25 april, 2013 | Auteur: Geke Kieft | Beeld: Geke Kieft | Trefwoord: syrie
Maart was de dodelijkste maand in Syrië (1)
De berichten worden bij het hoofdkantoor van ZOA in Apeldoorn nauwlettend in de gaten gehouden: wat gebeurt er in Syrië en gaan we wel of niet aan de slag? Hoe gemakkelijk is het om het land binnen te komen als hulpverlener en waar stel je de hulpverleners aan bloot? We startten veertig jaar geleden in Zuid-Oost Azië (vandaar ‘ZOA’) en werken nu naast Azië voornamelijk in Afrika.
De komende zes maanden belicht Geke Kieft van ZOA in de rubriek Verbeter de Wereld, wat hun verschillende projecten voor vluchtelingen betekenen.
Het Midden-Oosten is een nog redelijk onbekend terrein, met uitzondering van een programma in Jemen dat vorig jaar gestart is, hebben we geen ervaring. Zijn er betrouwbare lokale partners te vinden op korte termijn? Hebben we voldoende contacten? Uiteindelijk valt de beslissing om ons aan te sluiten bij Dorcas, een partner in het christelijke noodhulpcluster waar we onderdeel van uit maken. Zij startten een project samen met een lokale kerk in Mafraq, Jordanië.
Ik stond al op het punt om naar Jemen te gaan en Jordanië, waar bijna 400.000 geregistreerde Syrische vluchtelingen zijn, is dan relatief dichtbij. Mijn missie? Foto’s, verhalen en videobeelden ophalen van slachtoffers en verslag uitbrengen naar het hoofdkantoor over het project. Zijn er mogelijkheden om uit te breiden, waar is de nood het hoogst, waar kunnen we echt een verschil maken?
De eerste dagen in Amman valt het al op: de jongen achter de kassa bij de supermarkt komt uit Damscus, hotelpersoneel komt uit Aleppo en als ik na een meeting bij de UNHCR de poort doorloop, zie ik dat de straat vol staat met vluchtelingen die wachten op registratie. En dat is nog maar het begin.
Op bezoek bij de pastor van de lokale kerk in Mafraq blijkt dat zijn stad, die inmiddels in de volksmond al Syria Town is gaan heten, overspoeld wordt door vluchtelingen. Jaren geleden hielp de kerk de Iraakse vluchtelingen, nu staan er dagelijks tientallen Syriërs voor de deur. Met man en macht proberen ze hen te ondersteunen, evenals de moskeeën in Mafraq overigens. Door een financiële injectie zorgen ZOA en andere INGO’s ervoor dat er winterhulp uitgedeeld kan worden, zoals dekens, matrassen, kooktoestellen, gasflessen en kachels. Allemaal broodnodig in de kleine onderkomens die vaak slecht onderhouden en amper geïsoleerd zijn.
In Mafraq rijd ik mee met het distributieteam van de lokale kerk. We bezoeken gezinnen in hun huizen waar veel te veel huur voor betaald wordt, gemiddeld zo’n 120 euro (130 dinar) per maand. Ik bezoek Naima, een vrouw uit Homs die met haar kinderen en haar man gevlucht is voor het geweld van deze burgeroorlog. Ondanks dat ze nu veilig is zou ze liever in Syrië zijn op dit moment. Of in ieder geval daar, waar haar familie is. Tijdens de luchtaanvallen kropen ze dichtbij elkaar, ze ondervond steun aan het contact met haar ouders, haar zussen en haar broers. Nu staan zij en haar gezin er alleen voor. Haar man heeft rugproblemen en kan daardoor geen zwaar werk verrichten. Hij en haar twee zoons halen dagelijks afval van de straat. De waardevolle spullen worden verkocht, het overige afval wordt ingeleverd en dat levert een klein beetje geld op. Naima zelf verzamelt oud brood, dat zie je in islamitische landen vaak in zakjes aan de bomen of deurknoppen hangen. Brood weggooien is haram. Het verzamelde brood wordt ingeleverd, waarna er weer veevoer van gemaakt wordt. Het levert haar iets meer dan 2 euro per zak op. Het is me al vaker opgevallen in crisissituaties, maar ook nu raakt het me weer hoe veerkrachtig en innovatief mensen zijn. Ondanks de vele onzekerheden en angsten blijft ze manieren zoeken om hier een leven op te bouwen, met hoop op een betere toekomst.
