6 februari, 2009 | Auteur: Nick Ottens | Beeld: Erik Wallert | Trefwoord: amerika
Trans-Atlantische spanning
Met Barack Obama treedt niet alleen een nieuwe president, maar een nieuw tijdperk aan in de Amerikaanse geschiedenis. De problemen die de Verenigde Staten vandaag de dag teisteren zijn van ongekende grootte en dagen Obama uit tot ingrijpende veranderingen in eigen land. Maar reikt zijn wind van verandering ook tot aan de andere kant van de Atlantische Oceaan?
Gedurende de afgelopen acht jaren werd het ‘Oude Europa’ door de Verenigde Staten liever genegeerd. President Bush en de zijnen hadden geen behoefte aan de kritieken van landen als Frankrijk en Duitsland die weigerden het Amerikaanse oorlogspad richting het Midden Oosten te volgen. Zij die wel met Amerika waren werden gelauwerd; bondgenoten die wat lastig deden behoorden tot het kamp der tegenstanders.
Deze zwart-wit politiek maakte in de laatste jaren van het presidentschap van Bush plaats voor meer nuance, maar het kwaad bloed dat de door de Verenigde Staten zo scherp getekende tegenstellingen had gespild was daarmee nog zeker niet weggeveegd. Frankrijk en Duitsland voelden zich voldoende gesteund door de macht van Europa om een onafhankelijke diplomatieke koers te varen jegens onder meer Rusland en jegens Israël. Van eenduidig internationaal optreden was geen sprake. Recente crises in Georgië en in Gaza maakten de kloof tussen de Amerikaanse en de Europese diplomatie pijnlijk duidelijk.
De koers van continentaal Europa, tot voorkort aangevoerd door President Sarkozy van Frankrijk, heeft diplomatiek succes gekend. Waar de Amerikaanse reactie op de Russische inval in Georgië maar weinig overtuigend was, en enkele Amerikaanse diplomaten de aanval zelfs verdedigden, onderhandelden Sarkozy en Kanselier Merkel van Duitsland al snel over een staakt-het-vuren. Na de aanvang van het Israëlische grondoffensief in de Gazastrook schaarde de Verenigde Staten zich aanvankelijk achter Israël en weerhield het de V.N. Veiligheidsraad ervan beide partijen tot een wapenstilstand te dwingen. Sarkozy trok echter gelijk naar Egypte om met ambtsgenoot Moebarak te spreken over de situatie en tezamen presenteerden zij een plan om het geweld te beëindigen dat door president Abbas van de Palestijnse gebieden werd gesteund.Sarkozy’s bevlogenheid met het Midden-Oosten verraadde echter tegelijkertijd ook een zwakte van Europa. Terwijl de Franse president zichzelf geroepen zag vrede te brengen in Palestina kruisten Rusland en de Oekraïne de degens over gasleveringen. Duitsland, dat voor een aanzienlijk deel van Russisch gas afhankelijk is, was even niet bereid ferme taal uit te slaan en daarmee bleek Europa maar nauwelijks in staat Rusland in toom te houden. Zonder het overwicht van de grote landen heeft Europa moeite haar zin door te drukken. Rusland weet dat de Britten zich tegelijkertijd liever afzijdig houden van wat er aan de overkant van het Kanaal gebeurt en maakt gebruik van die verdeeldheid. Datzelfde geldt voor de Verenigde Staten dat niet bereid is voor Europa haar relatie met Rusland mogelijk schade te berokkenen.
De Britse afkeer van Europa werd recentelijk nog bespot in het “Entropa” van de Tsjechische kunstenaar David Cerný; het land kwam op zijn kaart van Europa geheel niet voor. Groot-Brittannië schaarde zich indertijd wel aan de Amerikaanse zijde inzake Irak en blijft sterk verbonden met de Amerikaanse buitenlandse politiek. Hetzelfde geldt voor landen als Denemarken, Spanje en, tot op zekere hoogte, Nederland; allemaal zijn ze niet altijd even enthousiast over de Europese samenwerking, maar wel begaan met de Atlantische verhoudingen. Over deze onderlinge verdeeldheid tussen pro- en anti-Bush, en wellicht zelfs pro- en anti-Amerikaanse landen, wordt in Brussel liever niet gepraat. De Europese regering kent ook nog geen goede instrumenten om daadkrachtig internationaal op te treden. De verdeeldheid is daarvoor nog te groot.
Met de steun van Groot-Brittannië en enkele kleinere Europese landen dacht de Verenigde Staten geen verdere instemming van Europa te vereisen om Irak binnen te vallen. Militair kan het inderdaad zonder Europa, echter op diplomatiek vlak staat Amerika alleen zwakker. De verbondenheid tussen de Verenigde Staten en West-Europa is meer dan een halve eeuw oud. De regering Bush was bereid deze op het spel te zetten. Dat zij formeel nog steeds bestaat is grotendeels te danken aan de veerkracht van Europa, niet aan een terughoudendheid van de Verenigde Staten.
Obama zegde in zijn campagneplan toe de Atlantische alliantie te zullen versterken zodat het Westen met Rusland als één kan onderhandelen. Tegelijkertijd erkende hij ook het probleem van de afhankelijkheid van bepaalde Europese landen van Russische energie. Obama gelooft dat door de traditionele bondgenootschappen te herwaarderen, hij Europese landen ertoe kan aanzetten verder bij te dragen aan onze 'gemeenschappelijke veiligheid', ofwel, de NAVO-troepenmacht in Afghanistan. Hij wil zijn land uit Irak terugtrekken zodat Amerika zich kan richten op de werkelijke oorlog tegen het terrorisme aldaar. Het is echter onwaarschijnlijk dat landen die niet nu al een bijdrage leveren dat voor Obama wel gaan doen. Integendeel, velen, als Nederland, vinden dat zij hun plicht gedaan hebben en vertrekken liever dan dat zij nog jaren moeten blijven doorvechten.
Desondanks zijn er uit Bush’s schoffering van de Europese landen die zich niet naar Amerika schikten lessen te trekken. Immers het bondgenootschap is niet alleen militair en politiek maar ook economisch wederkerig. Europa en de Verenigde Staten zijn in hoge mate van elkaar afhankelijk. De nieuwe president doet er goed aan dit in het achterhoofd te houden ook al zal hij met meer dan mooie woorden moeten komen om de betrekkingen nieuw lieven in te blazen.