen misschien weer durven te helpen”, zegt hij. “Dat is uiteindelijk waar het om gaat.”
Zijn advocaat Maria Spiliotakara, eveneens werkzaam bij HIAS Greece, kijkt met vertrouwen terug op de zittingsdagen. “In de rechtszaal”, zegt zij, “is duidelijk geworden dat de verdachten niets te maken hebben met de misdrijven waarvan zij worden beschuldigd.” Zelfs als alle feiten uit de aanklacht voor waar zouden worden aangenomen, wat ze betwist, zouden die handelingen volgens haar juridisch niet kunnen leiden tot mensensmokkel. “Deze zaak had nooit voor de rechter mogen komen”, zegt Spiliotakara. “Ze had al in de onderzoeksfase moeten worden gestopt, omdat er geen enkel bewijs is van een strafbaar feit.”

Wat volgens Spiliotakara pijnlijk zichtbaar werd in de rechtszaal, is hoe het narratief volledig is omgekeerd. Mensen die in een periode van extreme aankomsten hun nachten doorbrachten op stranden en kliffen, omdat de Griekse staat de situatie niet aankon, worden nu neergezet als criminelen. “We hadden dagen met duizenden aankomsten op verschillende plekken tegelijk”, zegt ze. “Geen enkele staat had daar de capaciteit voor. Deze mensen hebben toen levens gered.” Ze wijst op Wittenberg, destijds zeventig jaar oud, die nachtenlang in de kou wacht hield om boten in nood te signaleren. “En juist dit soort mensen staan hier nu terecht.”
Of een vrijspraak in januari daadwerkelijk zal leiden tot een terugkeer van vrijwilligers en ngo’s naar de stranden van Lesbos, durft Spiliotakara niet met zekerheid te zeggen. “Niemand wil acht jaar lang door een strafprocedure worden gesleept wegens zware misdrijven”, zegt ze. “Het is volkomen begrijpelijk dat mensen daarvoor terugschrikken.” Dat maakt de uitkomst van de zaak des te belangrijker, maar ook kwetsbaar. Zelfs een duidelijke rechterlijke correctie kan de angst die de afgelopen jaren is opgebouwd niet zomaar wegnemen.
Séan Binder hoopt in januari uit de schijnwerpers te verdwijnen. De camera’s die na afloop van de zitting opduiken geven hem zichtbaar ongemak. Hij is klaar met het narratief dat hij óf een held, óf een dader is, legt hij uit. Beide frames zijn volgens hem riskant: “Als je zegt dat iets crimineel of heldhaftig is, zeg je eigenlijk dat het niet normaal is. Maar helpen is normaal.” In Mytilini krijgt dat uitgangspunt in januari 2026 na acht jaar eindelijk een inhoudelijke toets.