30 juli, 2009 | Auteur: Nick Ottens | Beeld: Sonia Bicker | Trefwoord: india
Het nieuwe India van Manmohan Singh
Er wordt in de berichtgeving relatief veel aandacht besteed aan de opkomst van China op het wereldtoneel, terwijl die andere Aziatische grootmacht, India, veelal op de achtergrond blijft. Dit is onterecht, want de Indiase groei is even indrukwekkend en wellicht een stuk standvastiger.
De vooruitgang die India de afgelopen twee decennia heeft genoten is vooral te danken aan de economische liberalisering. Deze werd begin jaren negentig onder de regering van Narasimha Rao en zijn minister van financiën, Manmohan Singh, doorgevoerd. Voorheen werd India door een planeconomie in toom gehouden: overregulatie, corruptie en een wirwar van bureaucratische richtlijnen en vergunningen zorgde er van de jaren vijftig tot en met de jaren tachtig voor dat de Indiase economie kromp. In diezelfde periode groeide de bevolking met meer dan een verdubbeling.
In 1991 moest het Internationaal Monetair Fonds er aan te pas komen om de Indiase staat van bankroet te redden waarna de noodzaak tot hervorming doordrong. Onder aanvoering van Rao en Singh werd India geopend voor buitenlandse handel en investeringen, werd de economie gedereguleerd, werden staatsbedrijven geprivatiseerd, belastingen herzien en de inflatie beteugeld. Vakbonden bleven tegelijkertijd machtig en landbouwsubsidies onaangetast. Het resultaat is de afgelopen jaren onmiskenbaar. Meer dan driehonderd miljoen mensen ontsnapten aan extreme armoede terwijl de economie als geheel gigantisch groeide.
De architect van dit nieuwe India, Singh, werd in 2004 tot minister-president gekozen en won in de verkiezingen van afgelopen april en mei een tweede termijn. Vlak na zijn overwinning kondigde hij een nieuwe hervormingsagenda aan waaruit blijkt dat hij geenszins gelooft dat het zwaarste werk er op zit. Singh wil onder meer het bankwezen en de olie-industrie verder privatiseren en de regels voor samenwerking tussen de publieke en private sector versoepelen om voor vijftien miljard dollar aan wegenbouw en -onderhoud aan te sporen.
Hoewel zijn politiek van deregulering anders zou kunnen doen vermoeden is Singh geen fel aanhanger van het kapitalisme. Naast marktliberalisering en privatiseringen investeert de minister-president ongekende gelden en middelen in het zogenaamde National Rural Employment Guarantee Scheme dat de mannelijke plattelandsbevolking tenminste honderd dagen per jaar ongeschoolde arbeid verschaft in publieke werken, tegen het minimumloon. Bureaucraten en andere tussenpersonen worden hiervan vrijwel uitgesloten, waardoor de kans op corruptie minimaal is. Daarnaast komt het geld terecht bij mensen die het grotendeels onmiddellijk uitgeven en daardoor worden lokale economieën gestimuleerd.
Singh bevecht corruptie ook op het hoogste niveau middels een nieuwe Right to Information Act. Deze geeft elke Indiase burger recht op inzage van de documentatie van ministeries, gerechtshoven en lokale overheden. In een land waar zelfs de inhoud van de prullenbakken van ambtenaren voorheen als vertrouwelijk kon worden bestempeld is het belang van deze wet niet te onderschatten. Overheidsinstanties zijn verplicht binnen dertig dagen elk verzoek in te willigen waardoor binnen rap tempo machtsverstrengelingen en omkooppraktijken aan het licht kunnen worden gebracht.
Hoewel hij wellicht de meest ambitieuze en vooruitstrevende minister-president in de recente Indiase geschiedenis is, is Singh zelf verrassend bescheiden en verlegen. Maar met moeite spreekt hij in het openbaar. Wanneer hij geconfronteerd wordt met een menigte geeft hij liever de microfoon aan een ander. Deze terughoudendheid werd gedurende de afgelopen verkiezingscampagne door Singhs tegenstanders uitgebuit om hem als een zwak en ongedreven leider af te schilderen. Maar zijn tekortkomingen leverden hem juist voordeel. In het land waar bijna één op de vier volksvertegenwoordigers verdacht wordt van criminele praktijken en politici in het algemeen worden veracht twijfelt vrijwel niemand aan de eerlijkheid van de minister-president. Verder klopt Singh zichzelf maar weinig op de borst voor zijn monumentale landsbestuur en speelt hij het politieke spel amper mee. Hierdoor geniet hij de reputatie onpartijdig te zijn en weet hij compromissen te sluiten die zijn transformatie van India vooruithelpen.
Een gouden toekomst is echter nog geenszins zeker. Hoe succesvol de hervormingsagenda van Singh tot dusver ook geweest moge zijn, nog altijd is een bureaucratische rompslomp ’s lands voornaamste obstakel. Singhs regering moet orde scheppen in een oerwoud van overlappende overheidsorganen en opvechten tegen een cultuur van ambtelijke tegenwerking in een land dat verandering soms lijkt te verafschuwen. Desalniettemin is er tenminste één goede reden om aan te nemen dat als iemand hierin kan slagen het Manmohan Singh is. Namelijk op basis van zijn resultaten in zijn vorige vijf jaar als minister-president van India.