4 februari, 2009 | Auteur: Nick Ottens | Beeld: Steven Kraan | Trefwoord: nederland
De toekomst lacht de vrije markt toe
Vanaf de jaren tachtig ondergingen de economieën van de wereld een tijd van liberalisering en globalisering. Privatisering en deregulering waren het credo. De markt regeerde. Ondanks de kredietcrisis staat de ideologie van de vrije marktwerking nog stevig in zijn schoenen.
Na de Tweede Wereldoorlog stelden de westerse landen een financieel systeem op waarbinnen een prominente rol was weggelegd voor de Verenigde Staten. In het Amerikaanse plaatsje Bretton Woods in 1944 besloten dat voortaan de dollar als sleutelvaluta op zou treden. Ponden, marken, franken en guldens konden allen volgens vaste wisselkoersen tegen dollars worden ingeruild welke vervolgens in goud konden worden omgezet. Deze gouddekking garandeerde de waarde van de dollar als wereldmunt. Tegelijkertijd werden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank opgezet om het systeem te bewaken.
Enkele decennia lang functioneerde het systeem van Bretton Woods prima. De westerse landen ondergingen jaren van ongekende economische groei. Er was vertrouwen in de stabiliteit van de Amerikaanse economie en haar munt. Echter, eind jaren zestig kwam het systeem onder druk te staan. De Verenigde Staten importeerden meer dan zij exporteerden waardoor velen dollars het land uitvloeiden. Tegelijkertijd namen door de oorlog in Vietnam de overheidsuitgaven gigantisch toe. Besloten werd dollars bij te drukken om in de hoge vraag ernaar te voorzien. Dit verzwakte echter de munt. Immers, de voorraden goud namen niet toe; omdat er nu meer dollars in omloop waren kreeg men minder goud voor een dollar. Beangstigd door het waardeverlies van de dollar begonnen West-Europese landen en investeerders hun dollars in te ruilen voor goud waardoor de goudvoorraad van de Verenigde Staten kromp. President Nixon zag zich in 1973 gedwongen de gouduitgifte te staken waarmee het Bretton Woods systeem effectief ten einde kwam.
Vrijheid, blijheid
De vaste wisselkoersen en de inwisselbaarheid van de dollar voor goud werden opgeheven, echter de instituties van het systeem, het IMF en de Wereldbank, bleven bestaan. Het IMF heeft altijd als doelstelling gehad landen met een tekort op hun betalingsbalans middels leningen bij te staan. Ook na het einde van Bretton Woods bleek hiernaar behoefte. Toen bijvoorbeeld tal van Oost-Aziatische landen eind jaren negentig in de problemen geraakten leende het IMF hen geld zodat zij aan hun betalingsverplichtingen konden voldoen. De taken van de Wereldbank zijn minder eenduidig. Aanvankelijk speelde de bank een belangrijke rol in de wederopbouw van West-Europa na de oorlog. Gedurende de daaropvolgende jaren bleef het ontwikkelingslanden ondersteunen middels leningen en giften, gewoonlijk tegenover de eis dat zij overheidsdiensten privatiseerden en zich opstelden voor buitenlandse handel. De bank werd daarom wel eens verweten binnen het kader van de Koude Oorlog arme landen in de westerse, kapitalistische invloedsfeer te dwingen. Na de val van Bretton Woods en de daaropvolgende economische onzekerheid domineerde marktwerking het economische denken in het Westen. Onder invloed van Ronald Reagan in de Verenigde Staten en van Margaret Thatcher in Groot-Brittannië werd een zeer liberaal economisch beleid gevoerd. Staatsbedrijven werden geprivatiseerd, belastingen verlaagd en sociale zekerheid ingeperkt. De markt regeerde.
