20 januari, 2010 | Auteur: Agnes Corbeij | Beeld: Alex Wolf | Trefwoord: nederland
‘Straatjongeren zijn niet Marokkaans genoeg’
Al jaren terroriseerde een kleine groep Marokkaanse jongeren Culemborg, aldus de politie. Aan de rellen aldaar, kleeft een geschiedenis. Een wijkagent vertelde NRC Handelsblad in 2008 al dat hij de jongens heeft zien afglijden. ‘Het is de straatcultuur. De druk om mee te doen, om ook mooie schoenen te kopen.’ Antropologen en andere onderzoekers zien een verband tussen de islamitische cultuur en de straatcultuur. Is deze link, en de aangrenzende angst voor de islamitische cultuur, wel terecht?
Het ministerie van Justitie liet in 2008 onderzoeken welke wijzen het effectiefst zijn om Marokkaanse hangjongeren aan te pakken. Eén van de onderzoekers is Corine de Ruiter, hoogleraar Forensische Psychologie in Maastricht. Volgens haar is de islam mogelijk één van de oorzaken van delinquent gedrag van Marokkaanse jongeren in Nederland. In haar ogen hebben Marokkaanse (en Turkse) jongeren een ‘achterstand in hun morele ontwikkeling’.
Verband gelegd
Net als De Ruiter hebben veel antropologen, sociologen en beleidsmakers een verband gelegd tussen etnische afkomst en straatcultuur van jongeren. Opvallende onderdelen van de straatcultuur zoals eer, wantrouwen en vechtersmentaliteit worden toegeschreven aan de islamitische cultuur van de Marokkaanse jongeren. Vanuit dat standpunt wordt nu beleid gemaakt rondom de aanpak van deze groep. Maar niet iedereen is het ermee eens.
Jan Dirk de Jong heeft onderzoek gedaan naar de cultuur van jongens uit Overtoomse Veld in Amsterdam Nieuw-West. Hij vindt de vergelijking gemakzuchtig. Volgens hem is het niet de islamitische cultuur, maar zijn het de leefomstandigheden van Marokkanen die de straatcultuur beïnvloeden.
De straatcultuur zoals wij die in Nederland kennen, bestaat volgens De Jong ook in de Verenigde Staten. Daar zijn het de Koreanen en de Colombianen die een cultuur kennen met kenmerken zoals eer en wantrouwen. In het Spaanse Barcelona zijn het Chilenen en in het Noorse Oslo de Pakistanen die een soortgelijke straatcultuur kennen. De Jong: “Het zijn voorbeelden van migrantengroepen die buitengesloten worden van de dominante samenleving en daarop reageren.”
Illiass El Hadioui, als socioloog verbonden aan de Erasmus Universiteit, heeft onderzoek gedaan naar jeugd met een Marokkaanse achtergrond, die tot overlast zorgde. Hij is tot de conclusie gekomen dat de jongeren juist onvoldoende Marokkaans zijn. “Hun relatie met de ouders wordt vaak getypeerd door onbegrip, een generatiekloof, een culturele kloof en uiteindelijk een psychologische kloof. Deze gebrekkige binding aan het gezin zorgt ervoor dat traditionele kernwaarden niet worden overgedragen.”
Fundamentele ontkoppeling
Uit het onderzoek blijkt dat de hangjongeren nauwelijks binding hebben met de moskee en vaak drop-outs zijn op school. “Zij hebben geen binding met de school waar discipline, geduld, inzet en regels belangrijk zijn.” Daardoor zoekt El Hadioui de oorzaak voor hun gedrag in één overkoepelend probleem: “De fundamentele ontkoppeling van traditionele kerninstituties als gezin, moskee en onderwijs.”
In die zin sluit hij aan bij De Jong, die spreekt over buitengesloten migrantengroepen. De Jong schrijft hierover: “Hun specifieke situatie in Nederland zorgt ervoor dat verwarringen, versterkingen en versnellingen in algemene groepsdynamische processen optreden. Zo neemt de kans toe dat de jongens opvallend (heftig) delinquent groepsgedrag gaan vertonen. Door omstandigheden thuis worden zij gedwongen om hun behoeften buitenshuis te bevredigen. Dit leidt ertoe dat een groot aantal jongens samen relatief veel vrije tijd op straat doorbrengt. Vandaar dat ze worden aangeduid als ‘straatjongens’.”
Zolang migranten zich buitengesloten voelen, denkt De Jong, zal de straatcultuur blijven bestaan. De Jong: “Vroeger heette dit de Spaanse cultuur en de Surinaamse cultuur en over tien jaar is het misschien wel de Poolse cultuur.” In Nederland waren de Molukkers jarenlang een buitengesloten groep immigranten. In de tweede helft van de jaren zestig leidde dit regelmatig tot confrontaties tussen Molukse en Nederlandse jongeren.
Ook elders in de wereld
Veel elementen van de straatcultuur, die vaak als ‘typisch Marokkaans’ getypeerd worden, vond De Jong ook bij straatculturen elders in de wereld. Hij noemt in de Groene Amsterdammer van november 2007 het tekortschieten van de ouders en halsstarrige ontkenning als voorbeelden. In de Verenigde Staten zag hij het bij ontspoorde Koreaanse jeugdgroepen.
De Jong: “Het klopt dat Marokkaanse jongens en hun ouders misdaden halsstarrig blijven ontkennen, ook al is het bewijs voorhanden. Datzelfde geluid hoorde ik in Los Angeles. Een agent vertelde dat de ouders van criminele Koreaanse jongeren nooit erkennen dat hun zoon een misdaad heeft begaan. ’Typisch Koreaans’, noemde hij dat gedrag.”
Corine de Ruiter en de andere onderzoekers doen een aantal aanbevelingen naar aanleiding van hun onderzoek naar Marokkaanse hangjongeren. Autoritaire ouders die er niet in slagen hun kind de weg te wijzen in een liberale samenleving moeten op opvoedles en scholen en maatschappelijk werkers moeten ontsporende kinderen zo vroeg mogelijk signaleren, aldus het rapport. Het lijkt erop dat de onderzoekers de opvoedkundige taak willen verschuiven van de islamitische ouders naar de overheid.