23 juli, 2013 | Auteur: Geke Kieft | Beeld: Geke Kieft | Trefwoord: ethiopie
Met 40.000 mensen in een pop-up stad in Ethiopië (4)
Het is nog donker buiten als ik mijn spullen bij elkaar zoek, rond vijf uur in de ochtend in Addis Abeba. Ik vertrek vandaag naar het zuiden, naar vluchtelingenkamp Dollo Ado vlakbij de grens met Somalië. Op Bole Airport stap ik in een UN-vliegtuig waarmee we over het fenomenale Ethiopische landschap vliegen. Als we dichter bij Dollo Ado komen wordt het minder groen, het wordt vlakker en zelfs droog, ondanks de rivier die door het landschap kronkelt. Ineens doemt er op die vlakte een gigantisch blok met witte tenten op. Hier heb ik veel over heb gelezen en talloze beelden van gezien, dat alles wordt nu werkelijkheid.
Zes maanden lang belicht Geke Kieft van ZOA in de rubriek Verbeter de Wereld, wat hun verschillende projecten voor vluchtelingen betekenen.
Zo van boven af gezien lijkt het ongelooflijk dat mensen hier wonen en leven. Weggestopt in de woestijn, een dorre vlakte voor mensen die nergens anders heen kunnen. Verspreid over vijf kampen leven hier zo’n 200.000 Somalische vluchtelingen. Velen van hen sloegen op de vlucht vanwege ‘De Jeugd’, ook wel ‘Al Shabaab’. Een islamitische organisatie die zich inzet voor een islamitische staat en de invoer van de sharia in Somalië. Grote delen van het land zijn inmiddels in handen van deze groep, maar dat kan snel veranderen, de strijd is grillig.
Een andere reden om te vluchten uit Somalië was de grote droogte in Oost-Afrika in 2011. Somalië, Ethiopië, Djibouti en Kenia maakten de grootste voedselcrisis mee sinds zestig jaar. Hulp die wordt aangeboden in Somalië wordt niet altijd met open armen ontvangen vanwege vermeende verborgen agenda’s van hulporganisaties of een negatieve invloed op de lokale markten. Niet geheel onterecht, maar dit zorgt ervoor dat voedselhulp traag op gang komt en bemoeilijkt wordt. Vele Somaliërs pakten dus hun biezen voordat er echt geen voedsel meer te vinden was.
Bij aankomst in Dollo Ado, vaak na een lange reis van dagen lopen met weinig water of voedsel, worden de families geregistreerd en krijgt iedereen een bandje om. Ze ondergaan gelaten de procedure, iedereen is vermoeid van de reis. In de ogen van de volwassenen zijn de zorgen af te lezen, de kinderen spelen zoals altijd en lijken vol verwachting van wat komen gaat.
Een van de vijf kampen is Kobe, bewoond door bijna 40.000 mensen. Ik klim over de heuvel aan de zijkant van het kamp en ben zwaar onder de indruk. Vanaf de rand van het kamp zijn eindeloos veel rijen tenten en huisjes te zien en hier en daar een termietentoren. Moeilijk voor te stellen hoe het is om te leven in deze pop-up stad, het geeft me een beklemmend gevoel. Bewoners kunnen het kamp niet verlaten zonder toestemming, maar kunnen ook mét toestemming waarschijnlijk nergens naartoe.
Ik bedenk me dat in elke tent, elk huis, een familie leeft met een eigen vluchtverhaal. Nu ik hen heb gesproken weet ik dat veel van de gezinnen incompleet aankomen. Mannen die zijn gerekruteerd door Al Shabaab of hebben dit geweigerd en zijn vermoord. Kinderen zijn onderweg kwijt geraakt, sommigen kinderen zijn in een ander kamp terechtgekomen, andere familieleden die zijn achtergebleven. Maar van dat alles zie en merk je nog niets als je daar op de heuvel staat. Want op de heuvel staat een dorre boom die een speeltoestel is voor uitgelaten kinderen. Zij lijken altijd wel een manier te vinden om de tijd te doden en plezier te hebben met wat voorhanden is.
Naar beneden lopend zie je pas dat het echt leeft in het kamp en het lijkt te functioneren als elk ander dorp. Op de markt krioelt het van mensen, opgestapelde groenten, zakjes suiker, lucifers, snoep. Een kleine school wordt uitgebreid, nieuwe lokalen zijn in aanbouw. Vrouwen melken de geit voor het huis en geven hun kinderen te drinken. Andere vrouwen bereiden eten op een kookstel buiten.
Toch is het iets minder normaal dan het lijkt; de marktverkopers ontvingen een ‘business skill training’ en kregen hulp bij het opstarten van hun onderneming. De scholen zijn met donorgeld gebouwd en hebben lesmethodes ontvangen over water, sanitatie en hygiëne. De geiten zijn geschonken en rondom het kamp worden kleinschalige landbouwprojecten opgezet. Bijna 12.000 houtbesparende kookstellen zijn uitgedeeld en op dit moment wordt er geëxperimenteerd met ‘solar cooking’.
Naast dat ik hier ben om mensen te spreken over hun huidige situatie en de invloed van de projecten ben ik ook op zoek naar een oude bekende van ZOA. Mijn collega sprak hier eerder met Mako Omar Ali, een Somalische vrouw die hier in 2011 aankwam. Haar man was vermoord en twee van haar kinderen bleven achter in Somalië. Ze vertelde: “Ik heb zoveel gehuild, ik wacht nu op betere tijden”. We vinden haar en overhandigen een ZOA Magazine waarin haar verhaal gepubliceerd is. Ze straalt als ik het tijdschrift uit mijn tas haal en haar foto laat zien. Trots laat ze het aan iedereen zien die in de buurt staat. “Al mijn kinderen zijn inmiddels bij mij, hoewel één nog in het kamp hiernaast verblijft. Ik heb een training kunnen volgen van ZOA waardoor ik mijn eigen zaak gestart ben, ik schenk thee en verkoop graan. Ook weet ik nu hoe ik de boekhouding moet doen. Een aantal maanden geleden werden er vrijwilligers gevraagd om de kookstellen uit te delen. Ik heb me aangemeld en daarna werd ik gevraagd om te blijven werken in het team van ZOA om families te bezoeken en hen te vertellen over sanitatie en hygiëne.”
ZOA’s livelihood officer Khadija vertelt: “Ze viel op door haar actieve houding, ze is altijd vrolijk en maakt een praatje met iedereen”. Al met al zijn er dus zeker verbeteringen in het leven van Mako Omar Ali, ten opzichte van vorig jaar: “Ik ben veilig, ik heb een baan, ik ben gezond en al mijn kinderen zijn hier. Ik ben gelukkig.”
Hopelijk is er ook snel zicht op een leven voor haar buiten het kamp. Maar daarvoor is het nu nog te vroeg, er moet eerst vrede in Somalië zijn. Iemand die deze wens voor vrede prachtig beschrijft is de Brits-Ethiopische schrijver Lemn Sissay. Ik stem geheel in met zijn gedicht ‘Let There Be Peace’.