28 juli, 2013 | Auteur: Bart Crezee | Beeld: Bart Crezee | Trefwoord: turkmenistan
Verwondering in Turkmenistan
De straten zijn wit en verlaten. Wit van het vele marmer waarmee deze stad recentelijk bekleed is; verlaten, omdat de meeste mensen gedwongen zijn vertrokken om plaats te maken voor gloednieuwe hoogbouw. Dit is Asjchabad, wellicht de meest bizarre stad op aarde. Een bezoek aan Turkmenistan is een bezoek aan een verbazingwekkend andere wereld.
In de rubriek Onderweg schrijven Bart Crezee en Laura van der Reijden over hun ervaringen. Laura van der Reijden trekt van noord naar zuid van Caïro naar Kaapstad door Afrika. En Bart Crezee trekt liftend van west naar oost langs de oude zijderoute van Istanboel naar Beijing.
"Welkom in Asjchabad", zegt de taxichauffeur met een grote glimlach wanneer hij afdaalt van de laatste grenspost in de Kopet-Dag bergen en langzaam de surreële straten van deze spookstad binnenrijdt. Het eerste wat opvalt zijn de straatvegers die woestijnzand en stof opvegen langs de stoeprand. Gekleed in lompen en met een mondkapje om werken ze in ploegen het hele stratennet af. Het verklaart hoe deze stad zo extreem netjes over komt. Té netjes. Zo netjes en steriel dat er geen plaats lijkt voor gewone mensen. Maar dat is hier dan ook niet nodig. Dit is Berzengi, de nieuwste buitenwijk die voormalig president Niazov in zijn bouwwoede liet optrekken en waarvoor hele woonwijken gedwongen plaats moesten maken. De wit-marmeren hotels en overheidskantoren, de glinsterend gouden plakkaten met het portret van Niazov zelf en de extreem keurig aangeharkte groenbakken vormen het – vaak letterlijke – beeld van zijn Turkmeense 'Altyn Asyr', of Gouden Eeuw.
De zelfbenoemde Türkmenbashi, leider der Turkmenen, leek vooruitgang en voorspoed vooral terug te zien in megalomane bouwprojecten die miljoenen oliedollars verslonden. Maar dat was voor hem geen probleem, olie- en gasdollars genoeg in dit grondstofrijke land. Het verklaart waarom Turkmenistan qua mensenrechtenschendingen Noord-Korea benadert, maar door Westerse regeringen slechts licht bekritiseerd wordt. In de Westerse pers wordt het land al helemaal nooit besproken. En ook net als Noord-Korea is Turkmenistan extreem geïsoleerd. Het is als een lege witte plek op de kaart: een vergeten land in de verwarrende mix van Stan-landen die ontstonden na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Het moet gezegd worden: er is ook maar weinig nieuws dat Turkmenistan uit weet te komen. Xenofobie zit diep geworteld bij de Turkmeense autoriteiten en slechts een handjevol Westerse toeristen komt hier jaarlijks binnen, vaak voor niet langer dan vijf dagen. Journalisten zijn niet welkom.
"De meeste mensen zijn aan de andere kant van de stad", legt de taxichauffeur uit bij de aanblik van deze excentrieke verlatenheid. In het noorden liggen de echte woonwijken; wijken waar de oude Sovjet sfeer nog steeds rondhangt en het groen vrijelijk buiten de perken kan groeien.
De taxi passeert een manshoge versie van de Ruhnama, het autobiografische boek dat Türkmenbashi schreef en waarin hij zijn persoonlijke visie op Turkmenistan, haar volk, en haar geschiedenis ontvouwt. Als nationale literatuur is het verplichte kost voor elke Turkmeen. Het is een van de vele merkwaardigheden waar in het buitenland vooral hartelijk om wordt gelachen. Zo ook het roterende, gouden standbeeld van Türkmenbashi zelf, wat zo gebouwd is dat het gedurende de dag meedraait met de zon. Niet omdat Niazov naar de zon kijkt, maar omdat de zon om hem draait. In 2006 kwam er echter een einde aan het leven van deze moderne Zonnekoning. Na een plotselinge hartstilstand draaide de zon niet langer om de president heen. Het standbeeld werd verplaatst naar tien kilometer buiten de stad en voormalig vicepremier Berdimuhamedow nam het presidentiële stokje over.
Niazov's gouden beeld mag nu dan verplaatst zijn, veel is er verder niet veranderd in Turkmenistan. Er wordt nog steeds hard gebouwd aan de Turkmeense Gouden Eeuw, maar van echte vooruitgang lijkt weinig sprake. Een treinrit van Asjchabad naar Türkmenabat, de op-een-na-grootste stad aan de andere kant van het land, laat dat duidelijk zien. Armoedige, vervallen dorpjes worden afgewisseld door verroeste industrieterreinen, terwijl de trein de Karakum woestijn doorploegt. Asjchabad's fonteinen verkwisten liters helder water, maar in Türkmenabat komt nog steeds een zwaar vervuild, bruin straaltje uit de kraan.
Wat zo'n treinrit ook toont, is een klein inkijkje in het gewone leven van enkele Turkmenen, iets wat in deze veiligheidsstaat niet altijd mogelijk is. Opgepropt in een kleine coupé zitten vrouwen in prachtige, kleurrijke jurken. Vaak zijn ze in het groen, de nationale kleur van Turkmenistan. Veel mannen dragen een telpok, de traditionele wollen muts die op de steppes gebruikt werd. Eén van de vrouwen toont geborduurde vrouwenkleding die ze wil verkopen in het stadje Mary. In half-Russisch en half-gebarentaal wordt duidelijk dat de traditionele patronen zorgvuldig met de hand zijn gelegd en veel geld moeten opbrengen. Ondanks jaren van sovjetisering en leven onder Niazov, is de nomadische achtergrond van veel Turkmenen nooit ver weg.
Het moderne leven lijkt echter ook hier haar intrede te nemen, ondanks Turkmenistan's extreme isolatie van de rest van de wereld. Mobieltjes zijn wijd verspreid, en sinds Berdimuhamedow aan de macht kwam zijn de eerste internetcafés geopend in de hoofdstad. Alle e-mails worden grondig gelezen door de veiligheidsdienst, maar wellicht is het een klein teken van enige openheid.
Voor alsnog blijft Turkmenistan een uiterst gesloten land. Na vijf dagen plaatst een norse douanebeambte een exit-stempel en komt een gedwongen eind aan de mogelijkheid dit land te leren kennen. Wat blijft is vooral de verwondering; verwondering over dit radicaal andere Turkmenistan.