Het IMF en de Wereldbank speelden een belangrijke rol in de totstandkoming van wat het ‘Washington Consensus’ is gaan heten. Hierbinnen volgden velen Europese landen het voorbeeld van Reagan en Thatcher. Ontwikkelingslanden werden er door het IMF en de Wereldbank toe gedwongen. Met name Zuid-Amerikaanse landen verzetten zich hevig tegen de dominante rol van de Verenigde Staten in de wereldeconomie en ook in het Westen zelf waren steeds meer kritische geluiden te horen. Vaak verweefde deze kritiek zich met antiglobalisme en werd de vrije markt als dusdanig verweten verantwoordelijk te zijn voor de groeiende kloof tussen arm en rijk. De liberalisering van de financiële markten stuitte echter maar op weinig weerstand. In tegendeel, zij werd toegejuicht omdat vrijwel alle belemmeringen op welvaartscreatie ermee wegvielen. Vrijwel iedereen kon een hypotheek en lening krijgen en vrijwel elke bank verwachtte veel geld te verdienen.
De Verenigde Staten, een land dat bij uitstek op krediet leeft, ervoer als eerste de ontsluiering. Tal van hypotheken bleken simpelweg niet terugbetaald te kunnen worden. Financiële instellingen geraakten in de problemen en vereisten miljardensteun van de overheid om de aanvankelijke klap alleen al te kunnen opvangen. Onmiddellijk werden vraagtekens geplaatst bij de afwezigheid van toezicht op de financiële sector. Hadden overheid en internationale instellingen niet eerder moeten ingrijpen? Klonk het aan beide zijden van de oceaan terwijl de kredietcrisis zich over de gehele economie verbreidde. Overheden, ook de Amerikaanse, bleken nauwelijks problemen te hebben de ideologie van marktwerking opzij te schuiven om steun te leveren aan banken en andere bedrijven die door de crisis werden geraakt.
Een nieuwe economische orde?
Of de kredietcrisis daadwerkelijk een nieuwe financiële orde teweeg zal brengen is nog zeer de vraag. Ongetwijfeld zullen overheden de komende jaren meer toezicht leveren op de financiële markten. Reeds met de door hen toegezegde steun hebben overheden een aanzienlijke invloed verworven binnen het bankwezen. Er is echter weinig reden om aan te nemen dat ook andere sectoren binnenkort op meer staatsbemoeienis moeten rekenen.
Marktwerking staat nog steeds in hoog aanzien. De kredietcrisis doet als zodanig niet af aan de vrije markt. Het is onwaarschijnlijk dat de privatisering van overheidsdiensten zal worden teruggedraaid. Er zijn banken door de staat overgenomen, maar altijd met het doel deze ondernemingen uiteindelijk weer zelfstandig te kunnen laten voortbestaan. Er zijn maar weinig politici en economen die in de staat een goede ondernemer zien. Vraag en aanbod bepalen gewoonlijk de gunstigste prijzen voor een brede keuze aan diensten en producten. De kredietcrisis verandert daar weinig aan.
Mogelijk is wel dat de rol van instituties als het IMF en de Wereldbank in de toekomst zal veranderen. Het IMF treedt tegenwoordig meer op als een garantiefonds waarop staten in laatste instantie kunnen vertrouwen wanneer zij in financiële problemen komen. De Wereldbank toont zich tegelijkertijd bereid minder ingrijpende maatregelen te eisen in ruil voor steun aan ontwikkelingslanden.
Het economische succes van landen die zich van het ‘Washington Consensus’ weinig aantrekken, met China voorop, is niet noodzakelijk het teken van een ideologische zwakte van het kapitalisme. Het toont wellicht wel dat niet alleen het Westen de weg naar succes kent. Niettemin onderkennen velen van de landen die zich aan de heersende economische orde trachten te onttrekken haar voordelen. Zo genieten de Zuid-Amerikaanse landen die het IMF en de Wereldbank bekritiseerden om de rancuneuze eisen die zij stelden in ruil voor leningen tegenwoordig wel van fiscale en monetaire stabiliteit.
China, dat intern weinig van marktwerking moet hebben, is tegelijkertijd zeer naar buiten gekeerd. Het gedijt omdat het zich openstelde voor de wereldhandel. Ontwikkelingslanden mogen zich dan in woord tegen de Amerikaanse hegemonie keren, maar in daad dulden zij, soms maar al te graag, de voorspoed die haar economische ideologie hen brengt.