10 oktober, 2013 | Auteur: Bart Crezee | Beeld: Bart Crezee | Trefwoord: china
Oeigoerse oproer en de harde hand van Beijing
Diep in de Chinese provincie ligt de eeuwenoude handelsstad Kashgar ingeklemd tussen bergen en woestijnen. Komende vanuit het westen vormt deze stad een eerste kennismaking met de wijd strekkende Chinese beschaving. En dat terwijl Kashgar oorspronkelijk niet eens Chinees is: deze stad is het kloppend hart van de Oeigoerse minderheid in China. Er mogen dan duizenden kilometers woestijn en bergen tussen liggen, de harde hand van Beijing is ook hier steeds meer voelbaar.
In de rubriek Onderweg schrijven Bart Crezee en Laura van der Reijden over hun ervaringen. Laura van der Reijden trekt van noord naar zuid van Caïro naar Kaapstad door Afrika. En Bart Crezee trekt liftend van west naar oost langs de oude zijderoute van Istanboel naar Beijing.
Kashgar, of Kashi in het Chinees, is een plek die geschiedenis ademt. Dit is een stad zoals je ze verwacht te vinden langs de oude zijderoute. De plek waar handelaren vanuit alle windstreken naartoe trekken; de plek waar koeien, schapen en geiten worden geknepen, gewogen en gekeurd op de zondagse markt. De plek waar gegeten wordt met stokjes, maar de thee op z’n Turks wordt gezet. Na een inspannende tocht door de verzengende Taklamakan woestijn was dit eeuwenlang de langverwachte rustplaats voor de Chinese handelskaravanen. Voor hen was Kashgar de laatste vesting voor het begin van de barbaarse buitenwereld. Andersom vonden Kirgizische, Tajikische of Oeigoerse handelaren hier hun rust na de gevreesde passen van de Tian Shan bergen te zijn overgekomen.

Die etnische variëteit brengt een hoop taalkundige diversiteit met zich mee. Zo ook in het geval van Aje. Aje is een vierentwintig jarige Oeigoerse jongeman, maar hij ziet er eerder uit als veertig. Iedereen in deze stad lijkt z’n jonge jaren over te slaan. Van zijn vader kreeg Aje het vak van messenslijper aangeleerd, toch is hij veel liever bezig met lezen en schrijven. Wanneer hij voorgaat naar zijn studeerkamer in een rommelige buitenwijk van de stad, toont hij trots zijn boekenkast. “Kijk”, zegt hij, “dit zijn mijn Oeigoerse boeken. En dit hier is Chinees. Maar momenteel ben ik vooral ook bezig met het leren van Engels.” Aje is er trots op vloeiend Chinees te kunnen lezen en schrijven. “Het Chinees biedt mij kans op werk in de administratie bij grote bedrijven”, legt hij uit. Maar zo gewoon als dat klinkt voor een inwoner van China, zo ongewoon is dat in de afgelegen provincie Xinjiang.
Hier leven de Oeigoeren, een oorspronkelijk Turks en islamitisch volk wat qua taal en cultuur ver af staat van de Han-Chinezen uit het oosten. Weinig Oeigoeren spreken van harte het officiële Mandarijn-Chinees. Want hoewel zij al decennia geleden werden ingelijfd bij de Chinese republiek bestaat er nog altijd veel animositeit tegen de Chinese bestuurlijke dominantie. Afgelopen juni was het hier nog onrustig toen de grootschalige protesten van vier jaar geleden werden herdacht.
Bij die protesten in de provinciehoofdstad Urumqi kwamen in 2009 volgens officiële schattingen bijna tweehonderd mensen om het leven. Het werkelijke aantal zal waarschijnlijk veel hoger hebben gelegen. Afgelopen juni leidde dit opnieuw tot botsingen tussen de lokale bevolking en de Chinese oproerpolitie. Ontevreden Oeigoerse mannen bestormden politieposten en overheidsgebouwen in verschillende steden door de hele provincie heen. In reactie hierop voerden de Chinese autoriteiten invallen uit op huizen van mogelijke verdachten en werd een lokale moskee gesloten.
Bovenal werd de algehele militaire aanwezigheid sterk opgevoerd. Enkele dagen na de gewelddadige incidenten passeert een langgerekte militaire colonne een van de drukste kruispunten van Kashgar. Er lijkt geen eind te komen aan de gestage stroom van tanks en trucks. Vanuit de laadruimtes van de pick-up trucks slaan soldaten met een stalen gezicht de menigte gade. Dieprode spandoeken sieren de zijkanten van de tanks. Er op staan slogans in het Chinees en Oeigoers, met teksten als: ‘De kracht van de natie is eenheid’ en ‘Xinjiang is niet slechts van één etnische groep’. Dit is machtsvertoon van de Chinese Communistische Partij. Beijing balt haar vuist bij ook maar het kleinste beetje oproer dat de stabiliteit van de regio dreigt te verslechteren.

Zodoende staat de stadsbus een uur vast voor het stoplicht. De lokale passagiers laten het militaire machtsvertoon met enige gelatenheid over zich heen komen. Han-Chinezen in Kashgar voelen zich er echter minder gemakkelijk bij. Ree, een Chinese toeriste, reist niet meer met een veilig gevoel door Xinjiang heen. Vrienden en familie vragen haar dringend om terug naar huis te komen. Terug naar het veilige oosten. Op de vraag of ze kan vertalen wat er op de rode spandoeken staat geeft ze eerst ontwijkende antwoorden. Misschien schaamt ze zich voor de toestand van haar land, voor dit deel van China dat in een oorlogsstaat lijkt te zijn gekeerd.
De toestand van Xinjiang bepaalt mede de toestand van China. Dit land van bijna anderhalf miljard inwoners en haar enorme etnische diversiteit is momenteel alleen bij elkaar te houden door de harde hand van Beijing. De vraag is hoe lang dat goed gaat in een land wat steeds welvarender en vrijer lijkt te worden. Het is een van de grotere uitdagingen waar China de komende jaren voor staat.