Waarom niet gewoon in een vluchtelingenkamp gaan zitten? In Za’atri hoef je geen huur te betalen, voedselhulp krijg je van het WFP en er is zelf een school. De reden wordt me duidelijk als ik met eigen ogen het vluchtelingenkamp zie.
Van een grote afstand zijn de rijen witte tenten zichtbaar, een geasfalteerde weg in het midden en allemaal zijpaden met tenten. Af en toe een ‘sanitatieblok’ met een paar wc’s en een kraantje. Een met hekken afgeschermd gedeelte waar alle INGO’s zich bevinden, daar ben ik naar onderweg. Ondanks dat we geen programma hebben in het kamp, ga ik er op bezoek. Niet als ramptoerist, maar om een coördinatie-meeting bij te wonen. Deze blijkt helaas afgelast te zijn. Dat geeft ons meer tijd om het kamp te bekijken en mensen te bezoeken.
Het kamp heeft volgens de originele planning capaciteit om 60.000 vluchtelingen onderdak te bieden, in werkelijkheid zijn het er inmiddels zo’n 190.000 naar schatting. De tenten bieden maar weinig bescherming op deze vlakte: regen en wind hebben vrij spel. Rijen met mannen en rijen met vrouwen staan (apart) voor de voedseltenten, hier worden de broodnodige middelen uitgedeeld die maar gedeeltelijk toereikend zijn voor de grote gezinnen. De kou snijdt door je kleding, zelfs al heb je je westerse outdoor jas aan. Laat staan als je je blote voeten in slippers moet steken en je alle lagen die je hebt over elkaar heen aan moet trekken om niet volledig onderkoeld te raken.
Ook al hoor je er in het kamp bijna niemand over, er heerst nog een ander probleem: verkrachting. Het blijkt buiten het kamp zelfs één van de redenen te zijn om deze plek te verlaten. Mannen durven hun vrouwen en dochters hier niet alleen te laten.
Tijdens mijn verblijf heb ik gepraat met andere ontwikkelingsorganisaties en samen probeerden we met man en macht te achterhalen waar de grootste noden waren. We besloten een nieuw projectvoorstel te schrijven voor een project in Irbid, vlak bij de Syrische grens. Dit voorstel werd aangeboden aan donoren en zodra de eerste 50.000 euro binnen was, konden we een campagne starten. Dit doen we gezamenlijk met Dorcas en Tear.
Ondanks de vele nieuwsberichten en reportages moest er begin deze maand ook een nationale campagne van Giro 555 aan te pas komen om Nederlanders weer met de neus op de feiten te drukken; de Syrische crisis is nog steeds gaande en is de laatste maanden zelfs verhevigd. Maart was de dodelijkste maand in het conflict en inmiddels zijn er al zeker 70.000 slachtoffers gevallen, waarvan veel te veel burgers; soldaat of burger; het maakt ook eigenlijk niet uit, elk slachtoffer is er één te veel.
In Nederland proberen we via diverse media aandacht te vragen voor de ramp die zich voltrekt. Ondertussen bereid ik alweer de volgende missie voor. Volgende maand meer over de Arabische opstand, qat kauwen, je schuilhouden in een grot en de ervaring om gehuld te gaan in een burka.
Geke Kieft maakte voor ZOA in Mafraq ook een film van Naima, de vrouw uit Homs die met haar man en kinderen vluchtte voor het geweld van de burgeroorlog in Syrië. Zie: Een bezoek aan Naima