11 december, 2013 | Auteur: Bart Crezee | Beeld: Bart Crezee | Trefwoord: china
Van asbest naar oase: een tocht door de binnenlanden van China
In het binnenland van China ontvouwt zich een tafereel dat doet denken aan het Inferno van Dante. China's onverzadigbare honger naar grondstoffen is ook in het eigen binnenland goed zichtbaar. Maar de vele mijnbouwputten maken hier en daar ook plaats voor een heel ander gezicht: een woestijn vol windmolens. In China kunnen inferno en nirwana soms heel dicht bij elkaar liggen.
In de rubriek Onderweg schrijven Bart Crezee en Laura van der Reijden over hun ervaringen. Laura van der Reijden trekt van noord naar zuid van Caïro naar Kaapstad door Afrika. En Bart Crezee trekt liftend van west naar oost langs de oude zijderoute van Istanboel naar Beijing.
De stank dringt diep in je longen door. De geur is drukkend sterk en de lucht drukkend warm. In de verte stijgen grauwe stofwolken op uit de vele mijnbouwpitten die als gaten in een stuk kaas over de vlakte verspreid liggen. Onwillekeurig probeer je je adem in te houden, uit angst giftige gassen binnen te krijgen. Het is als een klassieke voorstelling van het dodenrijk: een woest, verdoemd landschap met kuilen waar God-weet-wat voor verschrikkelijke dampen uit ontsnappen. Dante's Inferno lijkt hier werkelijkheid te zijn geworden.
En toch, de lokale mijnwerkerskinderen spelen tussen de verroeste schuurtjes en gigantische graafmachines alsof er niets aan de hand is. Voor hen is Shimiankuang een thuis. Natuurlijk kennen ze de letterlijke betekenis van deze dorpsnaam – asbestmijn – maar het schijnt hen niet te deren in hun kinderspel.
Shimiankuang is een van de vele mijnbouwdorpjes in dit deel van China, het grote centrale niemandsland op de grens tussen de bergen en de woestijn. Hier worden kostbare delfstoffen gewonnen voor de reusachtige economische groei, daar ver weg aan de Chinese oostkust. De vervuiling die dat met zich meebrengt is goed te zien en te ruiken.
Het is tijd om snel verder te trekken. De eigenaar van een blauwe personenauto, die toch moet stoppen voor het lokale politiecheckpoint, is algauw bereid een lift aan te bieden. De bestuurder, een Han-Chinees van middelbare leeftijd, kijkt met enige afkeuring naar het dramatische landschap en eet dan verder van z'n watermeloen. Milieubewustzijn lijkt in China altijd ondergeschoven aan de alledaagse zorgen van verzadiging en vooruitgang.
Even later volgt een nieuwe lift. Twee mannen in een four-wheeldrive voeren onderhoudswerk uit voor China Mobile. Ze gaan een bergpas over naar het oosten en controleren alle telecommasten die ze onderweg tegen komen. De weg slingert door de vaalgele heuvels omhoog. Op de top van de pas wordt er gestopt bij een grote zendmast. De een neemt z'n gereedschapskist en gaat het bijgebouwtje binnen. De ander steekt een sigaret op en wacht. Een kwartier wachten wordt een half uur en gaat langzaam over in een uur. Af en toe giert een vrachtwagen met te hoge snelheid voorbij door de naastgelegen bocht en brengt een verkoelend briesje. Voor de rest is het warm en stil. De enige verbinding met de rest van de wereld is de zendmast. Staatsbedrijf China Mobile reikt overal.
Een nieuwe lift. Twee truckers brengen een lading 'Red Pagoda Hill' sigaretten rond. In het midden van een uitgestrekte zandvlakte stoppen ze bij wat je nog niet eens een gehucht kunt noemen: twee huizen, een oude autowerkplaats en een verroeste benzinepomp. Maar de nodige voorraad tabak wordt er wel netjes afgeleverd. Op weg naar het volgende dorpje passeert de truck een eindeloze rij jaknikkers. Als krukassen in een draaiende automotor bewegen de oliepompen gestaag op en neer. Ja, ja, en ja, er komt geen eind aan het instemmend knikken van de machines. Olie moet blijven stromen. De industrie in het oosten heeft het nodig.
Opnieuw volgt een andere lift. Op een verlaten t-splitsing in het midden van dit onwerkelijke landschap stopt een gloednieuwe Jeep. Hij is op weg naar Dunhuang, ooit de laatste vesting van het oude Chineze keizerrijk, tegenwoordig het toeristisch hart van de regio. Dunhuang vormt de langgezochte oase vol water, verkoeling en rust aan het einde van deze woestijnreis.
De bestuurder van de Jeep is een zwijgzame Chinese man. De hele rit luistert hij naar traditionele volksmuziek. De zweverige zang van hoge vrouwenstemmen brengt een onverwachte melancholie met zich mee. Links en rechts schieten zandduinen voorbij. Als de koppen van brekende golven hangen ze voorovergebogen in een zee van zand. Een rode Chinese wimpel hangt aan de binnenspiegel. Zachtjes heen en weer bewegend lijkt het mee te wiegen op de haast ijlende Chinese volkszang: vol rust en vrede. Het is alsof Dante's oord van verdoemenis heeft plaatsgemaakt voor een oosters nirwana. Dunhuang komt steeds dichterbij.
Enige kilometers verderop maken de zandduinen dan plots plaats voor een gladgestreken vlakte. Tegen de achtergrond van een nieuwe bergketen ontvouwt zich een panoramisch park vol windmolens. Ook in China beseffen ze dat duurzame energie noodzakelijk is. Het is een verademend gezicht na de vernietigende effecten van de rauwe grondstoffenindustrie. Met Dante lijken we vanuit het Inferno naar het Paradijs getrokken. Maar voor Chinezen geldt er niet zo'n directe scheiding tussen hemel en hel. Vervuilende mijnbouw en duurzame energiewinning liggen hier dicht bij elkaar. China zet vol in op alle mogelijke energiebronnen die het tot beschikking heeft. In een dag leidt de weg van Shimiankuang naar Dunhuang: asbestmijnen en oases liggen hier niet ver uit elkaar.