4 juli, 2013 | Auteur: Laura van der Reijden | Beeld: Laura van der Reijden | Trefwoord: kenia
Het reilen en zeilen van een klein Keniaans weeshuis
“Nee, ik ga jullie geen geld geven, dan gaan jullie lijm kopen”, zegt Pawel tegen de drie bedelende 13-jarigen die met een uitgestoken hand voor hem staan. Een jongen wrijft over zijn buik om aan te geven dat hij honger heeft. “Het avondeten staat om zeven uur klaar bij Fursa – jullie zijn van harte uitgenodigd om te komen.” De jongens zeggen dat ze er zullen zijn. “Dat zeggen ze altijd”, legt Pawel uit. “Maar als het zeven uur is liggen ze weer ergens op straat, stoned van de lijm.”
In de rubriek Onderweg schrijven Bart Crezee en Laura van der Reijden over hun ervaringen. Laura van der Reijden trekt van noord naar zuid van Caïro naar Kaapstad door Afrika. En Bart Crezee trekt liftend van west naar oost langs de oude zijderoute van Istanboel naar Beijing.
Pawel runt Fursa Children Centre, samen met zijn vrouw Eugenia. Hij komt oorspronkelijk uit Polen, zij uit Nairobi. Nu wonen ze samen met ongeveer dertig kinderen in Isiolo in centraal Kenia. Tijdens zijn eerste Afrikaanse reis, liftend van Londen naar Oeganda, kwam Pawel enkele maanden geleden in dit Keniaanse dorp terecht en hij was meteen verkocht. Vanwege de kinderen en de missie van het weeshuis, maar niet door de manier waarop de plek toentertijd gerund werd. Volgens Pawel werd het gedoneerde geld verduisterd door de manager en werden de kinderen niet goed behandeld. “Toen ik dat zag moest ik gewoon blijven, zeker omdat de toenmalige manager zei dat ze weg wilde.”
Zo is Pawel in Isiolo gebleven. Het is een van de gevaarlijkste en armste steden in het land. De wijk waar het weeshuis ligt is volgens Pawel een plek waar zelfs veel locals niet graag komen. Om de hoek van het weeshuis is vorige week nog een dode baby in de greppel gevonden. “Er stonden mensen bij het levenloze lichaampje te gapen en te grappen, waaronder een politieagent”, vertelt Pawel. “Het kon niemand iets schelen. Deze stad is een beerput.” Daarom is Pawel nu bezig met de bouw van een nieuw onderkomen net buiten de stad. Deze nieuwe plek is beter want het is er veiliger en het is voor de kinderen minder makkelijk om 's nachts weg te glippen en lijm te gaan snuiven. Ook is de verleiding van het straatleven dan verder weg, inclusief de slechte invloed van mensen van buiten. “Soms blijven kinderen dagen lang weg bij Fursa, om vervolgens terug te keren met het verhaal dat ze bij familie of vrienden geslapen hebben”, legt Pawel uit. “Meestal betekent dit dat ze dan niet naar school gaan en God weet wat ze dan nog meer allemaal uithalen.”

De nieuwe plek waar de kinderen opgevangen zullen worden ligt een korte brommerrit verderop. “We gaan kassen bouwen en onze eigen groente en fruit verbouwen”, vertelt Pawel trots. “Voor elektriciteit laat ik zonnepanelen plaatsen.” Hij laat het gebouw zien dat nu nog meer lijkt op iets dat in verval is geraakt dan iets dat in aanbouw is – halve muren, afgebrokkelde bakstenen, nergens geplamuurd. “Hier gaan de jongens slapen”, wijst hij. “En dit wordt de keuken. En daarachter kunnen we een voetbalveld aanleggen.” Pawel vertelt dat er binnenkort wat vrijwilligers langskomen, geschoold als timmermannen, die het een en ander komen opknappen. “Als ik het maar voor elkaar krijg om de kinderen uit de stad weg te halen, dan kan het ze goed vergaan.”
De levens van dertig kinderen dagelijks op orde houden is een zware taak, maar dit is voor Pawel niet de grootste uitdaging. “Geld is altijd een probleem.” Hij vertelt dat Fursa Children Centre compleet gaande wordt gehouden door donaties van weldoeners uit het buitenland. Grote organisaties heeft hij meermaals aangeschreven, maar hier kwam teveel bureaucratische rompslomp bij kijken. Pawel en Eugenia hebben zelf geen tijd om te geld te verdienen – Fursa is hun werk. “Soms duurt het erg lang voor we weer wat geld krijgen en dan staat er een tijd niets op onze rekening. Op zo’n moment besef je je in wat voor een benauwde situatie we hier zitten.” Ook de families van de kinderen dragen weinig tot niets bij, want meestal is juist de reden dat de kinderen in Fursa zijn het geldgebrek van de ouders. “Ongeveer de helft van de kinderen heeft nog een of beide ouders”, vertelt Pawel. “En de anderen zijn hier afgezet door vrienden of andere familieleden. Soms weten we niet of er nog familie is.”
Het is ondertussen zeven uur. De straatjongens zijn inderdaad niet komen opdagen, maar in Fursa Children Centre is het desalniettemin een drukte van jewelste. Kinderen komen het erf opgerend terwijl ze een voetbal naar elkaar trappen – sommigen nog in schoolkleren en anderen in hun vrijetijdskleding, maar allemaal zitten ze onder het stof. De huismoeder legt achter het hoofdgebouw de laatste hand aan de ugali, de lokale maïspap. Daarnaast staat een houten huisje welke dient als de meisjesslaapkamer en er tegenover staat die van de jongens. Pawel zit voor het hoofdgebouw op een klein krukje en aait zijn hond Guinness afwezig over zijn kop. “Dit is waar je het voor doet”, zegt hij, terwijl hij gelukkig naar de lachende en spelende kinderen kijkt.